Postuum Mariss Jansons

Oud-dirigent Concertgebouworkest Mariss Jansons overleden

Mariss Jansons, voormalig dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest, is zaterdag overleden. Dat hebben de Wiener Philharmoniker bevestigd. Jansons overleed in St. Petersburg aan acuut hartfalen. Hij is 76 jaar geworden.

Mariss Jansons bij een repetitie in 2014 in het Concertgebouw. Beeld Joost van den Broek

Jansons was hartpatiënt en zegde de laatste jaren veelvuldig concerten af. De Let was chef van het KCO tussen 2004 en 2015, waarna hij werd opgevolgd door de inmiddels ontslagen Daniele Gatti. Onder Jansons maakte het Amsterdamse orkest een van zijn meest succesvolle periodes door. Zo werd het door het Britse muziekblad Gramophone in 2008 uitgeroepen tot het beste orkest ter wereld. Zijn laatste vaste orkest was het Symfonieorkest van de Beierse Omroep. Ook was hij erelid van de Wiener Philharmoniker.

Jansons werd geboren in Riga. De Letse Opera gold als crèche voor de kleine Mariss: vader Arvid was er dirigent, moeder Iraida zong er als mezzosopraan. Jansons was dertien toen het gezin naar Leningrad verhuisde omdat zijn vader daar dirigent kon worden naast de vermaarde maestro Jevgeni Mravinski. Mariss trad in de voetsporen van zijn vader en verruilde de viool voor de baton. Dat hij een bekende vader had, zou voor hem een levenslang gevoelde noodzaak worden zich te bewijzen.

Jansons’ dirigentenscholing duurde twee volle decennia, onderricht bij Hans Swarowsky in Wenen en stages onder Mravinski meegerekend. Een domper was dat het Sovjetregime njet zei toen de legendarische Herbert von Karajan hem naar Berlijn wilde halen als assistent. Chef-dirigent worden in Noorwegen kon ook niet – sovjetkunstenaars mochten nooit langere tijd in het buitenland zitten. Slim: de Osloërs stelden hem in 1979 aan zonder titel. In kleine hapjes tijd veranderde Jansons het provinciaalse ensemble in een eersteklas symfonieorkest.

En hij dresseerde er zijn eigen muziekinstinct. Toen het Sovjetsysteem omviel, Leningrad weer St. Petersburg mocht heten en een vrij uitreizen uit Rusland mogelijk werd, schoot Jansons de wereld over.

Nederland maakte kennis met hem in 1985. Eindelijk zou het Philharmonisch Orkest van Leningrad achter het IJzeren Gordijn vandaan komen voor concerten in Rotterdam. Maar tot teleurstelling van het publiek kwam niet Jevgeni Mravinski mee, maar reservedirigent Mariss Jansons. Dat veranderde snel: de kritieken waren lyrisch. ‘Jansons overrompelend.’ ‘Geen detail ontsnapt aan zijn aandacht.’ ‘Prachtig genuanceerde Zevende van Sjostakovitsj.’ ‘Rijpe vertelling.’ ‘Dwingend.’

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest contracteerde hem direct voor eigen concerten met werk van Tsjaikovski en Prokofjev. Formidabel was vervolgens het gastdebuut van Jansons anno 1988 bij het Concertgebouworkest, met Rachmaninov en (alweer) Sjostakovitsj.

Welk orkest hij ook dirigeerde, steeds waren er de donkere klankkleuren, de zinderende strijkerspianissimo’s, de leep gecalculeerde uitbarstingen en de onontkoombare stuwing die duidelijk maakten dat de kiem van Jansons’ dirigeerkunst gelegen was in een Leningradse erfenis.

Zijn frequente verschijningen in Amsterdam en Rotterdam vormden de afspiegeling van een bizarre dirigeeragenda. ‘Minder dirigeren, hoe pak je dat aan?’, riep hij in 1995, op het spitsuur van zijn carrière. In vier weken tijd konden vier toporkesten in Europa en Amerika op de kalender staan. Dan Melbourne en Sydney; aansluitend een Europese tournee, en van achterafcentra naar Wenen en Londen.

Dat zulke tourschema’s hun tol eisen, leerde Jansons in 1996. Bij een concert in Oslo kreeg hij een hartaanval. Orkestleden zagen de rechterarm van hun chef op de grond nog Puccini dirigeren. Zelfs de behandeling kwam in het teken te staan van de rusteloosheid: noodbehandeling in Oslo, gedotterd werd er in Zwitserland. In het Amerikaanse Pittsburgh, bekend om zijn uitmuntende ziekenhuizen, werd een defibrillator ingebracht, een apparaatje dat het hart een opdonder geeft zodra het ermee ophoudt. Het redde hem meerdere malen. Voor vader Arvid liep het anders af. Hij overleed toen hij in 1984 de Vijfde symfonie van Mahler dirigeerde.

In 2002 werd bekend dat Mariss Jansons de zesde chef-dirigent van het Concertgebouworkest (KCO) zou worden, als opvolger van Riccardo Chailly – de relatie met de Italiaan was na veertien jaar bekoeld. Met Jansons benoemde het orkest voor het eerst een chef die al aan de top van de dirigentenladder stond. Voorgangers Willem Mengelberg, Bernard Haitink en ook Chailly groeiden juist tijdens hun chefschappen in Amsterdam uit tot grootheden. En anders dan bij dat drietal, waren er in Jansons’ tijd geen grote conflicten tussen orkest en dirigent.

‘Ontspannen zijn, dat vind ik moeilijk’, zei Jansons voor zijn aantreden in 2004. Hij stroomlijnde zijn agenda, voegde het veeleisende chefschap in Amsterdam bij een minstens zo veeleisende baan in München, zonder er nog veel naast te doen, maar hield een oude horzel in het hemd. Geobsedeerd door de gedachte dat elk van zijn concerten absoluut beter moest zijn dan het vorige, bleef hij het uiterste van zichzelf eisen.

In de elf jaar dat hij KCO-chef was, gaf hij 408 optredens met het orkest. Opvallend is dat daarvan maar 188 plaatsvonden in Amsterdam: in de Jansons-jaren toerde het orkest intensief en werd de ecologische voetafdruk vergroot – 75 optredens vonden plaats buiten Europa.

Jansons bleef geconcentreerd en gedetailleerd werken aan klankschoonheid. Niet ieder werk had baat bij die benadering. Toen het KCO vanwege het 125-jarig bestaan van het orkest Louis Andriessen uitnodigde om een jubileumstuk te schrijven, Mysteriën, liep de samenwerking uit op een mislukking: in de documentaire over de voorbereidingen zie je de botsing tussen Andriessen en Jansons, die de componist niet serieus leek te nemen. Met hedendaagse partituren wist Jansons, ritmisch minder sterk, zelden raad.

Liever schotelde hij zijn publiek Richard Strauss voor: Ein Heldenleben werd zijn meest gespeelde stuk bij het KCO. En Gustav Mahler. Zijn bijdragen in de operabak van De Nederlandse Opera, waar hij Sjostakovitsj’ Lady Macbeth van Mtsensk en Tsjaikovski’s Schoppenvrouw dirigeerde? Onvergetelijk.

Wat maakte Mariss Jansons zo goed?

Bij het afscheid van Mariss Jansons in 2015 vroegen we: wat maakt Jansons zo bijzonder? ‘Alles is altijd tot in de puntjes voorbereid. Hij kent de partituur van buiten, hij weet wat het orkest kan.’

De klassieke muziekwereld reageert op de dood van Mariss Jansons

Dirigent Gustavo Gimeno: ‘We waren ronduit verliefd op hem. Zelfs zijn repetities waren bijzonder, je kwam er altijd vol inspiratie en hoop vandaan.’ Lees hier alle reacties op het overlijden van Mariss Jansons.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden