Op gespannen voet met Dickens

Van de plot moet Zware tijden (1854) het niet hebben, evenmin van de zwart-witcontrasten. Toch blijft Charles Dickens een duivelskunstenaar, vindt L.H....

In een vorig leven ben ik leraar Engels geweest en heb uit dien hoofde ook de schrijver Charles Dickens zijn rechtmatige plaats in de wereldliteratuur trachten te geven. In mijn studietijd heb ik op de rotsen in Broadstairs Bleak House bezocht, waar Dickens heeft gewoond en zijn gelijknamige roman situeert, ik heb in Rochester voor Gad’s Hill Place gestaan, het monumentale landhuis waar de kleine Charles in zijn jeugd met ontzag naar had staan staren en dat hij later zelf verwierf. Ik heb het graf gezien van zijn tamme raaf Pip (Here lies Pip, the best of birds) die op een ondoordacht moment een hap verf had genomen en ik ben in het bezit van een eerste druk, goud op snee, van The Pickwick Papers, een in leer gebonden boekwerk uit 1837, dat bijna een kilo weegt, en met achterin een origineel omslag van de oorspronkelijk feuilletonuitgave, voorzien van de handtekening van Godfried Bomans, om een en ander te bevestigen.

Toch moet ik bekennen dat ik met het werk van Charles Dickens altijd op nogal gespannen voet heb gestaan. Ik ben nooit lid geworden van de Dickens Fellowship, zoals mijn moeder en die eerste druk van The Pickwick Papers heb ik van haar geërfd. De verering voor zijn werk niet.

In deze bespreking van Hard Times, heel mooi vertaald door Eugène Dabekaussen en Tilly Maters (al is sweetbread volgens mij geen gehaktbrood, maar kalfszwezerik en lijkt mij de zin ‘hij is het zout in de pap niet waard’ gebrekkig Nederlands) wil ik middels een beknopte analyse van dit werk enerzijds recht doen aan de kwaliteiten ervan en anderzijds mijn geringe affiniteit met Dickens’ schrijverschap van enige argumenten voorzien.

Met Zware tijden verklaart Charles Dickens de oorlog aan het zogeheten utilitarisme, een sociaal-economisch systeem, waarvan de rechtsfilosoof Jeremy Bentham de oorspronkelijke pleitbezorger was, met later als voornaamste voorvechter de filosoof John Stuart Mill, in wiens kamp Thomas Malthus (The greatest happiness for the greatest number) en Adam Smith (The Wealth of Nations) zich zeer thuis voelden. Utilitarianism vormt de bakermat van het liberalisme, maar werd door de industriële revolutie een splijtzwam tussen arm en rijk, tussen de fabrieksarbeiders (the Hands) en de bezittende klasse. Aartsvijand van het utilitarisme was Thomas Carlyle, die in zijn boek Signs of the Times van leer trok tegen de ontmenselijkende Mechanical Age.

Dickens heeft Zware tijden aan Carlyle opgedragen, maar trekt in het boek over een veel breder front op dan zijn medestander. Het utilitarisme is in dit verhaal niet slechts schuldig aan de erbarmelijke omstandigheden waarin fabrieksarbeiders moesten leven en werken, maar is zelfs doorgesijpeld naar de meedogenloze opvoeding van kinderen, die ieder plezier en iedere ontspanning als loos tijdverdrijf behoren te vermijden, die iedere creatieve fantasie als nutteloos moeten verwerpen en die alleen maar mogen leren rekenen in feiten en functies. En daar komt dan een nieuwe lichting personages op je af, marionetten aan de vingers van een magiër, die ze laat bewegen in een plot dat van onwaarschijnlijkheid uit elkaar valt en daarnaast druipt van sentimentaliteit.

We zien Thomas Gradgrind, streng schoolhoofd en vader van Louisa en Tom, die iedere verbeeldingskracht in de ontwikkeling van zijn kinderen smoort. We zien een dissidente leerling, Sissy Jupe, dochter van een circusdirecteur en begiftigd met veel menselijke warmte en een vrije fantasie, die door Gradgrind eerst van zijn school verwijderd dreigt te worden, maar dan ter hervorming in zijn gezin wordt opgenomen.

We zien de bullebak Bounderby, een gevoelloze bankier en fabrieksdirecteur van middelbare leeftijd, die de dan twintigjarige Louisa tot zijn echtgenote weet te verschalken, met de suggestie dat haar egoïstische nietsnut van een broer, Tom, in dat geval carrière kan maken bij zijn bank. We zien dat er van enige liefde tussen Bounderby en Louisa geen sprake kan zijn, aangezien Bounderby alleen aan zichzelf denkt en Louisa niet weet wat liefde is. We zien een harteloze booswicht op het toneel verschijnen, Jem Harthouse, die Louisa het besef bijbrengt dat een hart niet slechts bloed hoeft te pompen, maar ook een symbool van liefde kan zijn. We zien daarop Louisa naar huis terugkeren, om haar vader te verwijten de schuld te zijn van heel haar ongelukkig leven, waarna ze tot een vormeloze hoop ineenzijgt en het bewustzijn verliest. We zien hoe Thomas Gradgrind zich vervolgens vierentwintig uur lang in zijn kamer opsluit en zich dan weer vertoont aan de wereld, a sadder and a wiser man.

De kleuren in dit boek zijn zwart en wit, de karakters zijn slecht of goed. Gradgrind, Bounderby, Harthouse en Tom zijn slecht, Sissy, Louisa en de simpele fabrieksarbeider Stephen Blackpool, met zijn onvermijdelijke spraakgebrek, zijn goed. En hoewel het goede in de minderheid is, wordt het kwade uiteindelijk toch overwonnen, al heeft Stephen Blackpool de pech dat hij in een zwart gat stapt, in casu een verlaten mijnschacht, en sterft. Thomas Gradgrind komt tot inzicht, zijn systeem heeft gefaald en hij vraagt om vergeving.

Charles Dickens schreef in de Victoriaanse romantraditie, waarin seksuele handelingen altijd ongenoemd bleven en waarin het melodrama en de opgerekte coïncidentie niet geschuwd werden, eerder toegejuicht, maar passages als: ‘Vergeef me, heb medelijden met me, help me! Heb erbarmen met mij in mijn grote nood en laat me mijn hoofd op dit liefdevolle hart leggen!’ ‘O, doe dat! riep Sissy. ‘Doe dat, lieverd’, waarmee Hoofdstuk 1 van Boek Drie eindigt, zijn niet aan mij besteed.

En als de kwaadaardige losbol Jem Harthouse, die zijn zinnen gezet heeft op de langzaam onder zijn machinaties bezwijkende Louisa, zich geheel bekeert en berouwvol vertrekt, na het vermanende gesprek dat de lelieblanke Sissy met hem heeft, dan kost het mij wel enige moeite om mijn ongeloof op te schorten.

De vermaarde criticus F.R. Leavis wijdt in zijn boek The Great Tradition (1948) een hoofdstuk aan Hard Times en merkt over juist deze scène op: The quiet victory of disinterested goodness is wholly convincing. En men gelooft zijn ogen niet. Shakespeare had dit gesprek een ander verloop gegeven, evenals Gustave Flaubert, daarvan ben ik overtuigd, bij hen had Sissy het pand als herboren verlaten, maar niet als maagd.

Ik verklaar hier onomwonden dat Charles Dickens in mijn ogen wel degelijk een groot schrijver is, een literaire duivelskunstenaar zelfs, met een fenomenaal creatief vermogen, een scherp gevoel voor humor en een immer smeulende ironie. Niemand beter dan hij kan een los personage neerzetten, geheel en al levend in een particuliere wereld en in een ondoordringbaar isolement. En geen schrijver in de Engelse taal kan hem overtroeven in woordkunst. En in deze mening word ik gesterkt door niemand minder dan Dr. F.R. Leavis: The final stress may fall on Dickens’ command of word, phrase, rythm, and image: in ease and range there is surely no greater master of English except Shakespeare.

En zo is de cirkel dan toch weer rond.

Rest mij te vermelden dat Zware tijden is verschenen in de serie L.J. Veen klassiek, die inmiddels vijfenveertig titels telt en uitermate verzorgd is vormgegeven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden