Op zoek naar de parel tussen de eerstelingen

Een schrijver heeft bij het creëren van een fictiewereld allereerst de werkelijkheid – want wat anders kennen we? – als bouwsteen....

De grootste valkuil van de beginnende schrijver is dat zijn inspiratiebron, diezelfde werkelijkheid, de waargebeurde verhalen uit zijn leven, te veel aanwezig blijft in zijn roman om interessant te zijn voor een publiek buiten familieleden en verstokte fans. Veel debutanten blijven zweven rond de anekdotiek en zijn (nog) niet bij machte hun werk iets eigens mee te geven, een persoonlijke toon of structuur. Meer dan eens raken ze niet los van hun eigen ik en ontlenen hun verhalen vaak heel direct – zonder noodzakelijke omzetting – aan persoonlijke ervaringen. De anekdotiek, de kale vermelding van grappige gebeurtenissen dringt zich te veel op de voorgrond.

Wil een verhaal literatuur worden, dan moet er iets worden toegevoegd. Met creativiteit, een goede stijl en een doordachte thematiek, met een overdrijving hier en een leugentje daar, kan er vanaf de basis die eenieder van ons kent een fictieve wereld worden opgeroepen die is losgezongen van zijn aanleiding en die de kale beschrijving van een leven overstijgt. De schrijver is als een kok, een alchemist misschien – goud uit niets –, die door losse elementen en ervaringen om te smeden een roman fabriceert die je prikkelt en van begin tot eind weet te boeien.

Maar topkoks zijn schaars, en beginnende topkoks nog schaarser. Toch is de hoeveelheid debuten die elk jaar verschijnt behoorlijk groot en zijn de parels tussen de eerstelingen maar lastig te vinden.

In Toiletten van Niels 't Hooft (1980) volgen we een kersvers stelletje, dat gaat samenwonen in een piepklein huis. 'Als je tussen de deurposten door wilde, moest je over het nachtkastje heen stappen of over het bed, samen versperden ze de weg.' Het huis heeft, hoe klein ook, twee toiletten en naarmate de geliefden meer en meer gaan twijfelen aan hun relatie, worden deze kamertjes hun toevluchtsoord. Zij mag de grootste – ze is tenslotte vrouw –, hij neemt de kleinere wc tot zijn beschikking. Ze blijven ruziën en mokken en gaan uiteindelijk uit elkaar.

Toiletten is een bijna hyperrealistischenovelle, met vaart en zeker ook plezier geschreven, maar het is flinterdun. Zonder de versiersels, verhullende woorden en scènes – de thematiek wordt slechts vermeld, maar niet geïncorporeerd in het verhaal – blijft alleen lucht over. De roman heeft een aardige invalshoek maar 't Hooft weet de potentie van dit recept niet tot wasdom te brengen. Zijn prille stijl en de gezochte beeldspraak – 'de woorden gleden als het bestek, de glazen en de borden langs mijn theedoek' – zijn te houterig om het gebrek aan een fantasierijke plot te compenseren.

Ook De duiker van Martijn Knol (1973) kent een hoofdpersoon die, als ik me niet vergis, niet veraf staat van de auteur. Drie studenten uit Haarlem donderen vol bravoure het leven in en beantwoorden aan alle clichés die er over studenten te vinden zijn. Ze zuipen en slapen en weten af en toe ook nog een college mee te pikken. De hoofdpersoon wordt verliefd op Iris, wél een ijverige student, die door haar nuffige intelligentie voor de drie jongens een soort uptown girl-allure krijgt.

Knols absurdistische dialogen zijn soms grappig, maar ook hier voel je het gemis van een overkoepelend thema of een richting in het verhaal. Het einde lijkt dan ook een desperate truc om de schier eindeloze pagina's studentengebral te kunnen afsluiten. Na de protagonist te hebben afgeserveerd, neemt de schrijver als een hedendaagse Multatuli het woord en vervalt in een tirade tegen Willem-Alexander en diens watermanagement: 'Alexander! Alex! (...) manage alstublieft de tranen van uw onderdanen. Hoe kunt u toestaan dat miljoenen van hen de Grote Samenhang verloren zyn? (. . .) geef zin aan onze onzin!'

Afgezien van dit slot missen de twee debuten durf, ze zijn niet in staat om de lezer te verrassen met verbeeldingskracht en een duidelijke structuur.

Wie dat, al in zijn eerste roman, wel voor elkaar krijgt, is Bart van Lierde (1974) met Violist van de duivel. Ook zijn stijl is onzeker, maar hij weet wel een verháál te vertellen. Een handvol kleurrijke personages – een misvormde violist, een jaloerse dirigent en een vrouwenactivist – voert hij door het Habsburgse rijk van de 19de eeuw, allen verbonden door een bijzondere viool. De maker vond een vrouwenlichaam met 'dezelfde trillingsgraad' als een muziekinstrument en kopieerde dat lichaam tot een viool met een uitzonderlijke klank en mogelijkheden voor een virtuoze speelstijl. Het instrument leidt tot gebroken liefdes en bedrog en weet menig personage tot gedeeltelijke blindheid – door jaloezie of woede – te brengen. Violist van de duivel is een interessant debuut met een gewaagde opzet.

Klein verhaal van een grote gekte van Rob Kappen (1970) kent ook een gecompliceerde verhaalstructuur, met zelfs een vleugje mystiek. Manu, een Bosschenaar van Spaanse afkomst, vindt in Galicië een manuscript van een ooggetuige van de bloedige burgeroorlog. De man blijkt nauw verbonden met Manu's familie en door de aantekeningen leert Manu zijn ouders en grootouders werkelijk kennen. Dan is er nog een meisje, Conchita, en Manu's drankprobleem, de twee elementen die uiteindelijk zijn ondergang veroorzaken.

Kappen ontwierp een plot met veel mogelijkheden, maar zijn uitwerking laat te wensen over. Zijn stijl is wollig, te bloemrijk en de flashbacks en plaatsverwisselingen maken het geheel verwarrend en overdonderen de lezer in hun veelheid. Kappens onderwerpkeuze is lovenswaardig maar voor de stilist in hem te hoog gegrepen.

Plotbeheersing, stijl én fantasie – een verdraaiing, een verdichting wellicht van het alledaagse –, die combinatie maakt boeken tot literatuur. En juist het samenvoegen van deze drie elementen is waarin veel debuten tekortschieten. Vaak hebben de auteurs weinig te vertellen, vaak ontbreekt een zorgvuldige schrijfstijl. Het getover met plots en thematiek leidt maar zelden tot een bevredigend eindresultaat. Werkelijk doordrongen van het verhaal raakt de lezer nergens, daarvoor moeten we op zoek naar echte ambachtslieden. Naar ijverige schrijvers die hun ambitie juist weten te doseren, maar ook durf niet schuwen, en zo tot het veelbelovende soort behoren.

De Belgische Annelies Verbeke (1976) schreef Slaap!. In een beheerste schrijfstijl – Verbekes woordkeuze verraadt een goede observatie – vertelt de auteur over Maya, een jonge vrouw die lijdt aan slapeloosheid. De beschrijving van haar pogingen om een goede nachtrust te genieten – het begint met warme melk met honing en eindigt met een cursus luisteren naar haiku's – is prachtig en maakt de frustratie, de bijna schizofrene indrukken van een nacht ongewild waken, duidelijk. Maya ontmoet een lotgenoot in Benoit De Gieter, een eenzame man die ook 's nachts wakker is. De twee zoeken elkaar vaak op, totdat Maya door een ongeluk in het ziekenhuis belandt en Benoit door zijn slapeloosheid en zijn problematische jeugd zo ver afglijdt dat hij in een inrichting terechtkomt.

Verbekes roman is niet subtiel; het einde is groots en enigszins onrealistisch, maar ze weet dit euvel te compenseren door het geheel een symbolische lading te geven en prachtige bewoners aan haar fictiewereld toe te voegen. Zo is er de oude Olga die Maya het nodige tegengas geeft en met haar naïeve verlangen naar frieten en spelletjes op tv telkens weet te ontroeren. Voor Benoit is er een nachtvlinder die hem gezelschap houdt en hem uiteindelijk naar Maya terugvoert. De beklemming van het niet-slapen en het verlangen naar geestelijke gezondheid en liefde worden door een indringende beschrijving en onderhuidse spanning echt voelbaar en verrassen de lezer keer op keer.

Verbeke is een bijzondere auteur, die ver uitstijgt boven de anekdotische verhalenverteller. Zij maakt de banaliteit van het leven tot literatuur en doet zo waar iedere uitgever op hoopt. Uit de kleurrijke keuken van déze debutant valt veel te verwachten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden