Orde scheppen in een flardenrijk

Ineens weet je je opgenomen in een ritme van ontluiken, opkomen en bloeien. Alles achter je ordent zich ernaar, wat vóór je ligt gaat een gelijke structuur vertonen....

Het ritme - de ontluiking zet al meteen in bij het vinden van sporen van het oudste Nederlands - verraadt natuurlijk een visie, maar is ook het gevolg van een totale beheersing van de stof en van een manier van schrijven, die zelf weer sterk ritmisch is. Die totale beheersing maakt het boek een geheel (wat van niet zoveel literatuurgeschiedenissen gezegd kan worden), de eenheid van stijl doet dat niet minder. Die stijl is zonder de sterk essayistische kant van de geschiedschrijving ondenkbaar. En dat essayisme maakt het geschiedverhaal sterk persoonlijk. Tenslotte is het de auteur die alles bindt. We lezen hier een eminent wetenschappelijk werk dat er alles aan doet de wetenschap onzichtbaar te houden.

De essayistiek is op zijn vrijst - en op zijn best - waar gebrek aan wetenschappelijke en historische feiten tot vermoedens dwingt. Er wordt een heel licht bouwwerk van veronderstellingen en mogelijkheden opgericht, met kennis uit verschillende disciplines als bouwstenen. Ik meen dat tegen het vermoedensgewijs schrijven of tegen de beschrijving, zoals die van de Maaslandse cultuur als een 'eilandenrijk' - verbindingen zijn er niet -, weinig in dit boek op kan.

Het mooie eraan is dit: in het centrum van alle gegevens en veronderstellingen ligt de laatste en wellicht enige mogelijkheid. In deze wijze van geschiedschrijven is Van Oostrom zonder meer superieur - vroegere opstellen en zijn biografie van Van Maerlant bewijzen het. Alleen een heel grote kennis maakt dit meesterschap van de vermoedelijke zekerheid mogelijk. 'De tijd heeft in het patrimonium verwoestend huisgehouden', schrijft Van Oostrom op pagina 282: er is veel verdwenen, geheel of ten dele, op een aantal grote werken na is de vroege Nederlandse letterkunde een flardenrijk. Voor de beschrijving daarvan is de geschetste methode ideaal, zo sterk, dat men ten slotte meer weet dan er te weten valt.

Het Latijn staat als machtige taal aan het begin. Het oudste Nederlands staat in de zogenoemde 'glossen': in de volkstaal geschreven regels boven de Latijnse, verklarende vertalingen. Het Nederlands begint als 'ondertitels', schrijft Van Oostrom. Zo'n honderd bladzijden lang - bijna eenvijfde van het boek - wordt er gezocht naar sporen van het oudnederlands, blijkens sommige citaten soms een stevige en beeldende taal, een vrij woordrijke ook. Op bladzijde 93 verschijnt dan de beroemde 'pennenproef' van dertien woorden: 'Hebben olla vogala nestas hagunnan,/ hinase hic enda thu./ Wat unbidan we nu?' 'Zijn alle vogels nesten begonnen, behalve ik en jij. Waar wachten we nog op.'

Het is de eerste keer dat het oudnederlands (en dus het Nederlands in het algemeen) buigt voor de verbeelding. De taal brengt een beeld voort. De grandioze dubbelzinnigheid van de literatuur is begonnen. En zij levert meteen het eerste uitstekende gedeelte van Stemmen op schrift op. De mogelijkheden bloeien.

Het wordt na het pennengekras enige eeuwen stil. Tot in het 12de-eeuwse Maasland een religieuze en hoofse cultuur ontstaat, waarin de Nederlandse literatuur begint, met dadelijk een groot dichter: Henric van Veldeke. De beschrijving van de cultuur van het Maas- en Rijnland - met de steden Maastricht, Aken en Luik als centra - reken ik tot de hoogtepunten van het boek. In het samen laten komen van verschillende onderdelen van de cultuur en die uit verschillende streken slaagt Van Oostrom verrassend. Waar de literatuur begint, begint ook de literatuurgeschiedschrijving met een hoogtepunt.

Het belang van het boek wordt ook bepaald door de ideeën die het aanreikt. Daar is de veronderstelling dat de hoofse cultuur een kerkelijke en niet een ridderlijke oorsprong heeft. Hoofse woorden in kerkelijke geschriften zouden erop kunnen wijzen. De gedachte blijft in de lezer doorspelen als hij aan 'het grote verhaal' begint, het hoofdstuk over de ridderromans. We zijn nu in Vlaanderen en daarmee in het Franse invloedsgebied. Hier is de literatuurhistoricus in de eerste plaats een ordenaar van een grote hoeveelheid teksten, te karakteriseren en eens gehanteerd als een 'narratieve ladenkast'.

De mooiste want meest bezielde bladzijden van het hoofdstuk zijn voor Chrétien de Troyes. Hier manifesteert zich een bijzondere trek van Van Oostrom: waar hij bewondert, komt hij zeer dicht bij de bewonderde. Men leze de stukken over Beatrijs van Nazaret, Hadewijch en Jacob van Maerlant. De heel dichte nadering heeft, wat ik maar noem, 'onthistorisering' als gevolg. De essayistische stijl versterkt het effect nog. Het verleden wordt bijna een bezield heden. Met de wetenschap wordt ook de geschiedschrijving onzichtbaar gehouden!

Met 'Missie en mystiek', het vierde hoofdstuk, is het tweede hoogtepunt daar. Daar zijn de heiligenlevens, de bijbelvertalingen - een uitstekend stuk over de Luikse evangeliënharmonie. En dan stijgt in de levens en werken van religieuze vrouwen de Nederlandse literatuur met Beatrijs van Nazaret en vooral Hadewijch naar een heel vroeg hoogtepunt. De prediking maakt plaats voor de verwoording van de beleving. Ook dit hoofdstuk loopt op het ritme van ontluiken, opkomen en bloei. Vlaanderen lijkt te beven van de heftige aandoeningen van de minne. Als synthese is het vierde hoofdstuk het beste van het boek.

Het vijfde hoofdstuk presenteert twee reuzen: de Willem die de Reynaert schreef, en Jacob van Maerlant, die bijna alles schreef. Voorzover ik het kan overzien is het deel over Willem een heel goede samenvatting van al bestaand materiaal en dat over Van Maerlant schatplichtig aan Van Oostroms eigen werk. Hier lezen we, voor het eerst, in het boek literatuurgeschiedschrijving in de traditionele zin, en die is soms 'te waar om mooi te zijn', om de auteur te citeren.

Een literaire studie is ook waard wat de citaten erin waard zijn. Van Oostrom haalt de soms heel rake en fraaie teksten uit veel bronnen - een prachtige briefwisseling tussen een abt en een edelsmid, een mooie tekst van Suger, de stichter van Saint Denis, soms bijna aforistische uitspraken van geleerden - vele groten uit het vak hebben dit boek ondersteund - en natuurlijk de mooiste citaten uit de behandelde werken, wanneer regels stemmen worden, stemmen op schrift .

Dat dit eerste deel in enkele opzichten ook een boek- en bibliotheekgeschiedenis is, zal duidelijk zijn. Holland komt in het verhaal nog niet voor, behalve aan het begin, wanneer de kloosterbibliotheek van Egmond wordt beschreven, een klein Jeruzalem van alfabetisering in het zeer lage land. (En dan komt Egmond nog uit Vlaanderen, uit de Sint Baafsabdij in Gent.)

Bij de heiligenlevens neemt het leven van de heilige Alexius een belangrijke plaats in. Het is jammer dat Van Oostrom deze Romeinse vluchteling voor het huwelijk in Syrië laat zwerven en sterven. Hij keerde echter terug naar Rome en leefde zeventien jaar, niet herkend, onder de trap van het ouderlijk huis. (Een mooi symbolisch verhaal voor de vroegere plaats van het oudnederlands.) Men kan de trap nog bewonderen en vereren in de naar de heilige genoemde kerk in Rome.

Overigens: Gregorius de Grote heeft niet als secluse in Constantinopel geleefd, hij was daar pauselijk nuntius. Zijn klooster was het Romeinse Andreasklooster. Eusebius van Caesarea is geen kerkvader. Evenmin is Johannes Cassianus een woestijnvader. En Bernardus werd na twee jaar kloosterleven niet abt van Cîteaux, maar van Clairvaux. En om met de grootmeester der nauwkeurigheid te besluiten: L.C. Michels was in Nijmegen niet hoogleraar oudere letterkunde, maar hoogleraar taalkunde. In 1973 was hij overigens al jaren emeritus, weg van zijn levensgebied, de vierkante centimeter.

Met dit deel zijn we aan het jaar 1300. Enkele nooit meer gehaalde toppen zijn al bereikt. Dat mogen we een literair wonder noemen.

Frits van Oostrom: Stemmen op schrift - Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300 Bert Bakker 640 pagina's euro 35,- ISBN 90 351 2944 X

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden