Op hol geslagen media

Het was een klassiek geval van een mediahype. Beweert althans de socioloog Peter Vasterman, deskundige bij uitstek als het gaat om mediahypes. Vasterman, verbonden aan de School voor Journalistiek in Utrecht, verdedigde vorige week aan de Universiteit van Amsterdam met succes zijn proefschrift over dit onderwerp.

Zijn met theoretische beschouwingen, grafieken en anglicismen volgestouwde boek zal ongetwijfeld voor een aantal journalisten de diepgewortelde vooroordelen over sociologen bevestigen. Sociologie lijdt aan cijferfetisjisme, is onmachtig in taal en begrijpt de journalistiek van geen kant. Daar komt bij dat journalisten zich verzetten tegen de gedachte dat hun eigen gedrag door omgevingsfactoren wordt beïnvloed of zelfs wordt bepaald. Journalisten zijn individualisten die menen unieke producten te maken, zonder last of ruggenspraak, slechts doorgevend wat er gebeurt.

Dat is lichtelijk naïef, zou men zeggen, want ook in de wereld van individualisten spelen krachtige groepsprocessen en opvattingen over het vak een rol. Hoe krachtig die soms zijn, is te zien aan een mediahype, een begrip dat inmiddels zo vaak gebruikt wordt dat het een hype op zichzelf genoemd kan worden. Alles waar media in korte tijd veel aandacht aan geven, wordt een hype genoemd - van een schandaal rond het koningshuis, via de Oranje-gekte bij interlandvoetbalwedstrijden tot de commotie over fraude in het bedrijfsleven. Het woord hype dreigt daardoor elke betekenis te verliezen. Voorzover het überhaupt betekenis heeft, want nieuw lijkt het verschijnsel niet.

De klaagzangen over journalisten met hun voorkeur voor altijd dezelfde sappige verhaaltjes over misdaad, rellen, rampen en enge ziektes zijn al oud. In een nabeschouwing over de rol van media bij de communistenjacht volgend op de Hongaarse opstand van november 1956, signaleerde bijvoorbeeld de politicoloog Hans Daudt dat in de journalistiek 'op moeilijke momenten de nuchtere tegenmelodie ontbreekt die mede de basis moet zijn voor openbare gedachtewisseling en meningsvorming. Daardoor kan in Nederland in onverwachte situaties een spontane gelijkschakeling van de media ontstaan op basis van felle emoties.'

Vasterman probeert een verklaring te geven voor die spontane gelijkschakeling, die de laatste tijd enorm lijkt te zijn toegenomen. Hij doet dat aan de hand van drie grote nieuwsonderwerpen van de laatste twintig jaar: zinloos geweld, seksueel misbruik en de nasleep van de Bijlmerramp. Hij beziet de bij tijd en wijle piekende media-aandacht voor deze onderwerpen in relatie tot 'zichzelf versterkende processen bij de nieuwsproductie'. Het beeld dat uit die processen oprijst is verontrustend voor journalisten, en het stemt Vasterman dan ook tamelijk somber.

Media rennen bij sommige gebeurtenissen die blijkbaar goed in hun manier van vertellen passen, massaal achter elkaar aan in hun zucht om steeds krachtiger verhalen te achterhalen. Daarbij is sprake van selectieve verontwaardiging en karikaturale, soms zelfs onjuiste beeldvorming van daders en slachtoffers. Sommige slachtoffers blijven voor eeuwig hangen aan een begrip als 'zinloos geweld' (Meindert Tjoelker, René Steegmans), terwijl talloze anderen niet meer dan een kortje op pagina 2 opleveren.

Waarom dat zo is, wordt ook bij Vasterman niet erg duidelijk. De kracht van zijn analyse ligt in de beschrijving van nieuwsprocessen en de maatschappelijke reacties, niet zozeer in de voorspellende waarde. Het enige dat je op dit vlak kan zeggen is dat hype-gebeurtenissen goed moeten passen in de stemming van de samenleving en in de (steeds kortere) spanningsboog van media.

In zoverre zou je ook optimistisch kunnen zijn over de dynamiek van media. Blijkbaar hebben ze de vinger op de juiste plek aan de pols van de samenleving en weten ze uitstekend te vertolken waar de problemen liggen. Het wachten is slechts op een zogenoemde 'sleutelgebeurtenis' waarin alle angsten, vermoedens, zorgen en stemmingen een plaats kunnen krijgen.

De ontwikkeling in media-aandacht voor seksueel misbruik is wat dat betreft het meest treffende voorbeeld, hoewel de casus op de keper beschouwd niet in de hype-definitie van Vasterman lijkt te passen. Daarin spreekt hij namelijk van 'een snel piekende nieuwsgolf met één gebeurtenis als startpunt'.

Zijn nieuwsanalyse van seksueel misbruik tussen 1980 en 2000 toont echter fraai aan hoe een onderwerp door toedoen van maatschappelijke organisaties (de gezondheidszorg en het therapeutendom) en nieuwe opvattingen (zoals het feminisme) geleidelijk op de agenda kan komen te staan. Dat enkele sleutelgebeurtenissen (vermeend kindermisbruik door clowns in Oude Pekela, de Bolderkar-affaire, Eper incest-affaire, Dutroux) in die geleidelijke ontwikkeling de agenda steeds belangrijker maken, kan niet verbloemen dat we kijken naar een langzame aanpassing van media aan veranderende opvattingen, verhoudingen en inzichten. Door die aanpassing krijgen de blijkbaar door het publiek gewenste veranderingen in rechtstoepassing, gezondheidszorg, preventie, schoolbegeleiding, opsporing en therapie gestalte.

Niets mis mee, zou je zeggen.

Toch is dat een misverstand, want in dergelijke nieuwsprocessen komt de professionele journalistieke standaard soms onder hevige druk te staan. Als op hol geslagen meutes rennen journalisten achter elkaar aan om de mooiste en meest dramatische verhalen te kunnen maken, die allemaal maar twee emotionele betekenissen lijken toe te laten: het is allemaal te erg voor woorden en de autoriteiten laten alles op zijn beloop. Veel tijd voor hoor en wederhoor, betrouwbaarheid en evenwichtigheid is er dan niet meer. Maar des temeer voor emotie en gruwelijke en extreme details.

In verder terug gelegen tijden was de aanklacht tegen de voorkeur van journalisten voor bizarre, lugubere en extreme zaken exclusief gericht op sensatiekranten en andere publicistische producten van lager allooi. Maar wie kijkt naar de minutieuze beschrijving van de media-aandacht voor sommige kindermisbruikaffaires, komt daarin vaak ook de namen van zogenoemde kwaliteitsmedia tegen, zoals NRC Handelsblad, NOS Journaal, NCRV en de Volkskrant, ook als het gaat om gruwelijke horrordetails, ongecontroleerde beweringen, eenzijdige interpretaties en overdadige tranentrekkerij.

Blijkbaar zijn ook de kwaliteitsmedia beland in de concurrentieslag om groteske emotie en is de angst om door scorende collega's journalistiek niet voor vol te worden aangezien een primaire drijfveer geworden. Is daar wat aan te doen? Vasterman houdt het erop dat meer onderzoek als het zijne kan bijdragen aan 'een evenwichtiger debat over de rol van de journalistieke media in de samenleving'. Dat verlangen naar een evenwichtiger media-inhoud klinkt steeds luider in politiek en samenleving. Wat dat betreft heeft Vasterman dus een doorwrochte bijdrage geleverd aan een hoogst actueel thema. Maar of een debat kuddegedrag kan veranderen moet ernstig worden betwijfeld.

Peter Vasterman: Mediahype.
Aksant; 317 pagina's; euro; 25,-.
ISBN 90 5260 132 1.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden