BeschouwingVijftig jaar Fender Rhodes

Op zoek naar de elektrische piano der elektrische piano’s: de Fender Rhodes

Beeld Olivier Heiligers

Mathijs de Groot is verliefd op een vijftig jaar oude elektrische piano, de Fender Rhodes welteverstaan. Zijn zwoele en opzwepende klanken overstijgen stijlen, genres en generaties. Wat maakt de kast op poten zo goed?

Ik was 14 jaar oud toen ik spontaan verliefd werd op de Fender Rhodes. De intro van Stevie Wonders’ I Wish klonk en de inmiddels vintage elektrische piano klonk romig in het hoge register en knisperend in het lage register.

Elf jaar later, en vijftig jaar nadat het eerste exemplaar van de bekendste uitvoering van de Fender Rhodes van de fabrieksband rolde, is zijn klank nog altijd het mooiste geluid dat de mensheid ooit heeft voortgebracht.

In de meest uiteenlopende genres gebruikte een keur aan artiesten het instrument: The Doors, Jamiroquai, Miles Davis, Radiohead. Logisch, want er is geen ander instrument dat zo ­dynamisch uit de hoek kan komen. De Rhodes kan teder en delicaat klinken, als een kers in gesmolten chocola, maar ook krijsend om zich heen meppen. Zo laat het instrument knuffelrock nog schmutziger klinken en funkplaten nog harder funken.

Wanneer ik naar een concert ga en er staat een Fender Rhodes op het podium (dat overkomt me regelmatig, ze worden nog veel gebruikt) kun je me al wegdragen. De aanblik alleen al: een solide zwarte kist met 73 toetsen en retro draaiknoppen, leunend op vier ranke poten. Als ik een Rhodes-riedel door de speakers hoor, krijg ik een tintelend gevoel in mijn buik. In gedachten zie ik mezelf de toetsen van de Rhodes indrukken en zie ik hoe ze in slow-motion terug­veren.

Helaas bleef het voor mij tot nu toe bij fantaseren, want hoe de toetsen voelen, weet ik niet. In al die jaren van aanbidding heb ik nooit zelf op een Rhodes gespeeld.

Ik heb van jongs af aan in bandjes gezeten, altijd toetsen. Zou er een ­Fender Rhodes voor me staan, dan zou ik er daadwerkelijk raad mee ­weten. Maar on the road, bij op­tredens in Reuver of Gulpen, kwam

ik er nooit een tegen. Ik werd aangenomen op de vooropleiding van het conservatorium. Beet, dacht ik, een conservatorium heeft vast ergens een Rhodes staan, ijdele hoop.

Je vindt dit soort piano’s vrijwel niet meer in muziekwinkels. De handel vindt hoofdzakelijk plaats op web­sites met tweedehands waar. Daar gaan ze met gemak voor 1.800 euro over de toonbank, onderhoud en versterker niet meegerekend – de voornaamste reden dat ik er thuis geen heb staan.

Het gouden jubileum voor de ­Fender Rhodes (het type Mark I, dus gebouwd tussen 1969 en 1974) is een mooi excuus om deze kleine tragedie ongedaan te maken. Nog dit jaar zal mijn Fender Rhodes-ontmaagding plaatsvinden.

Er is maar één Fender Rhodes die daarvoor geschikt is, die van de ­Nederlandse Rhodes-maestro, ­degene die, ware hij niet zo jong ­gestorven, in een zucht met jazz­nestors op toetsen als Herbie Hancock en Chick Corea zou worden genoemd. Ik heb het natuurlijk over de Fender Rhodes van Rob Franken (1941-1983). Hij was jarenlang de vaste toetsenist van de Brusselse mondharmonicalegende Toots Thielemans en vergaarde roem met de soundtrack van Turks Fruit.

Een jaar of vijf geleden ontdekte ik de muziek van Franken. De manier waarop hij de Rhodes bespeelde, was nieuw voor me. Franken laat zijn ­melodieën schuren, met wrange ­noten als mistdruppels, maar hij doet dat in een keiharde groove. Het klinkt daardoor zowel etherisch als funky – een combinatie die ik eerder niet voor mogelijk achtte. Bovendien kreeg de Fender Rhodes in de hits van wereldartiesten overwegend een bijrol ­toebedeeld. Niet bij Franken, in zijn muziek krijgt het instrument een hoofdrol.

Fumu

Functionele muziek, kortweg fumu. Onder die noemer nam Rob Franken samen met andere Nederlandse muzikanten in de jaren zeventig jamsessies op voor Philips. Het doel: kabbelende achtergrondmuziek voor in warenhuizen. De uitkomst: meesterlijk funkende muziek, volledig instrumentaal, met de Fender Rhodes in de hoofdrol, de reden waarom afgelopen jaar een deel van de opnamesessies alsnog op cd en vinyl werd uitgebracht.

Dat de originele Fender Rhodes van Rob Franken nog bestaat, weet ik zeker. Ik zag hem met mijn eigen ogen. Afgelopen juli, tijdens de uitreiking van de Edisons voor jazz- en wereldmuziek, werd het instrument plots op het podium getild. ‘Overigens is dit dé Fender Rhodes van Rob Franken, dames en heren’, zei Wilfried de Jong, de presentator van de avond. Maar wie de Rhodes nu in zijn bezit heeft en waar hij staat? Geen idee.

Om te begrijpen wat de klank zo lekker maakt, moeten we onder de motorkap van de Fender Rhodes kijken. Til je de kap op, dan zie je dat de toetsen zijn verbonden met houten hamertjes. Het hamertje raakt een spoel, die de trilling omzet in geluidssignalen. 

Nieuwe elektrische piano’s gebruiken de hamertjes niet meer, ze zijn volledig digitaal. Dat hamertje is dus cruciaal, je hoort ’m terug als een glazige klik – op akoestisch vlak de perfecte tegenhanger van het warme timbre van de Rhodes. Het glazige en het warme horen bij elkaar als yin en yang, samen vormen ze het orgastische universum van de Rhodes.

Beeld Olivier Heiligers

Eerst maar eens een belletje naar journalist Frank Jochemsen, Franken-adept en kenner van het eerste uur. In 2008 maakte hij een fraaie ­radiodocumentaire over Franken. Als iemand weet wie de Rhodes van Franken nu heeft, is hij het. ‘Je moet Karel Boehlee hebben’, zegt Jochemsen, ‘hij heeft de Rhodes van Franken thuis staan.’ Dat zou een logische plek zijn. Boehlee, gelauwerd jazz­pianist, speelde in het kwartet van Toots Thielemans na de dood van Franken. Hij was de opvolger van Franken.

Klopt, zegt Boehlee, wanneer ik hem dezelfde dag nog aan de lijn krijg, de Fender Rhodes van Franken staat bij hem. Het instrument werd hem geschonken door de weduwe van Franken, nadat zij Boehlee in een café had horen spelen, Franken was toen net overleden. ‘Hoe zit je aanstaande vrijdag?’

De week erna, sta ik in een woonwijk in Leiden. In het huis waarnaar ik kijk, staat de Fender Rhodes van Rob Franken. Hier gaat het zo gebeuren.

Pas wanneer Boehlee, eind 50, zachte blik, in de keuken koffie gaat zetten, durf ik het instrument eens goed te bekijken. Hij staat in een ­kamer die de pianist heeft ingericht als mini-thuisstudio. Een bureau, twee grote beeldschermen in het midden en speakers ernaast. Pontificaal in het midden van de kamer: de Fender Rhodes.

Aan de binnenkant van het instrument zie ik een gouden sticker: ­‘Makers of fine keyboard instruments, Fullerton, California’ Een ­serienummer, 1171. Ik ­bekijk de groeven in de toetsen, de originele waarop volgens Boehlee ook Franken speelde. Een vlekje op de middelste c-toets (zweet van Franken?). De allerhoogste toets blijft hangen alsof hij wordt ingedrukt.

‘Speel er gerust op, hè’, roept Boehlee vanuit de keuken. Shit, dat is waar. Spelen. Maar wat? De avond voor mijn bezoek liep ik nog te ijs­beren: moet ik iets instuderen? Een stuk van Franken? Of moet ik het ­moment laten bepalen, gewoon ­spelen wat me wordt ingegeven?

Ik kies voor het laatste. Ik strek mijn wijsvinger, laat hem vallen op een witte toets. Plongggg. Geluid. Boterig en fijn, zoals ik het ken van al die opnamen en YouTube-filmpjes. Alleen ben ik er nu de maker van. Ik ben de Rhodes, de Rhodes is mij. Ik glimlach en druk de toets steeds sneller en harder in. Ik luister hoe de klank rauwer wordt en voel hoe het hamertje en de toets terugveren. Machtig. Precies zoals ik het me inbeeldde bij concerten.

Vooruit, linkerhand erbij. Een akkoord voor de aankleding. Het eerste akkoord van Misty, zo’n evergreen uit het jazzrepertoire. Melodie erbij met mijn rechterhand. Moet ik nu mijn ogen te sluiten?

Hier zitten, achter dit goddelijke, historische instrument: het voelt ergens raar. Ja, het is bijzonder, wat zeg ik: een sensatie dat ík die vettige Rhodes-tonen achter elkaar de kosmos in slinger, maar dat het zo makkelijk zou zijn, had ik niet kunnen bedenken.

Mijn oog valt op de volumeknop. Ik draai ’m vol open. Mijn handen zet ik klaar op de toetsen. Vooruit, omdat het kan, een stukje Stevie Wonder.

Fender Rhodes door de jaren heen

1978: Herbie Hancock - No Means Yes

Afkomstig van het album Sunlight. Deze instrumentale discofunk is een klein beetje vies, maar vooral heel lekker. De malse Fender Rhodes sound komt hier maar wat fraai tot zijn recht tussen de springerige slap bass en drums. Hoogtepunt is Hancocks solo (vanaf 3:30) op de Rhodes.

1997: Radiohead - Subterranean Homesick Alien

Een sfeerzetter, dat is de Fender Rhodes in deze Radiohead-klassieker volop. Wrange klanken uit de Rhodes dalen rondom het refrein neer, nadat ze door een reeks galm- en delay-effecten zijn gehaald.

2019: Rymden - Pitter-Patter

Het vreemde en lekkere spel van toetsenist Bugge Wesseltoft – ook verantwoordelijk voor de intro van Zomergasten – doet denken aan dat van Rob Franken. Pitter-Patter, met een labyrintische melodie, is een lichtvoetig stuk met Wesseltoft en zijn Fender Rhodes (hier en daar met subtiele effecten) in de hoofdrol.

Meer Fender Rhodes

Eind 2000 overleed Harold Burroughs Rhodes, bedenker van de Fender Rhodes. Lees hier het postuum.

Muziekrecensent Gijsbert Kamer luisterde naar de onlangs uitgebrachte jamsessies van Rob Franken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden