OP HET OORLOGSPAD

'Op 1 april verloor Alva zijn bril', lees: Den Briel. Vandaag is het 434 jaar geleden dat de Watergeuzen de stadspoort bestormden....

Waarom hebben Spaanse, Franse, Duitse en Oostenrijkse kunstenaars taferelen uit onze Tachtigjarige Oorlog getekend en geschilderd, maar Rembrandt of Frans Hals nooit?

Waarom schreven Schiller en Goethe boeken en toneelstukken over de Opstand tegen Spanje, en Nederlandse schrijvers amper?

Waarom leren Amerikaanse kinderen nog altijd dat Geuzen in de 16de eeuw dapper hebben gevochten voor de Hollandse vrijheid, terwijl Nederlandse kinderen nauwelijks meer weten wat Geuzen waren?

Waarom is er trouwens tussen Aken en Reims wel een Charlemagne-route, en tussen Cannes en Parijs wel een Route Napoléon, en hebben wij van Heiligerlee via Vlissingen tot de Mokerhei nog altijd geen ANWB-route van de Tachtigjarige Oorlog?

Hij zou in een zomervakantie met een beetje goede wil zelfs te fietsen zijn: landelijke wegen, gezonde tegenwind, vriendelijke dorpen en stadjes waaraan je haast niet meer kunt zien dat ze meer dan vierhonderd jaar geleden in een strijd op leven en dood zijn veroverd, belegerd, geplunderd, half platgebrand of in naam van Oranje weer terugveroverd - en die er nu bij liggen alsof er nooit iets is gebeurd.

Een tocht langs Den Briel, Zierikzee, St. Annaland, Philippine, Bergen op Zoom, Breda, Geertruidenberg, Grave, Groenlo, Zutphen, Deventer, Coevorden, Steenwijk, Heiligerlee, Alkmaar, Naarden, Haarlem en Leiden! Niet meer de grootste of belangrijkste steden van het koninkrijk misschien. Maar ooit waren het vitale schakels in een keten van overwinning en nederlaag, van triomf en verschrikking, van vrijheid en onderdrukking, van hoop en misère. Er zijn liederen over gezongen, wandkleden voor geweven, gedichten aan gewijd, helden voor uitgeroepen, kronieken over volgeschreven - dus waarom laten wij ze eigenlijk links liggen?

Geschiedenis, zeggen ze wel eens, is wat mensen zich herinneren. Dit zou betekenen dat de geschiedenis nooit veel verder kan teruggaan dan iemands geboortejaar. Maar dan is er des te meer reden even stil te staan bij de kleine bespiegeling over de dood, die Karel van het Reve onder de titel Mijn eigen dood opschreef kort voor hij in 1999 overleed.

'Wonderlijk is', besloot hij dat mooie miniopstel, 'dat na mijn dood ook mijn herinneringen verdwijnen. Bij ons thuis kwam in de jaren dertig een Kominternagent, Karl genaamd, een Duitser. Het was een aardige man. Hij sprak altijd heel zachtjes, en rookte Egyptische sigaretten. Hij is tijdens de oorlog in Duitsland gearresteerd en onthoofd. Af en toe denk ik aan hem. Wie zal als ik dood ben aan hem denken?'

Dat zou het motto kunnen zijn voor onze sentimental journey langs al die plaatsen met hun rijke verleden: een reis die zich afspeelt in het heden, maar die tegelijkertijd langs herinneringen voert die al heel lang verdwenen leken, en die toch voortdurend weer zijn opgehaald.

Hoe rijdt een modern mens voor z'n eerste etappe in de Route van de Tachtigjarige Oorlog naar Den Briel, dat op de atlas en bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten officieel Brielle heet?

Via Rotterdam natuurlijk, want het stadje ligt aan de zuidkant van de Nieuwe Waterweg, vlak tegen de eerste petroleumhaven aan, op de rand van Europoort, en weliswaar op een ogenschijnlijk pastoraal dubbeleiland met de idyllische naam Voorne en Putten, maar we hoeven mekaar niks wijs te maken: Nederland heeft, op die vijf of zes in de Waddenzee na, al z'n eilanden allang aan de kant gedaan.

Waarom kom je in de grote stad Rotterdam nergens een bord tegen waar Den Briel op staat?

Hommage

Het is misschien een ouderwets idee dat dit een mooie hommage zou zijn geweest, van een dankbaar nageslacht. Maar niemand schijnt er ooit op te zijn gekomen.

Als je verstandig rijdt, hoef je trouwens helemaal niet door Rotterdam, want om de stad heen kom je er via Hoogvliet en Spijkenisse ook. Toch is het tekenend voor de eerbied die 's lands bewegwijzeraars voor hun eigen verleden koesteren dat er pas naar Den Briel wordt gewezen als je er al bijna bent. In 1928, toen de Olympische Spelen in Amsterdam werden gehouden, heeft de ANWB in het hele land op elke wegwijzer nog een apart oranje plaatje gesoldeerd met de naam van de hoofdstad er op. Een gebaar. Zou Den Briel, waar in zekere zin de staat der Nederlanden werd geboren, niet net zoiets hebben verdiend? Maar voor de wielrijdersbond begint de jaartelling waarschijnlijk pas bij de uitvinding van de fietspomp.

Een eigenwijs alternatief is misschien nog om zuidelijk van Rotterdam de tweebaansweg van Oud- naar Nieuw-Beijerland te nemen. Niet alleen omdat je dan even door landschap rijdt, wat in het nieuwe Nederland ook bijna helemaal is afgeschaft - maar vooral ook omdat je van Nieuw-Beijerland nog met een veerpont van vroeger over het Spui kunt, en een haast lijfelijk gevoel van water ervaart.

Want dat is en blijft de essentie van het oude, het 16de eeuwse Nederland: dat daar geen wegen, laat staan autowegen waren, dat bruggen een onvoorstelbare luxe betekenden, en dat zeker in deze hoek van het land alle water nog zeewater was, dat wil zeggen niet-gedomesticeerd water, maar wild en woest en alleen door eb en vloed geregeerd, zoals onzelieveheer het bedoeld moet hebben toen hij het in boze buien nog meedogenloos over onze akkers liet lopen.

Wie anders dan de Watergeuzen hadden over het door Alva getiranniseerde volk het wonder van de vrijheid kunnen voltrekken?

De verhalen zijn bewaard, dat wil zeggen: ze zijn opgetekend dus in de herinnering gebleven, maar ze zijn in de verbeelding van de optekenaars ook meteen uitvergroot, vervormd, een beetje opgevrolijkt, aangelengd met halve waarheden, omdat de ene getuige er nog iets bij verzon dat de tweede niet meer kon verifiëren bij gebrek aan overlevenden, dus maar overnam, enzovoort, enzovoort, enzovoort - totdat in oude kronieken en geschiedenisboeken een toedracht bezonk die op z'n mooist voor de helft klopt.

Zo gaan die dingen. En zo moeten ze ook gaan, anders krijgen ze nooit de legendarische, mythische of sprookjesachtige grandeur waar grote gebeurtenissen recht op hebben omdat ze anders klein blijven. En we zijn tenslotte al zo klein.

De Watergeuzen kwamen overigens niet in Den Briel terecht omdat ze dat van plan waren geweest. Het was in feite stom toeval. In Engelse havens waren ze niet meer welkom, omdat koningin Elizabeth I even geen ruzie met de Spanjaarden kon gebruiken, en Filips II had geëist dat ze zich van het heidens piratenvolk zou ontdoen.

Dat het zeeschuimers waren, stond natuurlijk als een paal boven water. Ze hadden zich een beetje geadeld met het alibi dat ze een deel van wat ze hadden geschuimd naar Willem de Zwijger zouden sturen, die in Dillenburg z'n halve bezit al had beleend, maar voor bevrijdingslegertjes steeds nieuw geld nodig had. De prins had zelfs kapersbrieven voor ze uitgeschreven, en een 'convenant' laten opstellen over de verdeling van de buit. In z'n vrome eerzucht om waarlijk de vader des vaderlands te worden, had hij desnoods een contract gesloten met de duvel en z'n ouwe moer.

Piraten

Zonder Engelse thuishaven gaven de geuzen zich des te ongegeneerder over aan puur piratendom, en daar wilden ze zich in de vroege ochtend van 1 april 1572 ook volop mee bezig houden. Op weg naar het welvarende Enkhuizen dat wel een plunderbeurt waard leek, werden de twintig scheepjes van hun vloot, onder bevel van Willem van der Marck, heer van Lumey, door een straffe noordenwind gedwongen rechtsomkeert te maken, en langs de Noordzeekust een andere plek te zoeken waar iets te halen viel. Zo kwamen ze voor Den Briel, en zo werden ze opgemerkt door de veerman Jan Pieterszoon Coppelstock, die net met een gezelschap kooplui van Maaslandsluis naar Den Briel roeide, toen hij onderweg ineens al die scheepjes zag liggen, en al die geuzenvlaggen aan hun masten zag wapperen.

En dan lezen we bij de 19de eeuwse Amerikaan John Lothrop Motley, die omstreeks 1860 zeven bewonderende delen volschreef over de heroïsche opstand van het dappere kleine Nederland tegen het euvele grote Spanje:

'Na het aan de wal zetten van de kooplieden, die zich haastten het bericht van een dreigenden inval te verspreiden en tot tegenweer of vlucht aanstalten te maken, roeide de kloeke veerman, die heimelijk de zaak der vrijheid aanhing, naar de vloot om hare bedoelingen te vernemen.'

Je leest het - van een buitenlander nota bene - en je voelt oud Nederlands bloed door je aderen vloeien.

De geschiedschrijver Motley baseerde zich overigens goeddeels op het verslag van de Utrechtse notaris Pieter Bor, die aan het eind van de 16de eeuw (hij leefde van 1559 tot 1635) als een Lou de Jong avant la lettre heel precies de 'bezettingsgeschiedenis' van onze toenmalige Republiek heeft onderzocht en vastgelegd. Bij Bor lees je ook zo gedetailleerd mogelijk hoe het in Den Briel verder moet zijn gegaan.

Aangekomen bij de geuzenvloot, trof Coppelstock de hoogste officier na admiraal Lumey, en dat was waarachtig iemand die hij kende: Willem Bloys van Treslong, de zoon van de vroegere baljuw van Voorne. Dat was nou eens niet een dom, maar een gelukkig toeval. Want Lumey koesterde als bevelvoerend admiraal eigenlijk geen ander plan dan een kort en krachtig bezoek aan Den Briel: even aan land, even snel een paar nonnen en zwartrokken over de kling jagen, even de nodige proviand roven (want aan boord hadden ze niet veel meer te eten), en wegwezen.

Bloys daarentegen wist hem het idee aan te praten de stad op te eisen, en vervolgens in naam van Oranje ook veroverd te houden; dan hadden ze, na de brouille met de Engelse koningin, tenslotte weer een vaste haven.

Voor de uitvoering van dat plan kwam Coppelstock als geroepen. Bij wijze van geloofsbrief gaf Bloys hem zijn diamanten ring mee, en daarmee roeide de veerman terug naar de wal, bracht de boodschap over aan de even vroede als bange vaderen in het stadhuis, en loog daarbij dat buitengaats niet een paar honderd, maar vijfduizend mannen klaar lagen om de stad te tuchtigen, waarop meer dan de helft van de bewoners de benen nam.

Mishandeling

Nog één keer Motley, over de ontknoping: 'In naam van de prins van Oranje als wettige stadhouder van Filips, nam de admiraal de bijkans ontvolkte stad plechtig in bezit. Generlei mishandeling werd de inwoners aangedaan. Maar zodra de overwinnaars zich in de beste huizen van de stad hadden gelegerd, konden zij de lust om kerken te plunderen niet bedwingen. De altaren en beelden werden vernield, de kostelijke sieraden en misgewaden geroofd. Adam van Haren vertoonde zich op het dek van zijn schip uitgedost in een prachtige albe. Treslong gebruikte in zijn kajuit voortaan geen andere drinkbekers dan de gouden kelken van het Sacrament.'

Eerbied voor de andersdenkende was onder de volgelingen van Calvijn niet erg ontwikkeld. Maar de brandstapels van Alva hadden bewezen dat de onverdraagzaamheid wederzijds was.

In Den Briel zijn de sporen nog altijd half zichtbaar. Je vindt er niet alleen het begin van de glorie, maar ook het begin van de keerzijde van de glorie, het begin van de haat en de nijd en de wraak en de onverzoenlijkheid, het begin van wat de Tachtigjarige Oorlog vooral ook was: een oorlog tussen katholieken en protestanten.

In het Briels Museum staat een als pop uitgezaagde houten Lumey, met een knopje in de buurt van z'n navel waarop je kunt drukken om naar een gesproken portret te luisteren van de man die kort na de 'luisterrijke bevrijding' van Den Briel via Maas, Waal en Merwede naar Gorinchem doorzeilde om vandaar negentien priesters, pastoors, monniken abten en minderbroeders mee terug te nemen naar de net veroverde stad. In Den Briel probeerde hij ze onder de verschrikkelijkste folteringen tot afvalligheid te dwingen, en toen dat niet lukte, liet hij ze op een gruwelijke manier ombrengen.

Aan de tekst die uit de buik komt, kun je horen dat ze er in Brielle nog altijd mee in hun maag zitten. Hoe karakteriseer je een nationale held die eigenlijk een brute, onmenselijke moordenaar was?

Om de houten museumpop heen staan de bewijzen van roomse rouw naast gereformeerde triomf. De jubel van de 1 april-vieringen (die van 1872 moet het luidruchtigst zijn geweest) naast het erbarmen met de brave martelaren. De herinnering aan de geuzenschenderij naast de devote bidprenten. De patriottenjubel naast het stille zielsverdriet.

Een klein eindje buiten de gemeentekom, langs het watertje de Rik, verrijst op het zogenaamde Martelveld de Bedevaartskapel van de Martelaren van Gorcum: een rooms memento dat als een ernstig en nogal kitscherig stenen verwijt de protestantse Briellenaren - ver in de meerderheid - de schurkenstreken van hun voorvaderen blijvend inpepert.

Als de reiziger aan het eind van z'n eerste etappe Brielle verlaat langs de kapel waar sinds hun heiligverklaring in 1867 nog dagelijks voor de slachtoffers van Lumey wordt gebeden - kan hem één historische waarheid niet meer ontgaan. De Tachtigjarige Oorlog was behalve een vrijheidsoorlog en een godsdienstoorlog, ook nog eens een burgeroorlog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden