OTIS REDDING

Hij werd maar 26 jaar. Op een ijskoude decembermiddag in 1967 stortte Otis Redding met zijn vliegtuigje in het Mononameer....

HOEVEEL MENSEN zullen er niet dagelijks aan hem denken? Als ze in de lift staan, omhoog- of naar beneden gaan in hun flatgebouw of op het werk, en niet weten waar ze moeten kijken. En dan valt hun blik op Otis, naar liftenfabrikant the Otis Elevator Company (geen familie).

Zullen ze dan denken aan het geschreeuw van Emperor Rosko, de ceremoniemeester van Otis Redding? Die het publiek net voor het optreden van the natural prince zijn naam letter voor letter laat meeblêren: Ooooo! Ttttt! Iiii! Sssss!. Waarna de Memphis Horns toeteren als op drift geraakte oceaanstomers en Otis met één beweging zijn stem naar voren schuift: OOEEEHHHHHH!

Of denken ze aan het ontroerende rijm:

Otis die

Dood is.

Want dood is ie, al 32 jaar. Op een ijskoude zondagmiddag, 10 december 1967 was het zover. Leden van de Wisconsin State Police visten hem uit het Mononameer. Zijn Beechcraft-vliegtuig was in het water terechtgekomen na een korte vlucht vanaf het vliegveld van Cleveland.

Hij was samen met zijn begeleidingsband, the Bar-Kays, op weg naar een optreden in The Factory in Wisconsin, een lokale jazz- en rockclub. De avond daarvoor was hij verschenen in The Upbeat, een tv-show. Eén inzittende overleefde het ongeluk: Ben Cauley, de laatste met wie Otis sprak.

Zijn laatste woorden, wat waren die?

Deed Mr. Pitiful zijn ultieme zelfbeklag?

Zong Otis A Sad Song?

Cauley, een trompettist die later zanger werd, heeft op het moment dat The Big O naar beneden stortte niet opgelet. Wel kon hij zich nog een eerder gesprek in het vliegtuig herinneren, zo blijkt uit een interview uit 1992. Zijn laatste woorden vóór zijn echte laatste woorden gingen over Sam Cooke. Waar moet je het anders over hebben, onderweg naar de dood.

Maar behalve over de grootheid van Sam Cooke ging het vooral over de manier waarop die zijn zaakjes had geregeld. Want de zanger die drie jaar eerder door een overspannen hotelreceptioniste was neergeschoten, had zijn eigen muziekbedrijf en liet zich door niemand de wet voorschrijven.

Otis wilde dat ook. Als zwarte iedereen de baas zijn. Alles in eigen hand houden. Tegen zijn vrouw Zelma zei hij: 'Als je groot wilt worden in deze business, dan moet je je 24 uur per dag daarop concentreren.'

Hij had al zijn eigen uitgeverij, Redwal, waarin zijn liedjes waren ondergebracht. Ook wilde hij Jotis, zijn muzieklabel, groot maken. Zijn eerste beschermeling was Arthur Conley voor wie hij Sweet Soul Music schreef en produceerde.

Maar hij wilde meer. Hij moest en zou de stap maken naar het grote Amerikaanse publiek, het grote blanke publiek. Misschien zou hij dan wel een nummer één-hit scoren in de pop-charts, wat voor zwarten ondenkbaar was. Want voor zwarte muziek had je de rhythm & blues-hitparade.

Hij dacht erover zelfs een nieuw genre te lanceren: soul-folk. Zo zou hij behalve door de zwarte radiostations ook door de 'algemene' worden gedraaid. En er was dat ene liedje dat hij in de zomer van 1967 had gemaakt: The Dock of the Bay.

Steeds weer luisterde hij naar The Beatles' Sergeant Peppers Lonely Hearts Club Band die zomer en kwam tot het besef dat de soulmuziek een andere kant op moest. Soulmuziek moest weg uit het broeierige zuiden, verhuizen naar wat in die tijd het hippie-universum van de wereld was: San Fransisco.

'I left my home in Georgia,

Headed for the Frisco Bay'

Dit nummer zou het begin kunnen zijn, dacht Otis, nadat hij op 7 december 1967 de opnamen voor Dock of the Bay in de Stax-studio in Memphis had afgerond. Hij keek gitarist Steve Cropper diep in de ogen, en zei: 'Dit is het.'

'Now I'm just go sit at the dock of the bay

Watching the tide roll away, ooh

Sitting on the dock of the bay

Wasting time.'

Drie dagen later was hij dood, verdronken in een meer. Direct na zijn dood werd (Sittin' on) the Dock of the Bay uitgebracht. Aan het begin is water te horen, rustig kabbelend. Het kwam op nummer één in de pop-hitparade.

Otis Redding werd op 9 september 1941 in Dawson in de staat Georgia geboren. Drie jaar later verhuisde de familie naar Macon, zo'n honderdtwintig kilometer ten zuiden van Atlanta. De buurt waarin de familie Redding woonde, heette Bellevue, maar stond vanwege zijn bonkige karakter bekend als Hellview.

Zijn vader werkte op de Robins Air Force Base en preekte in de Mount Ivy Baptist Church. Toen bleek dat Otis senior aan tbc leed, moest junior van school af en geld voor de familie verdienen.

Macon was in de jaren vijftig een broeierig rhythm & blues-bolwerk. Fats Domino trad er veel op. Lloyd Price. James Brown begon er zijn loopbaan. Maar vooral de optredens en de gepommadeerde verschijning van Little Richard trokken alle aandacht.

Duizelig van zijn eigen gekte tolde de Tutti Frutti-man door Macon. Of reed hij samen met zijn vriendin Fanny plankgas door de binnenstad op zoek naar mannen die het met Fanny wilden doen, terwijl hij toekeek. Uiteindelijk maakte de rechter een einde aan het scandaleuze geschuivel: Little Richard moest Macon verlaten.

En deze zanger was Otis' grote voorbeeld. In Peter Guralnicks boek Sweet Soul Music vertelt hij: 'Ik keek naar hem en stelde me voor dat ik zo als hij was.' In talentenshows klonk Otis als Little Richard.

Hij noemde zichzelf Rockhouse Redding, om aan te geven dat hij, de verlegen jongen die elke dime trouw aan zijn familie afstond, best wel een beetje stoer was. Hij trad solo op en zat in het achtergrondkoor van Johnny Jenkins & the Pinetoppers die een hit hadden met het nummer Love Twist.

En toen gebeurde het. Op een dag waarvan iedereen later zal zeggen dat het een dag was met een kroontje.

Er was een blanke jongen met de juiste contacten, die dol was op R & B-muziek. Er was een gitarist, een lokale held, die nota bene in de Stax-studio de kans van zijn leven kreeg. En je had Otis die meeging voor de gezelligheid, maar wel twee liedjes in zijn hoofd had.

Phil Walden was degene met de contacten. Dankzij hem mocht gitarist Johnny Jenkins in oktober 1962 een plaatje opnemen. Hij bakte er niks van, na twee uur uitzichtloos gepiel kon hij de bus weer in. En omdat er nog dertig minuten studiotijd over waren, mocht Otis zijn twee liedjes zingen. Als een voetballer die invalt in blessuretijd greep hij zijn kans met het Little Richard-achtige Hey Hey Baby en These Arms Of Mine, een ballad.

Met name dat laatste nummer waarin voor het eerst dat kwetsbare, klagende geluid van Redding te horen was, trok de aandacht. Het groeide uit van een bescheiden lokaal plaatje tot een nationale hit. Een zak met geld aan een vermaarde diskjockey zou hieraan hebben bijgedragen.

Daarna verscheen Pain In My Heart, eerst als single, en daarna begin 1964 als titel van zijn lp. Otis was niet meer te stoppen. Samen met de huisband van Stax, Booker T. & the MG's, maakte hij in drieëneenhalf jaar tijd zeven lp's met daarop vele hits.

Een kleine bloemlezing: Mr. Pitiful, I've Been Loving You Too Long, Respect, Try A Little Tenderness, I Can't Turn You Loose, Fa-Fa-Fa-Fa-Fa (Sad Song), Open The Door, The Happy Song (Dum-Dum).

Hij werd in 1967 in Engeland onthaald, zoals eerder The Beatles in Amerika waren toegejuicht. Totaal van slag, en bevangen door het idee dat hij een superstar was, trad hij net als Sinatra en Elvis eerder deden, in een smoking op. Ook verscheen hij die zomer tijdens het Monterey-festival. Terwijl de hippies er toch van overtuigd waren dat de verlichting van lsd en blanke bands zou komen, schudde hij de bloemenkinderen wakker. 'The love crowd was screaming its head off', schreef een criticus.

Wat hem zo groot maakte? Soul. Het hele woord. Het verschil tussen een beetje kriebels in de buik en grote pijn. En dat het maar doorgaat. Nummer na nummer. Hard en zacht. Soms lijkt het wel of hij het er ineens helemaal uit probeert te persen.

Op het onlangs verschenen tweede deel van Dave Godin's Deep Soul Treasures, waarin de allermooiste soulslijpers tegen elkaar zijn geplakt, schrijft Godin dat de FBI Otis Redding in de gaten hield. Ook de 'feds' snapten niet waar zo'n geluid vandaan kwam en vermoedden een geheime boodschap.

Muzikanten met wie hij werkte, beschrijven Otis als een bezeten artiest. Zelfs onderweg in de auto bedacht hij nieuwe liedjes, met z'n vingers trommelend op het dashboard. Hij ging maar door. Alsof hij wist dat hij maar 26 jaar had. Hij wilde geen tv-show missen, geen optreden laten lopen.

Zo ook op 10 december 1967. Het weer was te slecht om te vliegen, geadviseerd werd aan de grond te blijven. Maar hij wilde zijn afspraken nakomen. Otis had geen tijd te verliezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden