Opzettelijk ondeftig

Het ogenschijnlijk onbekommerde leven van dichter/performer C. Buddingh' is genuanceerd neergezet.

Een stem om niet te vergeten, heette de hommage die een jaar na zijn overlijden verscheen bij De Bezige Bij. En zo was het: de dichter C. Buddingh' (1918-1985), schepper van de Nederlandse evergreens De blauwbilgorgel en Pluk de dag, had een onvergetelijk stemgeluid. Voor de een klonk het 'plechtig verongelijkt', voor de ander 'droog en amusant' en weer een derde vond het 'extreem monotoon'. Gecombineerd met de opzettelijk ondeftige toon van zijn poëzie werkte Buddingh's flegmatieke voordracht bedoeld of onbedoeld op de lachspieren.

Performer

Cornelis Buddingh' (roepnaam Kees) debuteerde in 1941 met de traditioneel romantische bundel Het geïrriteerde lied en verwierf daarna faam met de nonsensverzen in zijn Gorgelrijmen, maar de echte doorbraak volgde pas later, toen de tv-makers zijn droogkomische talent als performer ontdekten. In een registratie van de manifestatie Poëzie in Carré, maart 1966, horen en zien tv-kijkers hoe de dan 48-jarige dichter met slepende stem zijn beroemd geworden Pluk de dag voordraagt, over 'een middelgroot potje marmite', waarvan het deksel wonderlijk genoeg ook blijkt te passen op een 'klein potje heinz sandwich spread'.

De lachsalvo's in Carré markeren een belangrijk moment in de Nederlandse poëzie: de erkenning dat poëzie zich niet per se diep en duister hoeft voor te doen, maar ook licht en geestig kan zijn. En ook het inzicht, naar Buddingh's adagium, dat wie goed kijkt juist in het gewone genoeg mysterie vindt. Zijn nationale faam vergroot Buddingh' daarna als stoïcijnse presentator van het humoristische tv-programma Poets, dat draait om met de verborgen camera opgenomen scènes.

'Sinds Buddingh'', dicht Remco Campert niet lang nadien, 'verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen.' Het blijkt een ontwikkeling die Buddingh' zelf uiteindelijk ook niet bevalt. Dat zijn 'poëzie van het alledaagse' erkenning vindt, doet hem goed, maar het gretige geschater ervaart hij als een ontkenning van de melancholieke ondertonen in zijn werk. En een Bekende Nederlander wil hij al helemaal niet zijn - zeker niet op basis van iets anders dan zijn gedichten.

Paradox

Om deze wringende paradox in Buddingh's literaire leven draait Dichter bij Dordt, de biografie die Wim Huijser aan de schrijver wijdde. Het is een imposante turf, waarin niets uit Kees Buddingh's leven en werk lijkt te ontbreken. Huijser publiceerde eerder over deelaspecten van Buddingh's werk (de verknochtheid aan zijn geboortestad Dordrecht, zijn anglofilie) en heeft nu alle vondsten en inzichten tot een ruim vierhonderd pagina's beslaand levensverhaal gecomponeerd.

Een terugkerend motief is dat de populaire schrijver altijd een fenomeen naast en tussen de hoofdstromingen is geweest. Hij bewondert zijn generatiegenoot Lucebert en de Vijftigers, zonder er zelf bij te horen. In de jaren zestig wordt hij omarmd door de rebellen van Gard Sivik en De Nieuwe Stijl, die net als hij het alledaagse de poëzie inloodsen ('de beste gedichten schrijft men al aardappels schillend'), maar zich later toch van hem distantiëren.

'Nooit hoor ik er helemaal bij', noteert hij in 1965, maar ook: 'daaruit put ik mijn kracht.'

Die kon hij gebruiken toen de kritieken minder welwillend werden. In 1970 was Buddingh' begonnen met het publiceren van zijn dagboeken, vol behaaglijke notities over zijn geliefde Stientje, hun zoons Sacha en Wiebe en de al even geliefde kater Victor ('every inch a gentleman'), afgewisseld met ditjes en datjes over schrijvers en boeken.

Kritiek op het huiselijke karakter van zijn aantekeningen pareerde Buddingh' met een citaat van Von Hofmannsthal ('Die Tiefe muss man verstecken - wo? An der Oberfläche'). Ook adviseerde hij zijn dagboeken te lezen als een 'satire op al het gezucht en gesteun en geweeklaag van deze tijd'. Maar tegen de botte bijl van W.F. Hermans bleken die strategieën niet opgewassen.

Vernietigende kritiek

Onder de kop 'Bijzonder aardig; prima, prima' publiceerde Hermans in 1978 een vernietigende kritiek in NRC Handelsblad op Buddingh's dagboek Een mooie tijd om later te worden. Dat die denigrerende recensie een funest effect had op Buddingh's zelfvertrouwen was al wel bekend, maar Huijser laat zien dat de schrijver in dezelfde periode meer te verstouwen kreeg. Ab Visser hekelde Buddingh's 'trivialiteiten', het Leidsch Dagblad noemde hem 'primair een burgertrut' en Willem Oltmans nam de moeite hem persoonlijk te schrijven uit New York: 'Hoe krijgt U het in Godsnaam voor elkaar zoveel conneries [geleuter] bijeen te schuiven.'

Tegen die op de man gespeelde kritiek was Buddingh', toch al geen man van de polemiek, niet bestand. De dichter die met een brok in de keel terugdacht aan zijn liefste jeugdboek, De dood van Winnetou van 'Karel Mee', stopte niet uit gebrek aan diepgang zo veel welbehagen in zijn teksten, maar eerder - onbewust - om de depressies en angsten die hem belaagden het hoofd te bieden.

Huijser maakt aannemelijk dat de eenzame jaren die Buddingh' vanaf 1942 als tbc-lijder sleet in sanatorium Zonnegloren hem voor het leven tekenden. In zijn laatste jaren manifesteerde zich een 'sanatoriumsyndroom', waarin de doorstane angsten met dubbele kracht terugkeerden. Ze inspireerden hem tot het parlando getoonzette In memoriam Beertje van M., opgedragen aan een lotgenoot die het niet redde in Zonnegloren.

Dichter bij Dordt is een boeiende, genuanceerde biografie, met één manco. Met wat meer terughoudendheid in de biografische details (menig griepje wordt gememoreerd) was het drama in dit ogenschijnlijk onbekommerde dichtersleven sterker uit de verf gekomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.