Opmars van de 'ik' in kunstbesprekingen

Beschouwing

In kunstbesprekingen is de 'ik' aan een onstuitbare opmars bezig. Sacha Bronwasser ontleedt de trend aan de hand van twee bijzondere publicaties.

Wanneer Cees Nooteboom over kunst schrijft - een tentoonstelling van Giorgio de Chirico in München bijvoorbeeld - neemt hij mij eerst mee de straat op. In München is het koud, de mensen zijn 'van onder tot boven in dier gekleed' en de 'met zwaarden bewapende vrouwen op de monumenten nemen monsterlijke proporties aan'. Het is zondagochtend, 'alles is dus nog erger'. Alles - de koffiehuizen waar men al aan het bier zit, een lege verhoging voor een orkest, de menukaart die Nooteboom getrouw voor ons overschrijft - helpt mee om in de stemming te komen voor De Chirico, schilder van vreeswekkend lege pleinen en schaduwen als zwaarden. 'Er is dus al het een en ander met me gebeurd als ik in het Haus der Kunst naar binnen ga.'

Retorische pirouette

Dat was in 1983. In Wat het oog je vertelt, een prachtig uitgegeven bundeling van Nootebooms teksten van de afgelopen 35 jaar over kunst, maakt hij deze retorische pirouette vaker. Wat er met hem gebeurt, overkomt ook de lezer. Die moet eerst een klein beetje Nooteboom wórden om als Nooteboom te kunnen kijken. Kunst kijken wordt een heel persoonlijke aangelegenheid, en het is bijzonder dat hij dat al zo vroeg en zo openlijk tentoonspreidde.

Want de 'ik' is in kunstbesprekingen nog niet zo heel lang aan een opmars bezig. Het 'ik-tikken' (zo genoemd door eindredacteuren die het tot begin deze eeuw verboden, behalve voor Cees Nooteboom) kwam na 2000 op kousenvoeten kunstbesprekingen in geslopen.

Was het de nieuwe eeuw? Het Nieuwe Narcisme? De informele blogstijl? Wat zou het; ook ik tikte eens 'ik', ik weet nog precies wanneer (het was op 3 april 2003 en het ging over Ron Mueck). En nog een keer, en - spaarzaam, dat wel - nog eens. En merkte hoe prettig het was om me niet meer als een mediagetrainde voetballer achter 'je' te verschuilen of helemaal onzichtbaar boven de kunst te hangen.

Foto's uit het archief van Hanne Hagenaars. Afbeeldingen uit Hagenaars' Geen Wolk.

'Kijkersaandeel'

Wieteke van Zeil, die voor de Volkskrant kunstdetails bespreekt en daarin zichzelf effectief inzet ('Er zat me bij bloemstillevens heel lang iets in de weg: echte bloemen zijn mooier'), haalt in haar boek Dichterbij - kunst in details (2015) de 'beholder's share' van de cultuurhistoricus Ernst Gombrich aan: elk mens en elke generatie neemt zijn 'kijkersaandeel' mee. Dus - al bedoelde Gombrich dat wellicht niet - ook de kunstschrijver, hoe objectief die ook probeerde te klinken. Dan maar beter hardop.

Boeken die nu over kunst verschijnen zijn zonder uitzondering persoonlijk van toon. Sandra Smallenburg (NRC Handelsblad) ging voor Expeditie Land Art (2015) op bedevaart langs landschapskunst in Amerika, Engeland en Nederland. Behalve de geschiedenis van die verstopte, overwoekerde of alweer van de kaart verdwenen werken van Donald Judd en Richard Serra c.s. beschreef ze ook haar ontoereikende gympies, gps-perikelen en stofwolken achter de auto. Dat werkte: het hielp om de afstand en de inzet die het vergde om die werken te bereiken te voelen.

Joost Zwagerman dan - wie las zijn laatste bundel kunstbesprekingen De stilte van het licht niet als één groot zelfportret? En eind september verschijnt Doorkijken - kunst voor het dagelijks leven van Volkskrant-collega Merel Bem, waarin kunst en 'ik' nog dichter naar elkaar opschuiven. Wanneer kruisen kunst en leven, vraagt zij zich daarin af. Wat heb je eraan, op dagelijkse basis? Dichterbij kan het misschien niet komen.

Juliette Blightman: Always there is a desire that impels and a convention that restrains, 2013-2014.

Demonen uitdrijven

Of toch. Want onlangs verscheen Geen Wolk - Hoe kunst mijn leven redde van Hanne Hagenaars. Deze kunsthistoricus, curator en oprichter van Mister Motley (ooit een kunstblad voor scholieren, nu een zeer actief onlineplatform) heeft een boek geschreven waarin kunst dient om haar demonen uit te drijven. Terloops, in korte hoofdstukken - anekdote, een gesprek, een herinnering, een gevonden foto - ontvouwt zich een somber beeld: een getraumatiseerde vader, een jong gestorven moeder, een zus ook al op het doodsbed, 'het restje familie spat uit elkaar'. Het ergste komt nog: een niet levensvatbaar kind, een meisje dat direct na de bevalling, ongezien, verdwijnt. Het schuldgevoel daarover, pas laat in het boek, kleurt alles wat je daarvoor hebt gelezen. Hoe houdt een mens dan het hoofd omhoog? De ogen open? Wat heeft dan in vredesnaam de kunst te bieden?

Het antwoord zit in de omgang met kunst van Hagenaars. Die is intensief. Ongefilterd. Een van de mooiste hoofdstukken gaat over een parel. De auteur koopt hem op een kunstveiling, 'een glanzende ronde parel die de kunstenaar in mijn huis gaat verstoppen'. Een intrigerend werkje en Hagenaars is kunsthistoricus genoeg om een paar verwijzingen (Yves Klein met zijn lege ruimtes, Tom Friedmans lege A4'tje getiteld 1000 Hours of Staring) te doen naar kunstwerken waarbij het werk zonder geloof erin uit elkaar dwarrelt. Maar dan breekt het moment aan dat de kunstenaar (Daniël Dennis de Wit) de parel komt verstoppen.

Dapper boek

Met de parel rol ik het huis van Hagenaars binnen, zit aan haar tafel, drink haar thee, twijfel aan de eerlijkheid van de verstopper. En dan blijkt het verborgene een groots effect te hebben. 'Ik weet dat hij er is. Soms als ik de sleutel in het slot steek begint de parel al te fonkelen.' Hagenaars besluit dat haar slonzige huis geen waardige omgeving voor het onzichtbare werkje is en roept de hulp in van haar ordelijke zoon om de bezem erdoor te halen. Acht vuilniszakken gaan eruit, tot het huis een oester is geworden.

Geen Wolk is een dapper boek. Het bespreekt kunst die buiten de kaders valt: de kunstenaars zijn niet al te bekend, de kunstwerken niet altijd aantrekkelijk, een groot deel van de beelden komt uit een schemergebied van privé-beelden, gevonden en mislukte foto's. Het overstijgt de kunst, het gaat over kijken, kijken als redding.

Onvermoeibaar zet Hagenaars zichzelf ertoe om te kijken naar tekeningen die haar eigenlijk afschrikken, zoals die van Robbie Cornelissen, of trekt je gulzig mee in een boek over paddestoelen, 'die heerlijk sponzige wezens, zo aards en wellustig'. De noodzaak wordt duidelijk: er mag niets meer aan de aandacht ontsnappen. De kunst biedt geen oplossing, het is geen medicijn en geen therapie. Maar toont wel alternatieven, verbanden en ja: ook troost. Doordat Hagenaars haar ongefilterde 'ik' met verve opvoert, voelt de lezer ook wat het kijken allemaal kan sturen. Er is vaak al het een en ander met ons gebeurd voordat we een kunstwerk ontmoeten. Doen alsof dat niet zo is, is doen alsof je blind bent.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.