Op internet kies ik zelf wie ik ben

De digitale generatiekloof openbaart zich nergens sterker dan in discussies over identiteit, stelt Henk Blanken; voor jongeren is anoniem meediscussiëren op internet volkomen vanzelfsprekend....

Een kleine tien jaar geleden, internet was net wakker geschopt alsmassamedium, waren avatars het speeltje van een artistieke elite. Avatarszijn digitale persoonlijkheden die er meestal uit zien alstekenfilmpoppetjes maar op internet doen wat mensen van vlees en bloed ookdoen. Kibbelen, handelen, vechten en de liefde bedrijven.

Voor die elite zijn avatars alweer oud nieuws, maar de massa is er pasnet aan begonnen. Meer dan 150 duizend mensen 'leven' in het spel SecondLife, een van de vele spelomgevingen op internet waarin werkelijkheid enfictie verknoopt raken. Vaak draait het er om erotische fantasieën, maarniet altijd. Sommige spelers houden een maandsalaris in harde valuta overaan virtuele makelaardij in Second Life. Echte mensen huren een ghost gamerom hun spel te spelen terwijl zij aan het werk zijn. Allemaal cool,fascinating people, doing cool, fascinating stuff, aldus W. James Au, diejarenlang als embedded journalist de opkomst van Second Life beschreef.

Avatars leven op computers, toch zijn ze aards. Ze hebben vrienden,fans, vijanden. Ze zijn minder eendimensionaal dan je zou denken. Nu eenszijn ze de domst denkbare samenvatting van naar platte zelfbevrediginghakende pubers. Dan weer lijken ze de verbeelding van de menselijkemogelijkheid: alles wat kan. Enerzijds lopen er in het schietspel Quakeopgeblazen revolverhelden rond, als in de lulligste western. Maar op eenminder banaal niveau wordt de parallelle wereld tot populaire kunstverwerkt: in The Matrix (1999) gebruikt 'Neo' een uitgehold exemplaar vanSimulacrum en Simulatie als geheime bergplaats. In dat boek definieert deFranse socioloog Baudrillard een simulacrum als het soort kopie dat losstaat van het origineel.

De ontwikkeling op internet van werelden als Habbo Hotel, Runescape enWorld of warcraft gaat steeds sneller. Screenagers van 12 en 13 jaar houdennu avatars alsof het konijnen zijn.

Het is een ontwikkeling die haarfijn blootlegt hoe diep the digitaldivide is. De kloof die internetgebruikers scheidt van de rest is eenwaterscheiding tussen rijk en arm, zwart en blank, tussen Derde en EersteWereld, maar meer nog is het een generatiekloof: dramatisch zijn deverschillen tussen jongeren die met internet opgroeiden en hun ouders dietegen beter weten in de achterstand proberen in te halen. Met de termscreenagers wilde de New-Yorkse schrijver Douglas Rushkoff al in 1997aangeven hoezeer kids zijn vergroeid met hun beeldscherm.

Juist jongeren kunnen uitstekend uit de voeten met wat ouderen ervarenals information overload. Ze kijken tv terwijl ze msn-nen over een spel datze online spelen - en ondertussen maken ze hun huiswerk. Ze laten zich nietgek maken. Ze regisseren, zei Rushkoff, hun eigen chaos. Ze multitasken enstellen hun eigen identiteit knippend en plakkend samen.

The digital divide wordt geassocieerd met competenties: Wim Kok die nietweet hoe een muis werkt. En met toegankelijkheid: geen geld voor computeren breedband. Maar, terwijl vijftigplussers computercursussen volgen enpc's goedkoper worden, groeit de generatiekloof door. De internetjeugdspreekt een andere taal (basaal Engels, msn-lingo). Wie de mores nietsnapt, wordt buitengesloten.

Deze generatiekloof verklaart allicht de gemene clash tussen oude ennieuwe media. Geen pregnanter voorbeeld dan de strijd over anoniemereacties op nieuws. Vertegenwoordigers van oude media vinden het normaaldat een brievenschrijver in de krant zijn echte naam moet gebruiken,terwijl de jongere generatie dat imperatief ridicuul acht: een naam is nietaltijd een naam, echt is niet altijd echt. Oude media denken dat jongerenzich verschuilen achter een nick, terwijl dat 'andere zelf' voor diejongere veel meer is dan een schuilnaam. Omgekeerd gelooft de ouderegeneratie dat een naam iets zegt over je identiteit - een notie die deGoogle-generatie onbegrijpelijk naïef vindt.

Natuurlijk is een post op een weblog iets anders dan een bijdrage aande meningenpagina van de Volkskrant. Op het web is immediacy de norm: debuitenwacht reageert direct - en daardoor geregeld ondoordacht, onbeholpenof onbeschoft. De papieren krant hoeft dat niet te accepteren, sterker:dezelfde jongeren die anoniem over niets chatten, zouden vreemd opkijkenvan een Forumpagina die stijf staat van de taalfouten. Kennelijk is het enemedium het andere niet, en bepaalt de situatie hoe een ingezonden stukwordt gelezen.

Jonge mediaconsumenten verwachten van journalistieke instituten opperstetransparantie ('Laat me zien waar de krant voor staat'), maar zijn niet vanplan zelf zo transparant te zijn. Wat je zegt, wie je bent, hoeveel jeprijsgeeft - het hangt van de omstandigheden af.

Aan het eind van de twintigste eeuw was 'jezelf worden' het hoogste doelvan de westerse mens. Het Ik-Tijdperk werd de kroon op de moderne tijd. Weontplooiden ons als dollen - totdat het begon te vervelen. Toen gingen wesleutelen aan ons ik. We namen haarextensies, groeihormonen en een botox,lieten onze tong splitsen en onze tanden slijpen of bestelden een totalmake-over.

Wie geen ander 'ik' wilde, koos een ander 'zelf'. Dat is net zoiets,maar dan anders. Bevrijd van de beperkingen van de industriëlesamenleving, van kostwinnerschap en huisvrouwendom, van religieuze zuilenen maatschappelijk middenveld, werden we ten slotte ook bevrijd van ons'ik'. We demonteerden de werkelijkheid, zeiden postmodernisten, enconstrueerden een persoonlijkheid. Daarbij lag niets vast, werd alles eenkeuze. Je had er geen facelift voor nodig, maar nam een 'avatar'. Of namer twee. Je nam telkens nieuwe digitale afsplitsingen, want dat slootprettig aan bij de neiging alles in het leven als 'voorlopig' en'voorwaardelijk' te beschouwen: ons werk, God, deno-strings-attached-liefde.

Wie ik ben op internet, bepaal ik sindsdien zelf. Wie ik nu wil zijn,zegt weinig over wie ik morgen ben. Wáár ik nu ben, ben ik iemand andersdan waar ik straks ben. De gelegenheid schept de identiteit.

Dat is even wennen. Toen er nog geen internet was, toen je een naam haden een sofinummer, was een van de wezenskenmerken van identiteit juist datdie uniek en onveranderlijk was. Je smaak kon veranderen, je uiterlijk, jeimago. Maar wie je echt was, bleef constant. Het was een soort garantietegen de grillen van de geschiedenis. Een zekerheidje.

Op het net heerst wispelturigheid, verschieten identiteiten van kleurterwijl ze probleemloos gekloond kunnen worden, geleend, verkocht engeadopteerd. Het is als dat kinderversje: wat je zegt, dat ben je zelf,maar dan letterlijk: je bent wat je zegt dat je bent.

Identiteit op internet lijkt ondraaglijk licht. Zo vluchtig dat hetweinig om het lijf heeft. Dat is een misverstand. Virtuele identiteitenzijn even complex als onbegrepen. Dat onbegrip is ontstaan doordat eenidentiteit op internet niet meer lijkt te zijn dan een kolderieke, obscurenickname, zoiets als Fleischbaum of Onderkruipsel of PindA. De anonimiteit- of eigenlijk pseudonimiteit - waarin de mensen achter die schuilnamenzich bewegen, suggereert dat ze überhaupt geen identiteit hebben op hetnet, maar het tegendeel is waar.

Op de marktplaats van eBay en in een universum als Second Life wordt jeidentiteit anders geconstrueerd. Je bedient je van een screen name, maarwie je bent, wat je doet, ligt tot in het kleinste detail vast indatabases. Op eBay wordt elke aan- en verkoop geregistreerd. Wie zich aanafspraken houdt, krijgt punten van mede-eBay-gebruikers. Wie de kluitbedondert, wordt daarop afgerekend. Dat reputatiesysteem bepaalt, zo blijktuit onderzoek, 8 procent van de waarde van alle transacties op eBay.

De zelfgekozen identiteit is een optelsom van wie je zegt dat je benten je reputatie. Zo hebben de duizenden geeks op Slashdot, een site van envoor programmeurs, een modus gevonden om met elkaar om te gaan: wie ietsgoeds bijdraagt - een artikel, een review - stijgt in de achting vananderen. Wie zich misdraagt, ziet zijn 'karma' afnemen, zoals het toeneemtbij wie zich verantwoordelijk toont door de rol van moderator op zich tenemen of oplossingen te bedenken voor computerproblemen van anderebezoekers. Slashdot bestaat bij de gratie van transparantie enaccountability: wat je doet, blijft voor iedereen zichtbaar.

Op internet bestaan discussie-sites waar volstrekte anonimiteit de normis, omdat het debat over de zaak moet gaan, niet over personen. Slashdotmoet daar niets van hebben. Wie anoniem wil posten, is een anonymouscoward; posten onder een geregistreerde nickname staat in veel hogeraanzien. Wat weer niet wil zeggen dat gebruikers op Slashdot onder hunwerkelijke naam publiceren. Naam, adres en telefoonnummer betekenen nietsin een wereld waar je geëtaleerde kennis van C++ of SQL maatgevend is.

Het is fascinerend te zien hoe zeer identiteiten afhankelijk zijn vanhun reputaties, en dus van databases die dat bijhouden. Misschien verklaartdat ook veel weerzin. Dat een ander bepaalt wie je bent, dat je niet unieken autonoom bent, en dat heel je hebben en houwen wordt opgeslagen incomputersystemen - het is lastig verteerbaar.

Maar ondertussen hebben miljoenen jongeren op het net een samenlevinggemaakt. Ze betalen met eigen munt, spreken recht, kennen gedelegeerdeverantwoordelijkheid, en aanbidden hun eigen iconen. In zekere zin dragenindividuele leden zorg voor het collectief, hoe 'virtueel' dat collectiefook is.

Transparantie en aansprakelijkheid, identiteit en anonimiteit, eigendomen auteursrecht - ze vormen een nieuw stelsel van voortdurend veranderendenormen en waarden. Zonder problemen is dat stelsel niet. Met te veeldoorzichtigheid dreigt privacy onder druk te komen. Auteursrecht verdraagtzich slecht met het gemak van digitaal kopiëren. En over de vraag wie zicheigenaar mag noemen van een virtuele identiteit - de maker, eendatabase-exploitant als eBay of het collectief van medegebruikers dat dereputatie 'laadde' - heeft de laatste jurist zich nog niet gebogen.

Maar ook met die gebreken en onvervulde ambities mag de optelsom vannoviteiten een cultuur worden genoemd. Omdat de essentie van die cultuurgelegen is in samenwerking, kunnen we, zonder te suggereren dat de jarenvijftig van de vorige eeuw herleven, vaststellen dat we zijn aanbeland inhet Wij-Tijdperk, in De Eeuw van Ons.

Oude media zullen met dat tijdperk en die cultuur vertrouwd moetenraken, willen ze nog enigszins van betekenis zijn voor jongeren. Om een rolte spelen voor de internetgeneratie, zullen dagbladen en omroepen zich ooitde gebruiken van die generatie eigen moeten maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden