Opstaan en naar bed gaan met Simon Vestdijk

Schrijver Peter Buwalda logeert in het huis van Simon Vestdijk. Een buitenkans. Gezeten achter Vestdijks bureau klapt hij zijn laptop open. Klaar voor de historische sensatie.

Peter Buwalda op de zolder van Simon Vestdijk en Mieke Vestdijk-Van der Hoeven. Beeld Renate Beense

Wat gaan we vandaag doen? We gaan slapen in de werkkamer van Simon Vestdijk. Het moet er maar eens van komen. De uitnodiging staat al sinds de herfst van 2012, toen Mieke Vestdijk-Van der Hoeven me tijdens een bijeenkomst in de Grote Kerk van Harlingen vroeg of ik zin had om te logeren in Doorn.

'Best', zei ik.

'Dan mag je slapen in Simons werkkamer.'

'Klinkt goed.'

'Hoor ik van je?'

Jarenlang niks. Wat eigenlijk vreemd is, want het aanbod van de weduwe Vestdijk klonk niet alleen goed, het was een buitenkans, dat begreep ik heus wel. Maar ik ben laks in sociale dingetjes. Dus schreef ik er, veels te laat, een column over, in de stiekeme hoop nog iets te kunnen forceren.

En kijk, Dick Vestdijk aan de chat. Helaas was zijn moeder opgenomen in een verzorgingshuis, wegens gevorderde dementie. De Torenlaan 4 ging volgende maand in de verkoop. Maar ik was nog steeds welkom.

Erop af, Oblomov.

Toen Mieke Vestdijk-Van der Hoeven, de weduwe van Simon Vestdijk Peter Buwalda een slaapplek aanbood in de oude werkkamer van haar man, dacht hij niet dat het er ooit van zou komen. Lees het in deze column.

Voor mij, moet u weten, is Simon Vestdijk een mythische figuur. Hij is de schrijver die me greep toen ik op een drafje de literatuur probeerde te ontginnen. Als 18-jarige plattelandsjongen was ik na zes weken natuurkundestudie zomaar overgestapt naar Nederlands, waar ik me omsingeld wist door coltruien en tweedjasjes die met uitgestreken smoelen Van Ostaijen en Faverey konden opdreunen.

Wie?

'Ik zoek Het noodlot van Couperus, ik ben even kwijt wie het geschreven heeft.' Dat was ik, bij De Slegte, en wel tegen de nurkse filiaalchef, een vent voor wie ik sowieso een beetje bang was. Beschaamd vluchtte ik de kelder in en stuitte op een muur van Vestdijk. De helft van de Verzamelde Romans werd opgeruimd. Uren later rekende ik bij diezelfde chagrijn de delen 1, 4, 6, 12, 18, 26, 33, 40, 42 en 47 af, koortsig, maar verbeten.

Thuis, op mijn kamer in Overvecht, las ik de maanden erna al die Vestdijks, te beginnen met Kind tussen vier vrouwen (1), dat ik prachtig vond, en expres mee naar college zeulde, voor op de hoek van mijn tafeltje. Hetzelfde deed ik met Else Böhler (4) en erna met De nadagen van Pilatus (6), De andere school (12), en zo verder. Mijn walnoot was jong en fris. Snel raakte het ding volkomen doordrenkt van Vestdijks kleurrijke, gepsychologiseerde, archaïsche wereld. De walnoot hield van die wereld, meer dan van mijn nieuwe studentenstad.

Simon Vestdijk. Beeld ANP

Dick

Een kwarteeuw later zit ik in Vestdijks leunstoel. Ik kijk uit over zijn tuinpad, waarop de ongepubliceerde Maarten 't Hart zich wel eens waagde, vertelt Dick Vestdijk.

'Ah', zeg ik, 'de gezel op visite bij zijn meester. Jij bent een nazaat van je vader, maar Maarten 't Hart ook.'

'O ja?', zegt de zoon. 'Ik ken zijn boeken niet. Ben er wel eens in begonnen, maar na een paar bladzijden dacht ik, nee, dit is niks voor mij.'

Dick heeft me opgepikt van Driebergen-Zeist. Bij aankomst gaf hij me een kalme rondleiding door zijn ouderlijk huis, een vrijstaande jarendertigwoning met erkers, een koele vestibule, drie slaapkamers en een enorme houten zolder. De woonkamer en suite is sober ingericht, er hangen olieverfschilderijen, het meubilair is streng en afgemeten.

'Erg veel is er niet veranderd sinds Simon overleden is', zegt Dick, die Chinees gaat halen in het dorp. De gelijkenis met zijn vader is treffend. Tenminste, met bepaalde foto's uit de Forumtijd, toen Vestdijk nog matties was met Ter Braak en Du Perron.

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Beeld Renate Beense

We eten in de tuin, aan de rand van een vijvertje met kikkers en muggen, veel muggen. Doorn is een voornaam dorp, lommerrijk, de Duitse keizer leefde er in ballingschap. De huizen zijn groot en dragen tevreden namen.

'Zal ík het kopen?' vraag ik.

'Dat is bespreekbaar', zegt Dick.

En haalbaar, besef ik. Ik wil weg uit Amsterdam-Noord, waar ik woon in een huis dat te groot is, en te leeg. Te koop zetten, bod uitbrengen bij junior, en je zult zien: vóór de kerst woon ik in het huis van Simon Vestdijk.

'Grappig plan', druk ik me zacht uit. Het plan is absurd, volslagen absurd. Maar aanlokkelijk. Bedwelmend zelfs. Mijn intrek nemen in het huis van de Doornse kluizenaar? Juist in dit huis gaan zitten schrijven aan romans?

Dick wast de borden af en vertrekt.

Mijn mogelijke nieuwe huis neemt ogenblikkelijk zijn ware, imponerende gedaante aan. Ik sta minuten lang bewegingloos in de woonkamer, kijkend naar de wanden die Simon Vestdijks stem hebben weerkaatst. De duisternis valt. Naast de eettafel staat een kast met erin de complete Verzamelde Romans, 52 stuks, er vanzelfsprekend ingezet ná zijn dood, door Mieke, lijkt me.

Ik zet drie stappen, pak nummer 23, De dokter en het lichte meisje, de eerste die Vestdijk hier schreef. Doorn, najaar 1950, noteerde hij toen hij klaar was. Hardop lees ik de openingsalinea's. Ze zijn goed, gelukkig.

Dubbele emoties

Ik moest maar eens aan het werk. Met mijn laptop onder de arm loop ik door de vestibule naar de trap, als een dief die dure spullen komt achterlaten. Boven betreed ik Vestdijks werkkamer, gedegradeerd tot logeerkamer, een vierkant vertrek waarin boekenkasten staan met al zijn werk, de poëzie, de essays, de romans in alle verschillende drukken, de vertalingen.

Ik kijk ernaar. Dit titanische oeuvre, zo bijeen, roept dubbele emoties op. Bewondering, dat eerst, maar al snel zak ik weg in heimwee naar de jaren dat Vestdijk van levensbelang was, dat ik hem manisch las. Dan komt er droefheid. De achilleshiel van de literatuur is: moeite. Een Mondriaan, daar ga je gewoon voor staan. Mahler zet je op, ondertussen schilder je het kastje van oma. Vestdijk vergt concentratie, tijd, afzondering. Wie gaat dat varkentje nog wassen?

Er is een bekende foto, vertelde Dick, waarop zijn vader aan zijn bureau voor deze kast zit, tikkend op zijn Remington. Helaas staat dat bureau niet meer hier. Mieke heeft het na Vestdijks dood naar zolder laten tillen, waar zij een kleine uitgeverij dreef.

Een dilemma dient zich aan. Of ik ga zitten aan een nepbureau in de échte werkkamer, of ik ga zitten aan het échte bureau, maar dan op Miekes zolder.

Tja.

Wat ook nog kan, bedenk ik, is het loodzware ding met zijn ballonpoten de steile zoldertrap aftillen en dan heel hard naar beneden lazeren, door het plafond heen, als een meteoor de woonkamer in - 'Dick? Ja, hallo, je spreekt met Peter Buwalda. Zeg, weet je wat, ik neem het huis gewoon, joh.'

De zolder wint. Vestdijks bureau fungeert als een klein museum, heeft Dick me verzekerd. Wat op het donkere blad staat uitgestald, stamt uit zijn vaders tijd, de stenencollectie, de paperassenhouder, de brievenweger. Ik vind een papier waarop Vestdijk romantitels heeft genoteerd, allemaal wereldliteratuur, een leeslijst, denk ik, sommige zijn doorgehaald, andere niet.

De koop

Meejatten? In het Letterkundig Museum liggen 52 manuscripten, ze moeten niet zeiken. Eén briefje! Waarom niet, eigenlijk?

Omdat mijn moeder me zo niet heeft opgevoed - daarom niet, eigenlijk.

Klaar voor de historische sensatie klap ik mijn laptop open, vast van plan om urenlang te schrijven, de zeiltjes bol van Vestdijks adem, ik kan zijn ijltempo wel gebruiken voor een nacht.

Helaas. Het wil niet vlotten, mijn gedachten drijven af naar de koop, eerst oppervlakkig, is Doorn bestand tegen luide muziek, bijvoorbeeld. En of er een beetje knappe bussen naar Amsterdam rijden. En de muggen, kunnen die ausradiert werden? Waar moeten mijn boeken staan? Over boeken gesproken, hoeveel zal ik er nog kunnen schrijven, voor ze me in een kist naar buiten dragen?

Maar dan, wanneer de nacht valt, boren we diepere lagen aan. Ik vraag me ineens af of het wel een heilzaam plan is, mijn intrek nemen in het huis van de man die sneller schreef dan God kon lezen. Het is ook de goden verzoeken, natuurlijk. Vestdijk schreef De vuuraanbidders, zijn dikste roman, in zes maanden tijd. Kan ik het aan, een huis waarin zo hard gejakkerd werd? Zoveel románs?

Ik sta op, stommel de trap af. Vestdijks slaapkamer, de master bedroom: op slot. Blauwbaards kamertje, hier lag hij soms maandenlang met de gordijnen dicht, nauwelijks in staat te praten. Zijn depressies liggen opgeslagen in de klink die ijskoud in mijn hand rust. Twaalf elektroshocks kreeg Vestdijk in 1954, waarna hij drie weken z'n eigen plee niet kon vinden. Armando schiet me te binnen, diens schuldige landschappen, bomen en struiken die onbewogen de wandaden van de mens hebben gezien, het afranselen, het moorden, is het nog wel pluis in de bossen, vroeg Armando.

Is het híer wel pluis, mompel ik. Kan ik überhaupt schrijven in dit huis, zal ik mijn eigen trage tempo kunnen verdragen, tussen muren die twintig jaar een medium hebben aanschouwd? Ruimtes gewend aan Hercules. Opstaan en naar bed gaan met S. Vestdijk, 'muur van de geest waar die van de Chinezen/ te kort bij schiet', aldus Adriaan Roland Holst, Jany voor Simon, die ooit doodziek op bed lag, toen de dichterprins deze deur openduwde, en vroeg: 'Hoe is dat nou, zo'n depressie?'

'Niet leuk!' antwoordde Vestdijk.

Denk het ook niet.

Is dat uiteindelijk niet het meest geestige verhaal, overweeg ik om vier uur 's nachts. De veelbelovende debutant Peter Buwalda, die nooit meer een boek publiceerde nadat hij was gaan wonen in het huis van Simon Vestdijk?

Nog net niet vergeten

Jarenlang gold Simon Vestdijk als de Nederlandse Nobelprijskandidaat. Nu moet de liefhebber voor een groot deel van zijn werk naar het antiquariaat.

Een onontkoombaar hooggebergte in de Nederlandse letteren, en een baken voor scholieren, studenten en vrijetijdslezers, was het oeuvre van Simon Vestdijk (1898-1971) tijdens diens leven. Jarenlang gold de auteur van 52 romans, waaronder klassiekers als De koperen tuin, Pastorale 43, Ivoren wachters en Terug tot Ina Damman, van essaybundels over poëzie en Gustav Mahler, en van een imponerend aantal dichtbundels, als de Nederlandse Nobelprijskandidaat.

Na zijn dood kelderde zijn reputatie niettemin snel, al probeerden Kees Fens, Hella Haasse, Maarten 't Hart en Hugo Brandt Corstius met kritieken en essays, Wim Hazeu met zijn Vestdijk-biografie (2005), weduwe Mieke Vestdijk-Van der Hoeven met heruitgaven in eigen beheer, en de Vestdijk-kring (sinds 1972) met haar eigen Vestdijk-kroniek (dit jaar nummer 126) de belangstelling levend te houden. Maar de generaties die niet met het werk zijn grootgebracht, willen er niet meer aan. Heden ten dage wankelt Vestdijk op de rand der vergetelheid.

Bij De Bezige Bij zijn vijf titels leverbaar, plus een cassette met vijf romans. De liefhebber dient te rade te gaan bij antiquariaten. Vorige week verscheen bij Prominent zowaar een nieuwe Vestdijk: een keuze uit 700 ongebundelde essays: Gepassioneerd wikken en wegen. De kluizenaar die sinds 1950 aan de Torenlaan 4 in Doorn woonde, schreef in hevige explosies, die dikwijls gevolgd werden door langdurige depressies. Waarom vertoont u zich zo weinig in het openbaar, vroeg de scholiere Vera de Vries (de latere Xaviera Hollander) hem eind jaren vijftig voor een schoolkrant. 'Omdat ik een schrijver ben en geen vertoner.'

Houdt u dan niet van de mensen?

'Neen.'

Maar u schrijft toch voor ze.

'Neen, ik schrijf over ze.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden