Oude Texelaars konden groot wonen

Al in de Bronstijd maakten mensen op Texel grote, langwerpige huizen voor zichzelf en de koeien. De grootte varieerde met de veestapel....

AAN DE Beatrixlaan in het Texelse dorp Den Burg staan huizen. Stoepen en straten bedekken de aarde. Niets wijst op de bewoners die hier eeuw na eeuw huizen en schuren bouwden, sliepen onder één dak met de koeien en voren in de aarde trokken met een primitieve ploeg. Bewoners die hun sporen achterlieten in de periode 1300 vóór Christus tot achttien eeuwen erna, van de Midden Bronstijd tot in de Middeleeuwen.

Toen er begin jaren zeventig bouwplannen voor dit terrein ontstonden, werd archeoloog drs. Flip Woltering op onderzoek uitgestuurd. In vier jaar tijd groef hij met een team van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in de omgeving van de Beatrixlaan een terrein af met de omvang van 23 voetbalvelden. Toen mocht de spa voor de nieuwbouw de grond in.

Na die tijd ging het team met tussenpozen telkens een paar weken terug naar het eiland om op braakliggende akkers naar sporen te zoeken van vroegere bewoning. Resultaat van dit alles is het lijvige boekwerk The Archeology of Texel - Four Studies on Settlement and Landscape, waarop Woltering op 18 januari promoveert aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

'Bewoning' is eigenlijk een verkeerd begrip, stelt Woltering voorop. In wat hij noemt 'archeologenjargon' dient het woord om alle sporen aan te duiden die wijzen op menselijke activiteit. Dat kan een kunstmatige ophoging zijn, gemaakt om wat hoger te wonen, of een streep van een afwijkende kleur in de aarde waar ooit een erfafscheidende greppel liep.

'Je ziet heel veel aan de grond als je weet waar je op moet letten.' Kleurverschillen in het aardoppervlak kunnen duiden op kuilen die als opslagplaats hebben gediend. Of ze duiden op graven of op de resten van palen die werden gebruikt om huizen mee te bouwen. Hoe hoger de concentratie van dat soort sporen, hoe groter de kans dat op die plek een boerenerf is geweest.

In de omhooggeploegde aarde van de onderzochte braakliggende akkers werden tienduizenden scherven gevonden. En in afgedankte waterputten lag soms weggegooide huisraad. Zeldzaam waren vondsten van ijzer, brons en munten, omdat dit kostbare materialen waren die steeds werden omgesmeed en hergebruikt.

Toen Woltering drie jaar lang op de akkers had rondgelopen, ging hij kaarten tekenen om alle vindplaatsen te kunnen situeren. Daarbij gebruikte hij vooral hoogtekaarten, ooit gemaakt ten behoeve van de ruilverkaveling.

Hij tekent een schetsje om te tonen hoe je kunt bepalen welke oude stukken grond door mensen werden gebruikt. Tijdens de voorlaatste en de laatste ijstijd, zo laat hij zien, lag de zeespiegel zo'n honderd meter lager dan nu. Texel vormde daarom één vasteland met Groot-Brittannië en Drenthe. Toen het ijs smolt, steeg de waterspiegel. 'Texel is het topje van een verzameling zandheuvels met een kern van keileem, opgestuwd en opgestoven tijdens de voorlaatste en laatste IJstijd', legt Woltering uit.

Vooral in het zuidoostelijke deel van het eiland ontstond een gebied dat bestaat uit dekzand en keileem. Dat keileem is ongeschikt voor landbouw. Het zit vol stenen; 's winters blijft het water erop staan, 's zomers droogt het uit. Dekzand kan daarentegen goed dienen als akkerland, mits het met stalmest wordt verrijkt, want het is van zichzelf weinig vruchtbaar. Daarom woonden de meeste mensen altijd al bij voorkeur op het dekzand in de buurt van het huidige Den Burg.

Voorts kende Texel duinen. Daar woonden pas vanaf de late Middeleeuwen mondjesmaat mensen. Ten slotte zijn er onbewoonde stukken zeeafzetting, natte kwelders, wadgebied en venen.

D E OUDSTE sporen van bewoning die Woltering beschrijft, dateren van rond 1300 voor Christus. De archeoloog schat de bevolkingsdichtheid in die tijd op twee, drie mensen per vierkante kilometer. Deze in totaal honderdtwintig tot honderdtachtig personen, verdeeld over twintig tot dertig bedrijven - nederzettingen waren er nog niet - woonden in langwerpige huizen. Daarvan resten afdrukken van houten palen in de aarde.

Naarmate de eeuwen verstrijken, vertonen Wolterings kaarten van de omgeving van de Beatrixlaan meer en meer plattegrondjes van huizen. In de periode 1350-100 voor Christus bouwde men huizen van 6 of 7 meter breed en gemiddeld 20 tot 25 meter lang. Die omvang betekent dat mensen en hun beesten onder hetzelfde dak woonden. Eromheen stonden kleinere schuurtjes of bijgebouwtjes.

Opvallend is dat de huizen in de loop van generaties gingen 'zwerven' over het akkerland van een bedrijf. Kinderen of kleinkinderen sloopten bestaande huizen, omdat die slechts zo'n 25 jaar meegingen. De bewoonde grond was dan weliswaar vervuild maar ook zo vruchtbaar - vanwege het niet beplanten en de natuurlijke bemesting - dat hij voor akkerbouw zeer geschikt was.

Hoe meer mensen op het eiland kwamen, en hoe meer land er in de loop der eeuwen onder water kwam te staan, hoe kleiner het stuk grond dat elk bedrijf had om vee te laten grazen. Woltering constateert dat er vanaf de Late Bronstijd tot diep in de IJzertijd (200 voor Christus) geleidelijk kortere woon-stalhuizen werden gebouwd. De bouwwerken zijn dan opeens nog maar gemiddeld tien tot vijftien meter lang. Dat betekent volgens hem dat in zo'n periode minder rundvee werd gehouden. Nadien werden de huizen weer groter: kennelijk groeide de veestapel dan weer.

Woltering is aan de hand van zijn vondsten voortdurend bezig met dat soort berekeningen: als een boerenbedrijf bestaat uit gemiddeld zoveel personen, hoeveel eten hebben ze dan nodig, en welk deel daarvan is afkomstig van veeteelt, landbouw, jacht, visserij? Aan de hand van die uitkomsten constateert hij een verschuiving in activiteiten, zoals die van overwegend rundveehouderij naar meer akkerbouw.

Uiteindelijk tekende Woltering over het hele eiland 750 vindplaatsen op, waarvan er 220 worden begrepen als woonplekken. Daarmee is Texel archeologisch een erg rijk gebied.

De eerste huizenbouw in gehuchtjes dateert van de vroege Middeleeuwen, zo vanaf 550 na Christus. Dan ontstaan ook verschillen in de bebouwing, waaruit een indeling in sociale klassen is af te lezen.

Het was op Texel altijd goed wonen. 'Je had er alles: grond en kwelders om vee te laten grazen, land voor akkerbouw, duin om te kunnen jagen, water om in te vissen. Al met al was het eiland dichter bevolkt dan bijvoorbeeld de provincie Drenthe.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden