BeschouwingBloemlezingen Renate Rubinstein

Op haar 30ste sterfdag is Renate Rubinstein nog altijd ongeslagen in haar genre

Als columnist bracht Renate Rubinstein een hele generatie vrouwelijke epigonen voort. Bij herlezing in haar 30ste sterfjaar blijkt: veel van haar werk kan zo wéér in de krant.

Beeld Claudie de Cleen

Ooit gold Renate Rubinstein (1929-1990) als de ongekroonde koningin van wat tegenwoordig de grachtengordel heet. Bijna drie decennia lang schreef ze onder de naam Tamar een column in weekblad Vrij Nederland, destijds een uiterst prestigieuze post. Ze kende iedereen die ertoe deed (‘Annie S., de schrijfster’) en haar opinies lieten weinigen onberoerd. Bovendien zag ze niet op tegen een fikse vete. ‘Als mensen zich niet meer kwaad maken’, zei ze eens in een interview, ‘moet je je afvragen waarom je nog schrijft.’

Rubinstein bracht een hele generatie epigonen voort – veelal vrouwelijke columnisten die net als zij het particuliere losjes trachten te verbinden met het algemene. Toch blijft de oermoeder van het genre tot op de dag van vandaag ongeslagen. Het verschil: zij had niet alleen (meestal) werkelijk iets te melden, ze bezat ook nog eens stilistische scherpte. Vandaar dat zo veel van haar stukken zo goed tegen herlezing zijn bestand.

Dat blijkt eens te meer uit de twee bloemlezingen die deze week ter gelegenheid van haar 30ste sterfdag verschenen. Bange mensen stellen geen vragen, samengesteld en ingeleid door Ronit Palache, heeft ‘autonomie’ als rode draad, gegroepeerd rond thema’s als ‘Jonge jaren’, ‘Feminisme’ en ‘Liefde’. Een man voor de zomer, samensteller ongenoemd, bevat uitsluitend stukken die over de liefde gaan. Overlappingen zijn uiteraard onvermijdelijk.

Autobiografisch

Tot Rubinsteins beste proza behoort het ronduit autobiografische werk. Allesbepalend voor haar persoonlijkheid (zelf zou ze het begrip tussen aanhalingstekens zetten) was de verdwijning van haar vader, een naar Amsterdam uitgeweken Berlijnse Jood die al in 1940 werd opgepakt. Hij zou, zoals dat heet, niet terugkeren. Met haar niet-Joodse moeder bleef de verhouding getroebleerd, naar haar vader zou ze levenslang heimwee houden. In 1965 schreef ze in een wonderschoon Tirade-stuk: ‘Weer elf zijn en hij drieënveertig, en elkaar nog eenmaal terugzien – in welk hiernamaals kan dit recht gedaan worden? Het kan niet, kan niet, kan niet. En alle vooruitgang die in de wereld mogelijk is verbleekt tegenover deze onmogelijkheid van achteruitgang.’

Zoals Rubinstein zelf niet afliet te benadrukken had de nooit teruggekeerde vader grote invloed op haar (turbulente) liefdesleven. Zo dook hij op in het nog steeds fantastische echtscheidingsboek Niets te verliezen en toch bang uit 1978. Ook kwam hij veelvuldig ter sprake in Mijn beter ik, bedoeld als ‘monumentje’ voor Simon Carmiggelt. ‘Hij met zijn gave voor het vaderschap, ik met het verlangen naar mijn vader, we pasten bij elkaar als een deksel op een potje.’ Met deze ‘meest getrouwde schrijver van Nederland’ had Rubinstein acht jaar lang een clandestiene verhouding. De postume onthulling ervan in 1991 leidde tot een verontwaardiging die zich nu nauwelijks meer laat navoelen. Eerlijker, genadelozer en ontroerender is de liefde zelden beschreven.

Mij viel trouwens bij herlezing pas op hoe bewust het duo zich was van de eigen importantie. Ze bewaarden elkaars correspondentie zorgvuldig, ook met het oog op latere openbaarmaking. Carmiggelt: ‘Ik zal je stem missen en je gezicht en – nou ja, laten we in het belang van het Letterkundig Museum later de tekst een beetje netjes houden. Ik kus je op vindingrijke wijze.’ Vast ironisch bedoeld, maar toch.

Als zo veel van haar generatiegenoten zocht Rubinstein soelaas op de sofa. Juist in haar tijd begon het psychoanalytische denken uit de mode te raken. Zij bleef eraan vasthouden, naar eigen zeggen omdat dit ‘boeiende interpretatiespel’ haar ‘van nature’ lag. ‘Ik ben gek op het leven dat als een boek op mij afkomt.’ Freud maakte immers van je bestaan een roman waarin niets overbodigs gebeurt en alles zijn functie heeft, ‘mits juist geduid’. Totdat de domme pech haar leven binnensloop. Ze kreeg de diagnose multiple sclerose en verplaatste zich voortaan door Amsterdam in een felrood invalidenautootje. Na lang zwijgen zou ze in Nee heb je (1985) indringend over haar ziekte schrijven. ‘Als boek komt mijn leven mij nu chaotisch voor. In plaats van een plot waarin alles klopt, komt er een reeks onsamenhangende gebeurtenissen die geen bedoeling hebben. Als het een boek is, ben ik er een bijfiguur in geworden, als het een huis is, ben ik er een logee in.’

Tegen de opinions chics

Alleszins lezenswaard blijven daarnaast de stukken waarin ze tekeerging tegen de opinions chics van haar tijd. Die merkwaardige paradox heeft Rubinstein gemeen met een geestverwante denker als Karel van het Reve (1921-1999). Ook zijn beste proza overstijgt moeiteloos de actualiteit van waaruit hij het schreef.

Rubinstein had in actuele kwesties vaak, maar niet altijd gelijk. Befaamd is haar uitglijder in de affaire rond Friedrich Weinreb, een orthodox-Joodse econoom en mysticus die een zeer bedenkelijke dubbelrol speelde onder het naziregime. Zij bleef hem in de polemiek die ontstond maniakaal verdedigen en weigerde op haar standpunt terug te komen, ook toen haar ongelijk allang was aangetoond. In een interview verklaarde ze dat Weinreb net als haar vader óók een Joodse immigrant was ‘die niet geloofd werd’ – dus vandaar. Hoe begrijpelijk ook, het blijft een magere argumentatie.

Renate RubinsteinBeeld HH / ANP

Wel heel raak was wat ze al in 1965 schreef over het vraagstuk of je standbeelden van koloniale schurken omver moest halen. Rubinstein: ‘Dat zou verkeerd zijn, niet omdat het de voorvaderen zou onteren, maar omdat het voor ons te veel eer zou zijn. Wij zijn nu eenmaal niet een volk dat door de eeuwen heen het militarisme heeft geschuwd en de dappere maar kleine man heeft geëerd. Het zou geschiedvervalsing zijn om het anders voor te stellen.’

Ook haar tirades tegen de vrouwenbeweging zou je zo weer kunnen plaatsen. ‘Er is in dat feminisme haast nooit iets dat ik herken, behalve dwang en die was ik juist ontgroeid.’ Rubinstein had een scherp oog voor misplaatste mannelijke superioriteit, maar van het omgekeerde moest ze even weinig weten. ‘Waar ik een hekel aan heb zijn die artikelen waarin vrouwen zichzelf ophemelen en ons wijsmaken dat zij, als zij in de positie van mannen waren, alles heel anders en beter zouden regelen. (…) Geef liever toe dat we precies hetzelfde zouden doen en willen doen.’ 

In een ander stuk stort ze zich op de ook nu nog springlevende misvatting dat vrouwen er in het land der letteren niet aan te pas komen: ‘Voor een vrouw die onbenullig schrijft, is niet meer excuus dan voor een man.’ En al was de term onbekend, feilloos fileerde ze het identiteitspolitieke denken dat aan dit type feminisme ten grondslag ligt. ‘Een individu is niet te reduceren tot zijn essentie als man of vrouw, neger of blanke, Duitser of Fransman, christen of Jood, arbeider of bourgeois (…).’ En iedereen die politiek bedrijft zou ‘er goed aan doen van dit standpunt uit te gaan’.

Minder goed bevielen mij nu de babbelachtige stukjes over pakweg roddelen, goede smaak of overspel – al tref je zelfs daarin soms pareltjes aan. Bijvoorbeeld over de gezelligheid van het reizen per eerste klas: ‘Er heerst daar toch meestal een prettige sfeer: overal om je heen lezen ze Vrij Nederland, soms ook De Groene. Terwijl in de tweede klas, daar zie je alleen De Telegraaf. Daar reist het hele reactionaire klootjesvolk waartegen wij, in de eerste, onze revolutie voorbereiden.’

Afgelopen zaterdag was Hans Goedkoop – hij werkt al jaren aan haar biografie – te gast bij De Taalstaat op NPO Radio 1. Wanneer zijn boek eindelijk komt, vroeg presentator Frits Spits. ‘Het is klaar als het af is’, antwoordde de biograaf. Ik kan niet wachten.

Beeld Augustus / Atlas Contact
Beeld De Arbeiderspers

Renate Rubinstein: Een man voor de zomer – Over de liefde. Augustus / Atlas Contact; 416 pagina’s; € 25.

Renate Rubinstein: Bange mensen stellen geen vragen. Samengesteld en ingeleid door Ronit Palache. De Arbeiderspers; 510 pagina’s; € 27,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden