Op zoek naar de ware mens

T OEN JEAN-JACQUES Rousseau de vijftig was gepasseerd en kon terugkijken op wat je een bewogen leven moet noemen, besloot hij zijn autobiografie te schrijven....

MICHAEL ZEEMAN

Hij kende het milieu van landlopers en dagloners even goed als dat van boeren en ambachtslieden, en hij had zowel aan wereldlijke als aan kerkelijke hoven vertoefd. Hij had vrouwen bemind en verlaten, een boom geplant en een zoon verwekt, hij had vorstelijke vriendschappen gekend en adembenemende ruzies gemaakt. Hij had meer en sneller geschreven dan een mens kan lezen; alleen zijn pas in onze eeuw integraal uitgegeven correspondentie beslaat al veertig banden. Hij had gecomponeerd en gefilosofeerd, en zich met bijkans alle aspecten van het intellectuele offensief van de Verlichting bemoeid. De lijst van zijn adressanten en onderwerpen leest als een overzicht van de geestesgeschiedenis van de achttiende eeuw.

Inderdaad: het werd de hoogste tijd voor een autobiografie - hij zou er in ieder geval het nageslacht, en inzonderheid latere historici, een dienst mee bewijzen. 'Ik ga iets ondernemen', schreef Rousseau in 1764 in de eerste regels van het werk dat in de volgende zes jaar zou uitdijen tot de twaalf boeken van zijn Confessions, 'dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens dat ben ik zelf.'

Zelden zal een auteur die zich aan een toekomstvoorspelling waagde, zo kapitaal de plank hebben misgeslagen als Rousseau toen hij erop gokte dat zijn plan nimmer navolging zou krijgen, maar even zelden zal een auteur zo eerlijk en onomwonden hebben aangekondigd wat hij van plan was en dat ook naar de letter van zijn voornemen hebben uitgevoerd. 'Je forme une entreprise', en een onderneming was het die hij vormde; ze zou mettertijd multinationaal en duurzaam worden.

Bij al zijn parmantige zelfbewustzijn heeft hij niet beseft welk voorbeeld zijn Bekentenissen zouden worden, welke ongelofelijke inspiratiebron ze voor latere generaties schrijvers zouden zijn. De rijke geschiedenis van de Franse autobiografie-cultuur van de negentiende en twintigste eeuw en, in breder verband, het hele idee van de moderne autobiografie, ze zijn ondenkbaar zonder de slagschaduw van het monument dat Jean-Jacques Rousseau tijdens de overgang van het derde naar het vierde kwart van de achttiende eeuw voor zichzelf heeft opgericht. Die schaduw is voelbaar in vrijwel iedere autobiografische volzin die er sedertdien is opgeschreven, of de auteur ervan Rousseau nu metterdaad zelf gelezen had of niet.

Een monument, voor zichzelf en voor zijn lezers; die eerste zinnen kondigen het al aan: het gaat hem erom een mens in zijn meest onomwonden staat te tonen. Dat hij dat zelf is, is in zekere zin toeval. De particulariteiten van zijn eigen leven en in ieder geval de wijze waarop hij die blootlegt en analyseert, kunnen worden beschouwd als exemplarisch. Onder het oog van de lezer transformeert hij het hoogst private tot karakteristiek, het individuele tot universeel. Dat hij daarmee en passant een nieuw type individu uitvond of er als eerste de omschrijving van gaf, is iets dat hij niet kon weten, want hij was het zelf.

Juist door te breken met de klassieke stilistische en retorische spelregels over wat het individu over zichzelf kon en mocht zeggen, juist door eigenmachtig nieuwe opvattingen over l'espace privé te postuleren, ontstond onder zijn handen een nieuw domein van privacy. Het classicistische keurslijf over wat men omtrent zichzelf zegt en verzwijgt, over de manier waarop men zichzelf hoort voor te stellen, scheurde hij aan rafels. Maar door zich zo volkomen naakt aan zijn lezers te presenteren introduceerde hij een nieuw idee over wat persoonlijk, wat eigen is. Door er naar te streven volledig opening van zaken over zichzelf te geven, privatiseerde hij zichzelf met nadruk.

Het is daar waar de moderne autobiografie ontstaat. Het idee dat openbaarmaking van de schrikbarendste intimiteiten, de momenten van grootste aarzeling en meest intense kwetsbaarheid niet noodzakelijkerwijs leidt tot obsceniteiten en andermans spotlust opwekt, maar juist respect afdwingt en vertrouwdheid. Vóór Rousseau had niemand dat gedaan, na Rousseau kan niemand het meer anders doen. Wat dat betreft is het curieus dat zijn Bekentenissen pas als deel 212 in de reeks Privé-domein verschijnen: ze hadden er het nulde deel van horen te zijn. Van Sergej Aksakovs Jeugd in Rusland tot Koos van Zomerens Een jaar in scherven kunnen al die delen immers beschouwd worden als variaties op een thema van Rousseau.

De vraag is daarom wat Rousseau ertoe heeft bewogen zijn autobiografie te schrijven zoals hij het deed, en waarom hij dat juist op deze manier deed. Waar komt zijn onlesbare behoefte vandaan zichzelf open en bloot te tonen, op zoek te gaan naar wie hij werkelijk is, na te gaan wie er schuilgaat achter al zijn belevenissen, wat de bron was van zijn vreugde, wat van zijn verdriet, te vertellen wat hem beviel en waar hij zich voor geneert, uit te zoeken waar een mens poseert, fantaseert of ronduit liegt en wat hij in alle eerlijkheid over zichzelf melden kan. Waar komt, anders gezegd, zijn onvermoeibare speurtocht naar authenticiteit vandaan?

'Groot zijt gij, Heer, en ten zeerste lovenswaardig' - dat is de toon waarop die andere autobiograaf, die tegelijkertijd biechteling en boeteling wilde zijn, Aurelius Augustinus, dertieneneenhalve eeuw vóór Rousseau zijn Confessiones begonnen was. Confessions en Confessiones: één lettertje, maar een wereld van verschil. 'Maar hoe zal ik nu mijn God aanroepen, mijn God en mijn Heer?', vervolgt Augustinus even later de uiteenzetting van zijn bedoelingen, 'want roep ik Hem aan, dan roep ik Hem toch zeker naar mijzelf, in mijzelf.'

Natuurlijk heeft Rousseau zijn Augustinus gekend. Wie in de protestantse enclave Genève opgroeide, aan alle kanten omgeven door een inventief interrumperend katholicisme, kende zijn argumenten, kende zijn kerkvaders. Het calvinisme, zeker het Geneefse, want Genève was er tenslotte de geboorteplaats van, is hoe dan ook doordesemd van een augustiniaanse geest. Rousseau bracht als jongen anderhalf jaar door in de pastorie van dominee Lambercier - hij werd er onderwezen en opgevoed - en hij vertelt in zijn Bekentenissen hoe welbeslagen en welbespraakt hij enkele jaren later, wanneer hij huis en haard verlaten heeft, in Turijn, waar hij zich katholiek heeft laten dopen, in debat gaat met de geestelijken die hem moeten inwijden in de geheimen van de katholieke geloofsleer. Hij blijkt zijn kerkvaders te kennen, weliswaar in onhandig en onvolmaakt Latijn en zonder iedere keer tittel en jota te kunnen noemen - maar hij kent hun argumenten.

D E POSITIE van de biechteling en de twijfelachtige mogelijkheden van een alles opklarende confessie, ze zijn hem vertrouwd, ook al begint hij zijn eigen biecht dan in eerste instantie ook slechts op verzoek van zijn Amsterdamse uitgever Marc Michel Rey, die ze als inleiding op een geplande uitgave van Rousseaus verzameld werk wilde hebben. 'Ik weet niet op grond waarvan Rey zoveel druk op mij uitoefende de gedenkwaardigheden van mijn leven op te schrijven', zegt Rousseau er later over. 'Ofschoon dat leven tot dan toe niet zo interessant was door wat erin voorviel, voelde ik toch wel, dat het dat zou kunnen worden, als ik vrijmoedigheid zou betrachten. Ik besloot daarom een, in zijn voorbeeldloze oprechtheid, uniek werk te maken, zodat men ten minste één keer een mens zo kon waarnemen als hij werkelijk in zijn binnenste is.'

Daar gaat het om, om die oprechtheid en het hardnekkig idee dat bij hem had postgevat dat onder en door al die ervaringen de echte, de authentieke mens zichtbaar gemaakt moest worden - en dat dat de moeite waard was. Daar, in de beginzinnen van hun confessies, scheiden reeds de wegen van Augustinus en Rousseau: de eerste onderzoekt zichzelf om tot God te komen, gelooft in een wezen, de harde kern van het schepsel waarin hij aantreft wat aanstonds oog in oog met zijn Schepper zal staan, de tweede pelt uit zijn belevenissen de natuurlijke, aardse mens te voorschijn, hoopt het menselijke, het al te menselijke terug te vinden, dat schuilgaat achter verkeerde gewoonten en aangeleerde misverstanden.

Wat dat betreft had hij de titel van zijn boek - hoe toevallig die ook weer tot stand is gekomen, lange tijd zouden Rousseaus Bekentenissen eenvoudig Memoires geheten hebben - niet beter kunnen kiezen. Hun wegen scheiden maar, wat meer is, er wordt een bres zichtbaar in de continuïteit van de cultuur. Met zijn Confessions breekt Rousseau definitief met de geest van de Confessiones, zijn mensbeeld is het resultaat van wat tussen Renaissance en Verlichting tot stand gekomen is, het is de superieure verdediging van de menselijke autonomie, het finale moment in de secularisatie van de ziel. Wat voor de één een getuigenis van Gods almacht werd, een reeks Belijdenissen, werd voor de ander het bewijs van 's mensen onafhankelijkheid: hij kon bekennen wat hij wou, hij zou er louter sterker van worden. Toegegeven, soms zit er ook in Rousseaus bekentenissen een sfeer van boetedoening. Vooral wanneer hij verhaalt over de misstappen uit zijn jeugd, druipt de gêne van de pagina's. Toen hij, bijvoorbeeld, als jonge lakei een lint van zijn superieuren jatte en zijn misdrijf aan het licht kwam, beschuldigde hij in paniek een kamermeisje. Bijna een halve eeuw later zit het onnozele voorval hem nog dwars, en put hij zich uit in verontschuldigingen en kwade fantasieën over hoe zijn valse getuigenis het meisje geruïneerd kan hebben. Wat hem dan nog altijd bezighoudt is waarom hij het deed - waarom hij zeker weet dat hij, wanneer zijn meester hem onder vier ogen naar het lint gevraagd zou hebben, onmiddellijk zijn diefstal zou hebben opgebiecht, maar onder het oog van zijn collega's leugenachtig en lasterlijk voet bij stuk hield.

Dat verschijnsel doet zich vaker voor in zijn bekentenissen. Het toont Rousseaus grote psychologische belangstellingen en zijn vooringenomen afkeer van sociale instituties. In zijn wezen huist rechtschapenheid, die slechts door kwalijke, opgelegde en aangeleerde manieren niet naar buiten kan komen. Maar het toont evenzeer de interessante dubbelpositie die Rousseau inneemt als het gaat om protestantse en katholieke opvattingen over schuld en boete. Hij was, als gezegd, een kind van het Geneefse protestantisme, met zijn stricte opvattingen over een schuld die reeds bij de geboorte van een mensenkind lelijk aanwezig was en gaandeweg een leven alleen nog maar kon oplopen tot ze torenhoog op iemands schouders drukte en op de jongste dag zou worden aangetoond, spijkerhard uitgeteld tot op de laatste pietluttige pekelzonde. Om volmaakt opportunistische redenen liet hij zich in 1728, bijna zestien jaar oud, katholiek dopen. Opvallend is dan zijn belangstelling voor de verstandhouding die zijn toenmalige beschermvrouwe en latere muze en minnares Madame de Warens, 'Maman', tot haar biechtvader had. Het fenomeen lijkt hem te boeien.

R OUSSEAU DROEG zijn eigen erfzonde, zijn eigen niet te delgen schuld, met zich mee. Zijn moeder stierf zes dagen na zijn geboorte aan de gevolgen van die bevalling, en zijn jeugd lang heeft zijn vader, de klokkenmaker Isaac Rousseau, hem onderhouden over de diepe liefde die hij voor zijn moeder, Suzanne Bernard, koesterde. In het eerste boek van de Bekentenissen schildert Rousseau in de warmste kleuren het portret van de vrouw die hij nooit gekend heeft, en van de troosteloze rouw van de vader over zijn verlies. Een moederdood ten leven, maar een kinderleven ten dode, de vreugde over de zoon die op zijn moeder heette te lijken, onontwarbaar verknoopt met het verdriet over het weduwnaarschap: sommige problemen krijg je reeds op jeugdige leeftijd cadeau. Over de verstikkende presentie van de erfzonde hoefde de catechismus hem niet veel meer uit te leggen.

Hij is bovenmatig geïnteresseerd in de langdurige doorwerking van dergelijke indrukken. Fascinerend is in dit verband het verhaal dat hij vertelt over het eerste stevige pak slaag dat hem werd toegediend. De ranselaar was mevrouw Lambercier, de vrouw van de dominee bij wie de jonge Jean-Jacques in de kost was gedaan. 'Toen de straf eenmaal toegediend was', schrijft de van herinneringen vervulde grijsaard, 'vond ik het een minder verschrikkelijke ervaring dan ik had gedacht en het merkwaardigste is wel dat ik me door die straf nog meer hechtte aan degene die hem mij had opgelegd. Al mijn oprechte genegenheid en natuurlijke zachtmoedigheid waren er zelfs voor nodig om mij niet te laten proberen dezelfde behandeling nog een keer te verdienen, want ik had in de pijn, in de schaamte zelfs, een bijmengsel van zinnelijkheid gevonden, waardoor ik meer verlangde dan vreesde hetzelfde door dezelfde hand een tweede maal te ondergaan.'En wie zijn Rousseau kent, heeft zijn Freud niet meer nodig, want 'voor de rest van mijn leven', schrijft hij, is die straf 'beslissend geweest voor mijn neigingen, mijn verlangens, mijn hartstochten, voor mijzelf, en dat precies in een richting tegenovergesteld aan wat er natuurlijkerwijs uit had moeten voortvloeien'.

Daar zit de essentie van zijn onderneming: de schuld nestelde zich levenslang in zijn persoonlijkheid, zo strijdig als ze was met de ware behoeften van zijn natuurlijke ik. De bekentenis is nodig om dat in te zien en er greep op te krijgen. Zijn boekstaving werpt licht op de functie van de schuld als op die van de biecht. Door ze te analyseren slaag je erin vanonder de dikke verflagen van de ervaring de ware mens, met zijn authentieke behoeften en verlangens, bloot te leggen. Het is niet voor niets dat Jean-Jacques Rousseau de vrijwel doelloze zwerftochten door de Zwitserse, Noord-Italiaanse en Oost-Franse bergen van zijn jeugd - geen stuiver op zak en slechts hopend op de inschikkelijkheid van passanten en herbergiers - in zijn Bekentenissen opvoert als de momenten in zijn leven waarop hij het gelukkigst was: een kind van de zon en de ijle lucht, niet lastig gevallen door zeden en voorschriften. Toen hij voor het eerst door de poortwachters van Genève werd buitengesloten, ervoer hij zijn ware mogelijkheden.

Dat is nog altijd een schokkend programma, die hardnekkige opvatting dat een mens zichzelf moet bevrijden uit aangeleerde gewoonten - en het is zowel psychologisch als politiek. Niet voor niets is Rousseau de ideoloog van zowel links als rechts geweest: iemand die zich zo energiek tegen zowat de hele wereld heeft verzet, span je gemakkelijk voor je karretje. In het Nederlands kwamen zijn politieke en ideologische geschriften vroegtijdig beschikbaar - de eerste editie van Over het maatschappelijk verdrag is van 1793 - maar voor zijn Bekentenissen moesten we totnogtoe terugvallen op een bloemlezing uit 1916. Dat Leo van Maris er nu een volledige editie van heeft bezorgd in altijd sprankelend Nederlands, vol innemende en respect afdwingende vertalersvindingrijkheid, zal Rousseau hopelijk zijn rechtmatige plaats geven - als cultuurpessimist, als amokmaker, als vroege Groene, maar bovenal als uitvinder van het onuitputtelijke genre van het privé-domein.

Michaël Zeeman

Jean-Jacques Rousseau: Bekentenissen.

Uit het Frans vertaald en bezorgd door Leo van Maris.

De Arbeiderspers; 770 pagina's; ¿ 99,-.

ISBN 90 295 3490 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden