Op zoek naar Van Goghs Parijs

Wat bekoorde schilders toch zo in de lichtstad?

De Parijse jaren van Vincent van Gogh waren een tussenstation op weg naar het zuiden. Maar van groot belang: hij ontdekte er het wonder van licht en kleur. V treedt in zijn voetsporen en probeert te zien wat schilders in de lichtstad zo bekoorde.

Vincent van Gogh, Boulevard de Clichy, Parijs, 1887, olieverf op doek Beeld Van Gogh Museum Amsterdam

Winter in Parijs. De bomen zijn kaal. De lucht heeft de kleur van zure melk, een grauwe, ziekige kleur, en onder die grauwe lucht, op de hoek van de Boulevard de Clichy en de Rue Lepic staat een schriele, roodharige figuur achter een schildersezel. Het is Vincent van Gogh, Monsieur Vincent voor de Fransen, 'die zot' voor zijn Franse klasgenoten, wiens blik heen en weer schiet tussen boulevard - het hoekpand met de balkons, de aanplakzuil - en het doek voor hem. Kijken, schilderen, kijken, schilderen, kijken, langer kijken. Hij mompelt iets in zichzelf, pakt zijn spullen bijeen en wandelt naar zijn huis in de Rue Lepic, richting Montmartre.

Ah, Montmartre: wijk van de buvettes en cabarets: de Chat Noir, de Moulin de la Galette en de Moulin Rouge. Montmartre - waar de commune zich verschanste, de drank er het goedkoopste in de stad was, en Cora Pearl, minnares van de duc de Morny, halfbroer van Napoleon III, zichzelf tijdens een van haar all male-eetfeestjes naakt op een zilveren dienblad aan haar gasten liet presenteren - bon appétit. Dit Montmartre was een kunstenaarswijk in de laatste decennia van de 19de en eerste van de 20ste eeuw: er woonden meer schilders dan bakkers. De Fransman Pierre-Auguste Renoir, bijvoorbeeld. De Japanner Leonard Foujita, die beroemd werd met zijn kattenschilderijen en populair bij collega-schilders en modellen omdat hij de eerste kunstenaar in de wijk was met een heus ligbad. En de Hollander Vincent van Gogh dus. Die een appartement deelde met broertje Theo, kunsthandelaar bij de firma Goupil & Cie.

Vincent arriveerde in februari 1886 in Parijs. Hij had de geldzorgen en de ruzies uit de Antwerpse maanden achter zich gelaten en was vol goede moed. 'De Franse lucht houdt de geest helder en doet je goed, oneindig veel goed', schreef hij een kennis, en korte tijd ging het hem daadwerkelijk voor de wind. Totdat nieuwe conflicten zich aandienden: met studiegenoten op het atelier van zijn leermeester, de Franse schilder Cormon; met zijn minnares, de Italiaanse café-uitbater Agostina Segatori; met broer Theo. De irritaties waren van huishoudelijke aard. Vincent bleek allesbehalve een voorbeeldige logé. Hij veegde zijn kwasten af aan Theo's sokken en zocht ruzie met diens bezoek. 'Hij had de eigenaardige gewoonte om als hij eenmaal op gang was gekomen hele tirades af te steken in het Nederlands, Engels en Frans', herinnerde de Schotse schilder Archibald Hartrick zich Van Gogh later, 'om je dan sissend tussen zijn tanden nog een blik over zijn schouder toe te werpen. Hij maakte een behoorlijk gestoorde indruk als hij zich zo opwond.' Voor Theo moet het soms hebben gevoeld alsof hij hokte met een wilde kat. Toen Vincent in februari 1888 zuidwaarts trok, zal hij waarschijnlijk opgelucht zijn geweest.

Nederlanders in Parijs 1789-1914
Van Gogh Museum, Amsterdam
13/10 t/m 7/1

1 op de 10 uit de polder

De expositie Nederlanders in Parijs 1789-1914 toont de aanwezigheid van Nederlandse kunstenaars in de Franse hoofdstad aan de hand van acht hoofdstukken (het negende, over Jacob Maris opent over twee weken in de Mesdag Collectie in Den Haag), en omspant zo'n 130 jaar Frans-Nederlandse artistieke betrekkingen. In die periode reisden minimaal 1.136 Nederlanders naar Parijs. Op een totaal van 13.908 gedocumenteerde kunstenaars maakt het dat één op de tien Nederlandse kunstenaars voor enige tijd in het epicentrum van de kunsten verbleef.

Evengoed waren het geen verloren jaren op Montmartre. Van Gogh sloot vriendschappen, zoals met de schilders Émile Bernard, Henri de Toulouse-Lautrec en Paul Signac, en met verfhandelaar en kunstverzamelaar Julien 'Père' Tanguy, en maakte grote stappen in zijn kunst. Opgezweept door de impressionisten, die hem eerst tegenvielen ('slordig, leelijk, slecht geschilderd, slecht geteekend, slecht van kleur, al wat miserabel is'), maar die hij gaandeweg toch begon te waarderen, en door de post-impressionisten, maakte de stemmige, pasteuze, uit bruinen en grijzen opgebouwde Aardappeleters-stijl uit zijn Brabantse jaren plaats voor iets vrolijkers. Van Gogh verliet Parijs weliswaar 'bedroefd, half ziek, en bijna aan de drank'; zijn werk had wél kleur op de wangen gekregen.

Het eigenaardige is: de schilderijen uit die periode wekken niet de indruk te zijn vervaardigd in een jachtige metropool - integendeel. Ze ogen landelijk, op het pastorale af. Het was de noordelijke, deels onbebouwde, door moestuinen, molens en krottige huisjes gekenmerkte kant van de Butte Montmartre waartoe Van Gogh zich kennelijk het meest aangetrokken voelde en die hij dus het liefst schilderde.

Je kon Vincent wel uit Brabant halen, maar Brabant uit Vincent verwijderen bleek moeilijker, en zijn Parijse periode telt slechts een handvol daadwerkelijke stadsgezichten. Van een daarvan, gemaakt op die bewolkte dag op de Boulevard de Clichy, bezocht ik de locatie.

Dergelijke kunstpelgrimages, weet men uit ervaring, zijn niet zelden ontnuchterend. De reis erheen, het zoeken naar de bewuste plek, is vaak leuker dan de plek zelf: na een vlucht, een autorit, een wandeling en een klimpartij over een hek, sta je op de brug die Turner weergaf op zijn beroemde schilderij Rain, Steam and Speed (1844) en dan blijkt die brug... een brug als elke andere. 'Door alles te ontdekken wat er te weten valt over een kunstwerk, wordt datgeen dat niet te weten valt nog meer geëerd', schrijft fotograaf en romanschrijver Teju Cole in zijn essaybundel Known and Strange Things (naar aanleiding van een foto van de Zwitserse fotograaf René Burri), en terecht: kunstpelgrimages ondernemen we niet om het raadsel van het kunstwerk op te lossen, maar om het te vergroten, het te eren. Ook in het geval van Van Gogh, ook bij Boulevard de Clichy.

Vincent van Gogh, Boulevard de Clichy, Parijs, 1887, olieverf op doek Beeld Van Gogh Museum Amsterdam
Dezelfde plek, de Boulevard de Clichy vanaf de Rue Blanche in Parijs, nu. Beeld Alex Cretey Systermans

Nu is het allesbehalve origineel, zo'n Van Goghbedevaart. Op de bedevaartenranglijst wordt ze waarschijnlijk enkel voorgegaan door Lourdes en het zebrapad op Abbey Road van The Beatles. Het is een bedevaart gefaciliteerd door Van Goghroutes, Van Goghkaarten, Van Goghplaquettes en Van Goghfotoborden met Van Goghschilderijen, een kunsthistorisch olifantenpaadje, uitgesleten door de schoenen van miljoenen fanboys (en de rode Volvo van Jeroen Krabbé). Maar hé: een plek is zo boeiend als de persoon die ernaar staat te kijken.

En dus daalde ik op een zaterdag in september de trappen van Montmartre af, richting Boulevard de Clichy.

Het was een prachtige dag. De Parijzenaren warmden zich in de najaarszon. De zon rekte hun schaduwen uit tot Giacomettisculpturen. Ik passeerde Adolf Loos' villa voor dadaïst Tristan Tzara, zag het appartement in de Rue Lepic waar Theo en Vincent op de vierde verdieping woonden en ook het uitzicht dat Vincent vanuit het raam van die woning vereeuwigde, en dat maakte de dag er enkel mooier op. Het bezoek daarna aan de Boulevard de Clichy voegde daar weinig aan toe.

Het is een beetje een ranzige bedoening. Goedkope dönerbars en groezelige kerels die opduiken vanuit portieken en dingen sissen als: 'You like girls, boy? It's good, boy. Come in.'

Onze tolerantie voor ranzigheid, bedacht ik terwijl ik uitspanningen passeerde waarvan de belettering zich beperkte tot de woorden 'lap', 'show' en 'sex', leek toe te nemen naarmate ze ouderwetser oogde; hoe langer geleden, hoe minder ranzig de ranzigheid. Immers: rond die absintslurpers en weinig fijnzinnige attracties als het Cabaret du Néant of de Grand Guignol (waar veertien vrouwen op het toneel de keel werd doorgesneden door een onzichtbare moordenaar) hing toch altijd een zweem van romantiek. Onterecht, wellicht. Wie weet voelden 19de-eeuwers bij het zien van het zoveelste straatlantaarnhoertje dezelfde tristesse als wij bij het aanschouwen van hun hedendaagse zusters. Men wist het niet, moest men wel concluderen. Inmiddels was ik aanbeland op de kruising van Boulevard de Clichy en Rue Blanche, Vincents kruising.

Waarom trokken al die Nederlandse kunstenaars naar Parijs?

Kunstenaars met ambitie stond één doel voor ogen: Parijs. Jonge kerels als Van Gogh, Breitner, Mondriaan en Van Dongen trokken naar de Franse hoofdstad. Waarom eigenlijk?

Ook geen plek waar je graag wilde zijn. Het krioelde er van de mensen die doen wat mensen wereldwijd doen op plekken waarvoor ze ver hebben gereisd, maar waarvan ze eigenlijk geen idee hebben wat ze er moeten: ze namen foto's. Van zichzelf. Van elkaar. Op het luchtrooster. Voor de Moulin Rouge. Ze maakten foto's waarvan je je niet kon voorstellen dat ze voor iets anders konden dienen dan voor een slideshow op een begrafenis - en daarna gingen ze lekker eten bij de Quick.

Vielen in dit volle straatbeeld nog elementen te ontwaren van Van Goghs schilderij? Niet veel. De balkonnen van het gebouw links, het silhouet met de schoorstenen van de blinde gevel rechts - dat was het wel; op de plek waar nu de rode molen van de Moulin Rouge torent, verrees in Vincents tijd een boom vanachter een gevel. Het stukje Boulevard de Clichy dat hij schilderde was een ander land. Wie moeite deed, kon er slechts de contouren nog van ontwaren.

Als locatie om te schilderen leek de plek allesbehalve ideaal. Koetsen, wandelaars, aan afleiding geen gebrek, eind 19de eeuw. Het wekte verbazing dat een prikkelbaar iemand als Vincent hier een schilderij kon voltooien, en toch deed hij dat. In één sessie. Nat in nat. Later, thuis in de Rue Lepic, op vijf minuten van de Boulevard, voegde hij de figuurtjes toe.

Vincent van Gogh, Gezicht vanuit Theo's appartement, 1887 Beeld Van Gogh Museum Amsterdam

Het uiteindelijke resultaat is in het bezit van het Van Gogh Museum in Amsterdam en je loopt er makkelijk aan voorbij. Klein formaat, weinig opzienbarend onderwerp, ingetogen van kleur - nee, een abri of catalogus zal het nooit sieren. Het heeft niet de indringende somberheid van Van Goghs Nuenense stukken, noch de kleurrijke extase van de Arlesiaanse periode, maar belichaamt iets ertussenin.

En precies in die hoedanigheid van tussenstation, van kantelpunt tussen twee extremen, is het interessant. Dat Van Gogh in Parijs de kleur ontdekte is bekend - hier zie je hoe dat begon.

Het begon met een voor Van Gogh ongebruikelijke techniek: peinture à l'essence, ofwel schilderen met sterk verdunde olieverf. Deze verf werd aangebracht in korte, nerveuze streepjes en dat was een gevolg van Van Goghs kennismaking met het pointillisme. Van Gogh was kort daarvoor in de ban geraakt van de stippelstijl (Van Gogh: 'De ontdekking van de stip, al even fataal en onvermijdelijk als die van de microbe'), maar zelf was hij er te ongeduldig voor. Dus stipte hij niet, hij streepte. Ook hier. In grijs, wit, turkoois en complementaire combinaties: paars op geel, groen op rood. Gedempt zinderend - dat lijkt de beste omschrijving voor deze kleuren. Echt zinderend werd het later die zomer, toen Van Gogh landschappen schilderde achter de Moulin de la Galette.

Vincent van Gogh, Gezicht vanuit Vincents atelier, 1886 Beeld Van Gogh Museum Amsterdam

Het Parijse avontuur was voor Van Gogh van korte duur. De 'broeikas van idées' die de stad was, inspireerde Van Gogh, maar holde hem tegelijk uit; wat iedereen had kunnen voorspellen gebeurde: Parijs bleek té intens, té groot, te zeer gevuld met prikkels en verleidingen voor des schilders ontvankelijke geest. Zijn ongezonde levensstijl brak Van Gogh op en in februari 1888, twee jaar na aankomst, trok de schilder zuidwaarts. Weg uit Parijs, op zoek naar nieuwe onderwerpen en 'zachtere lucht'.

Andere landgenoten namen zijn plek in. Sommigen, zoals de in het Bateau-Lavoir gevestigde Kees van Dongen, absorbeerden typisch Parijse thema's (ballerina's, verlichte danslokalen) om ze later in het vaderland te introduceren; anderen sloegen hun vleugels uit en gebruikten Parijs als springplank naar een internationale schilderscarrière. Piet Mondriaan bijvoorbeeld, die naar Parijs was gekomen om Picasso en Braque te zien (het werk, niet de mannen zelf, uitdrukkelijk niet de mannen zelf), belandde in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog in de lichtstad en maakte daar de definitieve sprong richting totale abstractie. Dat was rond 1914.

De Van Goghcultus was toen al lang begonnen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.