geschiedenis brieven WO1

Op de zolder van Mies komt soldaat César letter voor letter weer tot leven

César Vincent in zijn soldaten­uniform, ­nazomer 1914. Beeld Sas Schilten

De Franse buurman van Mies Haage had op zolder nog wat brieven liggen uit de Eerste Wereldoorlog. Wilde ze die misschien een keer zien? Het was het begin van vijftien jaar onderzoek naar meer dan 3.000 oude brieven, die Haage stuk voor stuk ontcijferde.

I.

César Vincent is meer dan honderd jaar dood, maar op de zolder van Mies Haage, aan haar bureau, weggestopt achter de hanenbalken, lijkt hij springlevend. Onder een grote verlichte leesloep bestudeerde Haage, gepensioneerd docent Nederlands en Portugees, meer dan 1.500 brieven die César schreef en ontving aan het front in de Eerste Wereldoorlog, plus nog eens 500 vooroorlogse brieven en twee pakketten met respectievelijk 800 en 200 brieven van soldaten uit hetzelfde dorpje als César – Crupies, in het departement Drôme, 40 kilometer ten oosten van Montélimar.

Soldatenbrieven uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog duiken vaker op, maar een vondst als die van Haage is zeldzaam: 3.000 brieven uit één dorp, en niet alleen de brieven van de soldaten zelf, maar ook de antwoorden.

‘Zo’n grote verzameling brieven is heel ongebruikelijk’, zegt dr. Stephen Davies van het Canadian Letters & Images Project van Vancouver Island University – een van de grootste collecties soldatenbrieven in de wereld. ‘In de negentien jaar dat ik hier directeur ben, heb ik zoiets nog niet meegemaakt.’

‘Ik was gewoon nieuwsgierig en van het een kwam het ander’, zegt Haage. Dat die nieuwsgierigheid zou uitdraaien op een bijna wetenschappelijk onderzoek en een speurtocht die het niveau van de gemiddelde amateur-historicus ver te boven gaat, wist ze van tevoren ook niet.

Brief voor brief, woord voor woord en soms letter voor letter spelde Haage de afgelopen vijftien jaar de correspondentie. Soms duurde het tien, hooguit twintig minuten om de inhoud te ontcijferen, voor andere brieven had ze langer nodig. Soms zelfs dagen. De ene keer was het niet meer dan een kattebelletje, de andere keer ging het om een heel epistel. Ansichtkaartjes waren soms tot de laatste millimeter volgeschreven – elk stukje wit, tot aan de wolkenluchten op de voorzijde. Soms waren de brieven aangevreten door muizen en waren tussen de gaten alleen een paar losse woorden over. Iedere brief transcribeerde ze zo zorgvuldig mogelijk op het oude pc’tje op haar bureau.

Die transcripties zijn van enorm historisch belang, zegt de Engelse schrijver Jacqueline Wadsworth. Zij bundelde in 2014 Britse brieven uit de Eerste Wereldoorlog in het boek Letters from the Trenches. ‘César leefde in een andere tijd, maar je kunt zijn verhaal nu in zijn eigen woorden lezen. Hij staat voor ons als een echt mens – niet als een fictief karakter uit het verleden.’

Mies Haage met transcripties van de brieven op haar zolder in Leende. Beeld Sas Schilten

II.

Als je ’s avonds buiten zit in Crupies, hoor je niets. De stilte wordt alleen verstoord door krekels en af en toe een hond die aanslaat in de verte. Het is er zo donker dat je de meeste nachten de Melkweg kunt zien. Op zo’n stille avond, een jaar of vijftien geleden, zaten Mies Haage en haar partner Nort Liebrand op het terras van hun vakantiehuisje in het dorp. Buurman Lionel Vincent, een man met een flinke bos bruingrijze krullen, was aangeschoven voor een glas wijn en Haage vertelde hoe ze op weg naar Zuid-Frankrijk waren gestopt in Verdun.

‘Verdun, daar ligt een oudoom begraven’, zei Lionel. ‘Ik heb nog oude brieven van hem liggen, als je dat interessant vindt.’

Niet veel later stonden Haage en Liebrand op de open zolder van zijn boerenschuur, tussen het stof en spinrag. Uit een houten kist pakte Lionel een grote witte envelop met daarin een pakket van 25 brieven. ‘Kijk hier maar eens naar’, had hij gezegd.

‘Ik heb de brieven eerst maar eens afgestoft. Buiten op het terras, heel voorzichtig. Daarna ben ik ze gaan lezen’, vertelt Haage, thuis aan de keukentafel in Leende. Schuin voor haar ligt een zwarte lederen map met papieren, de samenvatting van meer dan vijftien jaar onderzoek. 3.000 brieven en kaartjes las ze in die tijd.

Toen ze de eerste brieven had gelezen, deed Haage iets waaraan de meeste mensen nooit zouden denken: ze maakte transcripties. Woord voor woord spelde ze wat er stond. Als de muizen het papier hadden opgegeten, als de inkt was uitgelopen (‘Soms zat César te huilen boven z’n brieven’) of als het handschrift niet te ontcijferen was, schreef ze simpelweg ‘Onleesbaar’.

Nadat Lionel de transcripties had gelezen, was zijn reactie kort: er is nog meer.

Even later stonden Haage en Lionel opnieuw op de zolder van de boerenschuur, en opnieuw opende Lionel de houten kist – een stevige, lichtblauw geverfde hutkoffer die bijna tot de rand gevuld bleek te zijn met brieven, brieven en nog eens brieven. Bijna 2.000 in totaal, waarvan ongeveer 1.500 waren geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog.

‘Al die brieven hadden al die tijd in het donker gelegen. Ik was bang dat de inkt zou verbleken onder lamplicht en het papier was soms in verschrikkelijke staat. Ik wist wel dat ik iets moest doen om ze te conserveren, maar ik had geen idee wat precies’, zegt Haage. Ze benaderde de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag voor advies: wat moet je doen om een honderd jaar oude brievenschat te beschermen? Ze kocht speciale zuurvrije mapjes en kartonnen dozen en een paar stevige stalen archiefkasten om het werk in te bewaren. Daarna deed ze wat ze bij de eerste brieven ook had gedaan: ze stofte ze buiten op het terras zo voorzichtig mogelijk af, ze legde ze op de keukentafel op volgorde, maand na maand, jaar na jaar, en begon ze zo zorgvuldig mogelijk te transcriberen, te beginnen bij de eerste brief, van César Vincent aan zijn moeder, geschreven in Briançon in de nazomer van 1914.

Kaarten werden vaak tot de laatste millimeter volgeschreven om portokosten te sparen. Beeld Sas Schilten

III.

César Vincent was boer. Met zijn moeder hield hij een familiebedrijfje op de hellingen rond Crupies. Een handvol koeien, wat kleinvee en een paar akkertjes met graan. Toen in 1909 zijn vader overleed aan de tyfus, werd hij als oudste zoon verantwoordelijk voor de boerderij. Heel veel stelde het allemaal niet voor, maar toen hij bij de volkstelling van 1911 een profession moest opgeven, schreef hij trots: ‘cultivateur’. César was 17 jaar en hij was boer. En toen werd het oorlog.

Net als miljoenen andere Franse jongens en mannen werd César in de zomer van 1914 opgeroepen als soldaat. Een stoomtreintje bracht hem begin september naar Briançon, hoog in de Alpen, waar hij als rekruut zijn militaire training kreeg. Op een foto uit die nazomer poseert hij in 19de-eeuws uniform, met een sabel losjes over z’n linkerschouder. Hij leunt een beetje achterover. Trots op z’n uniform, maar nog een beetje onzeker over die nieuwe identiteit, zo lijkt het. Hij had heimwee, schreef hij aan zijn moeder.

IV.

Er is niemand die César Vincent zo goed kent als Haage. Ze ontcijferde zijn brieven, ze transcribeerde de antwoorden die hij kreeg, ze las zijn militair dossier en ze volgde zijn weg langs het front – de Somme, de Pas-de-Calais, de Marne. ‘Een charmante jongen met veel vrienden. En vriendinnetjes. Maar ook een driftkikker die een ruzie kon beginnen om niks.’

César schreef in zijn brieven geregeld over burenruzies die na een eeuw nog steeds doorsudderden. Over erfafscheidingen, waterbronnen en andere zaken die onbelangrijk lijken tussen de granaatexplosies en de machinegeweren, maar die hem misschien wel houvast boden in een gek geworden wereld. Het is beter je op te winden over dingen die ongevaarlijk zijn. Toen Haage aan de brieven begon, sprak Lionel een van z’n buren aan: misschien moeten we het maar eens bijleggen.

In Crupies begon rond te gaan dat Haage bezig was met oude brieven. Een van de dorpsbewoners benaderde haar. Had ze misschien belangstelling voor de briefwisseling van zijn grootouders? Niet veel later stond ze opnieuw te stoffen op het terras en zat ze daarna opnieuw te sorteren aan de keukentafel van haar vakantiehuisje. 800 brieven waren het dit keer, van de 38-jarige soldaat – en boer – Edouard Achard en zijn vier jaar jongere vrouw Louise.

Niet lang nadat Haage het tweede pakket brieven had gekregen, werd ze benaderd door een achternicht van buurman Lionel. Zij had de correspondentie van haar grootouders in bezit, Emile Arnaud en Marie Vincent, het zusje van César, een verzameling van nog eens 200 brieven.

Tussen het stof en spinrag op de zolder van Lionel Vincent vond Mies Haage de beschadigde helm van César. Op 30 september 1915 beschreef hij in een lange brief aan zijn moeder de gevechten waarbij zijn helm gedeukt raakte: ‘We brengen de nacht door in onze stellingen. De volgende dag beginnen de gevechten opnieuw. Rond het middaguur is er een vijandelijke tegenaanval. (…) Het regent granaatscherven, opnieuw gifgas, de scherven fluiten overal om ons heen. Eén scherf maakt een gat in m’n helm, maar ik heb zelf niet meer dan een schram. Uiteindelijk is onze positie onhoudbaar en moeten we ons terugtrekken.’ Beeld Sas Schilten

V.

‘Kijk, dit’, zegt Haage en vist een verkleurd, gekreukeld velletje uit een van de zuurvrije mappen. Het papier is volgekriebeld met vage potloodletters. De grote loep maakt het iets beter leesbaar, maar het blijft spijkerschrift. ‘César had een mooi handschrift. Meestal zijn z’n brieven goed leesbaar, maar dingen die hij met potlood schreef aan het front, zijn soms bijna niet meer te ontcijferen.’

In de zomer van 1914 was César een wat naïeve, misschien zelfs bangige jongen. Hij miste z’n moeder en hij miste Crupies. Dat veranderde in de loop van de oorlog. César werd volwassen en raakte hoe langer hoe meer teleurgesteld in de oorlog, in de bevelhebbers en in Frankrijk.

Haage trekt zonder lang na te denken een archiefdoos uit de kast en bladert even om het juiste mapje te vinden. ‘Hier, dit’, zegt ze. ‘Begin 1917 lag César drie maanden in het ziekenhuis, waarschijnlijk vanwege tuberculose. Dit schreef hij toen hij terug moest naar het front.’

Ze leest voor, in het Frans: ‘Ik ben heel treurig en geërgerd want ik ben nog helemaal niet beter, maar ik moet terug, terug om me te laten doden. Zijn wij nou een Republiek? Een Republiek van gerechtigheid en gelijkheid? Een democratische Republiek? Je zou beter kunnen zeggen een Republiek van onrecht en ongelijkheid. (…) Ik zou willen dat ik de Republiek en al degenen die ons zo slecht en zo schandelijk regeren, kon afzweren.’

Terug aan het front raakte César ontwricht. Vanaf het begin van 1917 ging hij, in de woorden van Haage, ‘vreemde dingen’ doen. Eerst verbrak hij in een kwade brief de vriendschap met zijn beste vriend omdat die een ansichtkaart naar Césars vriendinnetje had gestuurd. Daarna lijkt hij samen met een officier een zwarte handel in legerspullen te zijn begonnen. Toen hij in de zomer thuiskwam voor een kort verlof, maakte hij slaande ruzie met de knecht op de boerderij, een oudere man die altijd een vaderfiguur voor hem was geweest. De ruzie liep zo hoog op dat César driftig vertrok. Terug naar het front.

Een paar weken later was hij dood. In een dagrapport van zijn eenheid lezen we wat er is gebeurd: ‘Zwaargewond geraakt toen hij alleen voorwaarts ging naar een vijandelijk mitrailleursnest.’

César overleed drie dagen later, op 26 oktober 1917, in een veldhospitaal in Soissons, tussen Compiègne en Reims.

Na drie maanden in het ziekenhuis wordt César in maart 1917 teruggestuurd naar het front. Hij vindt dat hij nog niet is hersteld en schrijft zijn moeder over het onrecht dat hij voelt: 'Er bestaat hier alleen onrecht en ongelijkheid. Ik veracht deze republiek. Ik veracht Frankrijk en ik veracht degenen die ons regeren. Schandelijk.’ Beeld Sas Schilten

VI.

Op een militair begraafplaatsje net buiten Soissons vond Haage Césars graf, op 150 kilometer van Verdun. Na de oorlog hadden het leger en de Franse regering nooit de moeite genomen de familie te informeren over Césars laatste rustplaats. De familie nam maar aan dat hij was begraven in Verdun, de stad die in Frankrijk synoniem is aan de Eerste Wereldoorlog.

Bijna honderd jaar later was Lionel het eerste familielid dat Césars graf bezocht. Hij strooide er een handjevol aarde uit Crupies op uit en plantte er lavendelstruikjes van zijn akkers, dezelfde akkers die ooit van César waren.

Toen César overleed, erfde zijn jongere broer de boerderij, Lionels grootvader. ‘Soms ben ik aan het werk en denk ik: César, als jij niet was gesneuveld, dan stond ik hier nu niet’, vertrouwde Lionel Haage toe. ‘Dankzij jouw werk sta ik nu anders op mijn land.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden