Op de hurken geschreven Op de hurken geschreven

Hoe valt te verklaren dat grote auteurs als Amos Oz in hun sprookjes voor kinderen zo’n dweperige toon aanslaan? Moet hun volwassen werk soms opnieuw worden beschouwd?...

Als een groot schrijver, een schrijver wiens boeken men bewondert, ja, met wiens boeken men leeft, wiens stem een intieme stem geworden is, wiens personages vrienden werden of ten minste geestverwanten, ineens een boek lang begint te babbelen of, erger nog, te brabbelen, dan is dat een ontgoocheling die nog ontluisterender is dan wanneer een van je ouders geleidelijk aan steeds meer wartaal begint uit te slaan.

Besluit zo’n schrijver om alvast een voorschot te nemen op de onttakeling door zich nu eens niet tot zijn trouwe lezers te richten, maar tot diens kinderen of kleinkinderen, dan houd je je hart vast: wie met kinderen praat, gaat vroeger of later babbelen of, erger nog, een vermanende toon aanslaan. Zeker nu, nu ook schrijvers niet ontkomen aan de rage om voorbij de middelbare leeftijd nog eens aan een tweede worp te beginnen en in de beschamende roes van een opnieuw beleefde jeugd op hun oude hurken gaan zitten om hun kleine kinderen lastig te vallen met hun verhalen, grijze haren en een bittere adem boven de blokkendoos, mondt er een gestage stroom kinderboeken op de markt uit waarin serieuze auteurs zich aanstellen als seniele slijmballen. Het is een verschrikkelijk gezicht.

Hans Magnus Enzensberger, Amos Oz en Magda Szabó zijn grote schrijvers; zij behoren alle drie tot de grootste schrijvers van onze tijd. Alle drie hebben zij een machtig oeuvre op hun naam staan, een oeuvre waarover je met die vrienden, toen zij nog geen kinderen hadden, avondenlang kon discussiëren, eruit citeren, eruit voorlezen. Inmiddels zijn van alle drie ook kinderboeken in het Nederlands beschikbaar. Dat is vragen om moeilijkheden. Want een schrijver richt zich tot zijn lezers, gezeten aan een bureau of desnoods staand achter een lessenaar. Niet hurkend bij een po of liggend voor een box om een pruilend tirannetje te paaien.

Maar zouden zij daarom ook aan het babbelen en vermanen slaan? En zo ja, werpt dat dan geen beangstigend licht op hun eerdere werk, het oeuvre dat voor volwassen lezers bedoeld is? Of, indien niet, wat doen zij dan beter dan hun mindere collega’s?

In Plotseling diep in het woud vertelt Amos Oz het verhaal van een afgelegen dorpje waaruit alle dierenleven verdwenen is. Die tragische gebeurtenis heeft zich al vele jaren geleden voltrokken en sedertdien is het er op een onheilspellende manier doodstil. ‘Nog geen vinkje leefde er. Geen vis was er overgebleven in de beek. De ooievaars en de kraanvogels ontweken het nauwe dal op hun trekvluchten. Zelfs de insecten en reptielen, zelfs wespen, vliegen, mieren, wormen, muggen en nachtvlinders werden er al jaren niet meer gezien.’ Ook de houtworm, die knaagde aan de meubels, was vertrokken, merkt Oz ergens snedig op.

De mensen in het dorp hebben het er niet over. Zij ‘zwegen er doorgaans liever over. Ontkenden het. Deden alsof zij het vergeten waren’. Alleen de schooljuffrouw en een enkele dorpsgek willen nog weleens herinneringen ophalen aan de tijd dat er behalve mensen ook dieren in het dorp huisden. De schooljuffrouw, een sneu geval dat niet aan de man kan komen, tekent dieren op het bord en onderwijst de kinderen de geluiden die zij maakten, de dorpsgek snijdt speelgoedbeesten uit hout en babbelt met zijn ambteloos geworden vogelverschrikker.

In het woud, achter het dorp, huist een berggeest, die ’s nachts de dorpelingen de stuipen op het lijf komt jagen. Daarom gaan na zonsondergang de luiken voor de ramen en de deuren op het nachtslot en is het de kinderen verboden om ooit dat woud in te gaan. Twee van de kinderen, een jongen en een meisje die allebei enigszins buiten de groep staan, besluiten echter op onderzoek uit te gaan. Helemaal origineel is hun expeditie niet, want een ander jongetje, ook al een buitenbeentje, is al eens eerder op eigen houtje het bos ingetrokken. Hij is er malloot uit teruggekeerd en drukt zich uitsluitend nog hinnikend uit.

Enfin, die twee trekken het bos in, verdwalen en stuiten, als het duister invalt en de paniek toeslaat, op een kasteel waarin een eenzame oude baas woont. Die blijkt alle dieren uit het dorp om zich heen te hebben verzameld en de dader te zijn van die nachtelijke spookachtige praktijken op het dorp. ’t Is een neerslachtig type, die in zijn jeugd op het dorp beneden woonde en door zijn generatiegenoten getreiterd is. De dieren heeft hij tot het vegetarisme weten te bekeren, zodat de wolf met het lam verkeert en een zuigeling zijn hand zonder gevaar zou kunnen uitstrekken naar een slang. Wie het leest hoort de verre echo van de profetie van het vredesrijk, zoals de oudtestamentische profeet Micha, tijdgenoot van de Amos naar wie Oz is genoemd, die heeft geformuleerd.

Vergis ik mij, of worden hier alle clichés die het genre zo onverdraaglijk maken in stelling gebracht: woud, dieren, spoken, dreiging, speurtocht, geheim, ontdekking? En is het heus de bedoeling dat in kinderboeken onophoudelijk opsommingen worden gemaakt, van verdwenen beesten in dit geval?

Maar we zijn er nog niet, want die jongelui raken met opa aan de praat en zij krijgen het over zijn drijfveren. Het valt niet moeilijk om in zijn menagerie een huiselijke variant van het paradijs te ontdekken en als het dat is, dan is de oude Naäman – ‘Nemi’ voor de dieren, die te stom zijn om zijn naam uit te spreken – God. Het valt mij zwaar om vervolgens de onvermijdelijke gevolgtrekking te maken en vast te stellen dat God, in de kinderbijbelversie van Oz, de uitgestotene is.

Maar daar blijft het nog altijd niet bij. Die dieren hebben allemaal een eigen taal en de oude Nemi beheerst die. ‘In dierentalen zijn veel minder woorden dan in mensentalen, en ze kennen alleen maar de tegenwoordige tijd.’ De dieren, dat is duidelijk, hebben geen verleden en geen toekomst, het is het menselijk tijdbesef dat de bron is van alle kwaad.

En dan is het hek van de dam. De kinderen worden aangemoedigd bloot te gaan zwemmen in een vijvertje, ‘want hier bij ons bestaat geen schaamte omdat wij naakt zijn, ze hebben ons alleen aangewend om ons te schamen voor alles wat echt is en trots te zijn op alles wat een leugen is’.

Het moralisme slaat om in pedagogiek, in levenswijsheid die over de generaties heen in het rond wordt gestrooid als betrof het pepernoten op sinterklaasavond. Is dit de schrijver van het magistrale Een verhaal van liefde en duisternis die hier aan het woord is, de schepper van dat onvergetelijke ventje in Panter in de kelder, ook al in de weer met een wild beest, maar dan zo onvergelijkelijk veel subtieler, verwarrender?

Het traktaat over de zondeval, de erfzonde van de naijver, wordt zelfs pamflettistisch. De oude baas komt te spreken over de misstand die de samenleving ontwricht en het valt niet zwaar in te zien waar hij het over heeft: het Israëlisch-Palestijnse conflict op sprookjesniveau. ‘Misschien kunnen jullie langzaam maar zeker proberen jullie vrienden, of in elk geval sommige, af te houden van het pesten’, zegt hij. ‘Praat met hen. Praat ook met de beledigers en zelfs met de mishandelaars en met iedereen die leedvermaak koestert. Probeer zelfs te praten met degene die jullie zal bespotten en voor schut zetten en verachten.’

Wat is dat voor zever? Is dit de schrijver van Dezelfde zee, Mijn Michael, Een vrouw kennen en Noem het nog geen nacht en al die andere bewonderde boeken? Het zal toch niet zo zijn dat die nu herlezen moeten, dat het dweepzieke gesprek in zo’n kinderboek met terugwerkende kracht de zwakke plekken in het oudere oeuvre, dat voor volwassenen, blootlegt?

Een uurtje bladeren in die eerdere boeken biedt uitkomst: ze demonstreren prompt de overtuigingskracht van de ambiguïteit, hun stijl is die van de constatering, niet van de marketing, de muziek die eruit opstijgt is geen ophemelende deun. En juist die vermanende toon, die dat kinderboek zo onverdraaglijk maakt, ontbreekt.

Ook Leander, het snuitertje uit Magda Szabó’s De elfenprins, is een buitenbeentje, ook híj wil als het even kan zijn vertrouwde omgeving verlaten. Het zullen toch geen melancholieke zelfrechtvaardigingen zijn, die kinderboeken van grote schrijvers, pogingen om in de taal van het kind hun eigen ontwikkeling te duiden? In De deur, een weergaloos mooie roman voor volwassenen, domineert het mysterie van wat zich achter die deur uit de titel afspeelt, zoals in Het ogenblik, de roman die de trek der Trojanen naar Latium, in Italië, beschrijft, het verlangen naar een ander land de doorslag geeft. Is de aandrift van Leander om het elfenland te verlaten en te gaan kijken wat zich achter de poort – in een enge rotswand, als ik het niet dacht – bevindt de infantiele versie van wat Szabó elders in volle ernst en met inzet van haar gehele talent heeft gedaan?

Leander is een pienter ventje, maar deugen wil hij niet. Hij pikt pilletjes waarmee je onzichtbaar kunt worden of in een dier kunt veranderen. Dat brengt zijn moeder in verlegenheid tegenover de andere elfen, de stokoude boze tovenaar Aterpater voorop. Iris heeft Leander niet op een menselijke manier ter wereld gebracht, maar hem uit een vijg gepeld. Behalve Aterpater heb je ook nog Amalfi, die...

...hou maar op, denk je, als je nog niet eens de helft van al deze krampachtige koddigheid tot je genomen hebt. l Wie op zijn hurken gaat zitten verliest blijkbaar zijn subtiliteit, wie een kind toespreekt rekent kennelijk op morele vooruitgang. Die goedbedoelde hoop is de vader van het stijlverlies, zoals de wanhoop de moeder van het stijlgevoel is.

Nee, dan de ouwelijke ouder Hans Magnus Enzensberger. In De telduivel (uit 1998, zesde druk inmiddels) heeft hij zijn Robert – vertrouwde figuur uit zijn eerdere essayistische werk – op pad gestuurd om de jeugdige lezertjes in te wijden in de raadsels en het vernuft van de rekenkunde.

Daar ligt de schoonheid voor het oprapen, want bij zoveel onverwachte inzichten en komische uitkomsten is de wanhoop denkelijk zeer nabij. Mooie puzzels, vreemde puzzels, slimme puzzels, diepzinnige puzzels – maar puzzels, zonder een andere moraal dan dat dit leven moeilijk is, maar bij voldoende inzet hoogst interessant en bevredigend.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden