Op boekentournee met schrijver Jan Siebelink

Op tournee met Jan Siebelink, langs bibliotheken vol literaire fans, kun je mooi precies zien hoe bij de schrijver de verhalen ontstaan.

Jan Siebelink. Beeld Renate Beense

De schrijver loopt over de Benschopperweg in IJsselstein. Zijn chauffeur heeft hem bij het begin van het voetgangersgebied afgezet en nu moet hij op eigen kracht verder. Maar dat valt nog niet mee. Soms is het alsof de wind vat krijgt op zijn regenjas. Dan zeilt de schrijver van de ene naar de andere stoep. Houdt halt bij een deur. Iets lijkt hem tegen te houden, maar ze hebben de loper al uitgerold voor zijn roserode schoenen.

Ede, vrijdagmorgen 22 september

De omweg naar Jan Siebelink eindigt bij hem thuis. De laatste stappen op de trap naar zijn werkkamer voeren langs fraai schoeisel. Op elke trede staat een paar. Daarbinnen is het een georganiseerde chaos van boeken, ordners, mappen en een schrijfmachine. Voer voor het Letterkundig Museum, maar nu nog niet. Voer voor een biografie, maar nu nog niet. Een schrijver die schrijft, is vrijgesteld van de dood.

Ruim twee weken geleden is De buurjongen verschenen, zijn laatste roman. Opnieuw is de bloemenkwekerij van de familie Sievez plaats van handeling. Opnieuw verliest de zorgzaamheid het van de onmacht, want de dingen gaan bij Siebelink nu eenmaal zoals ze gaan en doen dat zelden aangenaam.

Op deze buurjongen zou vandaag de dag een etiket worden geplakt, autistisch of zoiets. Maar de verleden tijd van Jan Siebelink neemt zo'n Henk Wielheesen zoals hij is. In Ruben Sievez, het alter ego van de schrijver, heeft hij een vriend die hem door het leven loodst. Dat is nodig ook, want Henk Wielheesen krijgt te stellen met een akelige stiefmoeder nadat zijn eigen moeder is overleden.

Beeld Renate Beense

fictie
Jan Siebelink
De buurjongen
De Bezige Bij; 272 pagina's; euro 19,99.

Beeld Renate Beense

Breda, vrijdagavond 8 september

'Laat ik het maar meteen zeggen', zegt boekhandelaar Grietje Braaksma: 'De buurjongen is een waanzinnig goed boek.' In haar enthousiasme rukt ze het woord waanzinnig aan zijn lettergrepen uit elkaar.

Het Bredase Grand Theatre was in de vorige eeuw achtereenvolgens theater en bioscoop. Nu is het een boekhandel die nog altijd de schitterende sporen van dat verleden draagt. Vanavond wordt hier het literaire najaar geopend met op het podium Jan Siebelink. Hier begint zijn tournee langs boekwinkels en bibliotheken om De buurjongen onder de aandacht te brengen.

Als Jan Siebelink iets is, dan is hij een verhalenverteller. En, zoals dat gaat in die traditie, zijn verhalen worden mooier en spannender naarmate hij ze vaker vertelt. Dat geldt ook voor de verhalen over de tegenslagen die hem de afgelopen tijd hebben geplaagd. Op de tast vindt hij de kern om er vervolgens drama van te maken. 'Ik zie de mensen vaak denken: laat die man maar even aanmodderen. Uiteindelijk raak ik ze altijd wel.'

Breda wil graag weten of die Henk Wielheesen echt heeft bestaan, zoals ze dat later in Den Haag en IJsselstein en Rotterdam ook willen weten. Het antwoord op dergelijke vragen komt sputterend op gang. Eerst glimlacht Jan Siebelink wat en zegt vervolgens een paar keer eeh. Praten is voor hem een denkoefening. Soms gaat het ene antwoord halverwege de prullenbak in om plaats te maken voor een beter.

In Grand Theatre bestaat Henk Wielheesen nog uit een schoolvriendje wiens moeder ook op jonge leeftijd overleed. Siebelink herinnert zich nog goed de begrafenis en de verpletterende indruk die dat op hem maakte. Maar dat is slechts één kant van het verhaal. Henk Wielheesen blijkt een bouwwerk.

Later komt de nadruk te liggen op een buurman die elke dag langs de kwekerij fietste op weg naar zijn werk in Arnhem. Net als Henk Wielheesen was hij een knutselaar. Kwam altijd thuis met een stapeltje hout onder zijn snelbinder. En ja, meneer Weilhuizen was ook zo in zichzelf gekeerd.

Beeld Renate Beense
Beeld Renate Beense

Later, als Jan allang uit huis is, blijft hij zich om hem bekommeren. Zoekt hem op in Insula Dei, het verpleeghuis dat ook een decor vormt in De buurjongen. De vereenzaamde buurman kijkt uit naar zijn bezoek. Zegt 'aahh, Jan' wanneer hij binnenkomt en stelt daarna nog eens vast dat zijn vader zo'n aardige man was. Voor de rest doen ze er het zwijgen toe.

In IJsselstein heeft Siebelink echt greep gekregen op dat verhaal. Hij neemt zijn gehoor mee naar de zomer van 1988. Heel het verpleeghuis is in de ban van het EK voetbal. Maar zij zitten een beetje apart van de oranje slingers. Met een paar penseelstreken brengt hij die stille meneer Weilhuizen tot leven. 'En ik dacht voortdurend bij mezelf: waar denkt hij nou aan? Wat gaat er door hem heen?'

Het vermoeden daarvan heeft hij dertig jaar later op De buurjongen geprojecteerd. Siebelink hoopt in dit boek het onzichtbare zichtbaar maken, misschien wel zijn hoogste streven als schrijver. Halverwege laat hij Wielheesen met zijn vrouw aan tafel zitten, mijlenver van elkaar verwijderd en toch onlosmakelijk verbonden. Dat is misschien wel de mooiste passage uit zijn schrijversloopbaan.

De optredens in boekwinkels en bibliotheken zijn als warme baden. In die terminologie zou Breda zelfs een jacuzzi zijn. Boekhandelaar Braaksma, bekend van het boekenpanel in de De Wereld Draait Door, bruist en de schrijver laat het zich welgevallen.

Onder de vijftig aanwezigen ook Siebelinks broer Hans, die overigens nooit een boek heeft gehaald. Daarover zegt Jan op zijn podium in Grand Theatre dat de middelste in gezinnen van drie kinderen veroordeeld is tot het compromis en dus tekortschiet voor fictie. Vanuit de zaal roept Hans dat ze vroeger toch best vaak ruzie hadden, maar zijn stem reikt niet ver genoeg.

Op de vraag of hij het nooit zat is, schrijven over de familie, zegt Siebelink eerst er nu wel klaar mee te zijn. Volgt een glimlach en een eeh. Volgt een citaat van de Griekse filosoof Heraclitus waarin twee stappen in een rivier nooit dezelfde zijn omdat rivieren nu eenmaal stromen.

Beeld Renate Beense

Den Haag, zondagmiddag 10 september

Het echtpaar Siebelink heeft Sarah, een whippet die is vernoemd naar zangeres Sarah Vaughan, meegenomen naar boekhandel Paagman. Er was geen oppas voorhanden en van hieruit is het een steenworp naar het strand van Scheveningen.

Wanneer het baasje vlak voor de tweede sessie nog even naar de wc moet, begint de hond zenuwachtig te janken. De hereniging wordt gevierd met aaien en likken. Ze lijken op elkaar, baasje en hond. Misschien zijn ze wel vrienden.

Gevraagd naar een karakterisering van Jan Siebelink zegt Suzanne Holtzer, zijn redacteur bij uitgeverij De Bezige Bij, dat hij een hazewindhond is. Sierlijk, snel, elegant en nerveus.

Beeld Renate Beense

Die vergelijking bevalt hem. Natuurlijk, de snelheid laat inmiddels te wensen over en sierlijker wordt hij er evenmin op. Maar elegantie is niet aan leeftijd gebonden. Zie de mediterraan blauwe schoenen en het roze colbert die hem in Den Haag sieren. Zelf voegt hij aanhankelijkheid toe aan de overeenkomsten tussen een hazewind en hem. 'Tenzij je ze te na komt.'

Sinds hij in 1975 debuteerde met Nachtschade deed Jan Siebelink bijna elk jaar een roman, een verhalenbundel of een vertaling het licht zien. Tot aan het succes van Knielen op een bed violen verdiende hij daarnaast de kost als leraar op een middelbare school. Daar bovenop kwam nog eens journalistiek werk.

In Den Haag vertelt hij van een ontmoeting met de door hem bewonderde Franse schrijver Julien Gracq. Daarvoor was hij na school in zijn Lelijke Eend naar Parijs gereden. 's Avonds, na het interview, deed de auto een paar uur dienst als slaapkamer. Rond middernacht reed hij terug naar Ede om de volgende ochtend weer voor de klas te staan.

Misschien begint die maniakale werkdrift hem nu wel op te breken. Na de voltooiing van Margje en alle poespas rond de verfilming van Knielen op een bed violen overviel hem vorig jaar een ongekend gevoel van futloosheid. Zat hij 's morgens vroeg op de bank, zag de zon opkomen en vond dat wel best zo. Dat was hem nog nooit overkomen, het wel best vinden zo.

Misschien, maar dit is een theorie achteraf, was het een kwestie van ledig maken in de betekenis van het mystieke christendom. Zo voelde het ook. Een vorm van levitatie, alsof hij alles losliet.

Maar op een ochtend eiste de werkkamer hem toch weer op. Hij schreef in één ademteug wat nu het eerste hoofdstuk van De buurjongen is. Zoals altijd: eerst met potlood en daarna op de schrijfmachine. Dat eerste hoofdstuk behelst een mystieke ervaring. De lucht is loodzwaar, maar het licht ongewoon schel. Een of andere wederkomst lijkt aanstaande.

Beeld Renate Beense

Normaal gesproken dient zo'n eerste aanzet de schrijver slechts als richtingaanwijzer en bereikt nooit de lezer. Nu werd het een uitnodiging om de wondere wereld van Henk Wielheesen te betreden.

Jan Siebelink vertelt zijn gehoor dat het verhaal van De buurjongen hem als het ware is geschonken en misschien wel gedicteerd, zoals de apostel Johannes overkwam. 'Toch, Gerda? Hoe gaat het met de hond, Gerda?'

Dat gebeurt hem geregeld. Na omzwervingen vindt Siebelink de essentie van zijn betoog en raakt dusdanig in vervoering dat hij weer houvast moet zoeken. Daarom is er bij die optredens ook altijd een gespreksleider om hem een beetje in toom te houden.

Beeld Renate Beense

IJsselstein, donderdagavond 14 september

'Is mevrouw Roseboom er?' Frits Mulder, eigenaar van boekhandel Logica in IJsselstein, besluit haar nog een minuutje te gunnen. Voor de rest staat en zit alles en iedereen klaar: koffie, thee, koekjes en zo'n veertig belangstellenden, grotendeels generatiegenoten van Jan Siebelink.

In IJsselstein ijlt Knielen op een bed violen twaalf jaar na verschijning nog altijd na. Een van de aanwezigen wordt nog boos als ze denkt aan de schaduw die het strenge geloof over haar jeugd wierp. Die woede komt de schrijver bekend voor. Er waren zelfs lezers die het boek om die reden in de tuin wilden begraven, zo boos waren ze. Voor de meeste lezers betekent het boek juist een verzoening met dat verleden.

In De buurjongen laat Siebelink de vader van een andere kant zien, een zachtaardigere kant. 'Dit is meer mijn vader, maar in wezen is het nog ingewikkelder.' Dat doet Siebelink handig, de werkelijkheid weghouden van de fictie. Wanneer IJsselstein naar de verwantschap tussen hem en Ruben vraagt, antwoordt hij: 'Voor zover ik Ruben ben in Knielen, zo ben ik dat nu weer.'

In weekblad De Groene schreef criticus Kees 't Hart vorige week dat Jan Siebelink zichzelf mythologiseert. Als dat zo is, en hij zal de laatste zijn om het te ontkennen, dan mag niemand verwachten dat hij de mythe verklaart. 'Ik probeer in mijn boeken te verwoorden waarvoor ik eigenlijk geen woorden heb.'

Naderhand, in Ede, verklapt Jan Siebelink dat hij het soms Spaans benauwd heeft gehad tijdens die optredens. 'Terwijl ik die ene vraag beantwoord, vaak toch al niet eenvoudig, raak ik de draad kwijt. Dan denk ik bij mezelf: ik moet naar de dokter of ik moet naar huis. En dan word ik nerveus en ga enorm transpireren.'

Als de verslaggever hem wijst op die onzekere tred in IJsselstein zegt hij bijna opgetogen, alsof het een diagnose is: 'Zie je wel.' Nadat het manuscript voor De buurjongen was ingeleverd, kreeg Jan Siebelink een beroerte. Ook dat wordt een repeterend verhaal tijdens de optredens, steeds indrukwekkender ook.

Beeld Renate Beense
Beeld Renate Beense

De ingrediënten zijn een wankelende man, een verwarde hond en een ambulance die verlossing brengt. Maar Siebelink neemt zijn gehoor pas echt mee in de details. Hoe hij met Sarah zou wandelen, maar bij het opstaan het gevoel in zijn rechterbeen verloor. Hoe hij riep om Gerda, hoewel hij wist dat ze niet thuis was. Hoe vredig ook de straat was, terwijl ze hem per brancard afvoerden. Hoe hij de ribbels in het dak van de ambulance telde en zich al neerlegde bij de fatale afloop. 'Nu ga ik de grens over, dacht ik, naar het au-delà, zoals de Fransen zeggen.'

IJsselstein houdt de adem in wanneer Jan Siebelink het paradijs schetst als een bloemenkwekerij in Velp. Dat hij uiteindelijk bij de Schepper arriveert, dat zijn vader een goed woordje doet voor die ongelovige zoon van hem. En dat hij zichzelf nog gauw even gelukkig prijst met de voltooiing van De buurjongen. Kan Gerda een mooi jurkje kopen van de opbrengst.

Rotterdam, woensdag 20 september

Het had weinig gescheeld of Jan Siebelink had voor de deur van de bibliotheek in de Rotterdamse wijk Overschie rechtsomkeert gemaakt. De afgelopen dagen van ziekenhuisbezoek, eerst voor een aanstaande heupoperatie en vervolgens een onderzoek aan zijn ogen, hebben hem uitgeput. De ouderdom komt opeens met veel gebreken.

Plichtsgetrouw en loyaal aan de uitgever stapt hij woensdagavond toch de drempel over. Eenmaal binnen komt het altijd wel weer goed. De mensen zijn geduldig en dankbaar. En altijd is er wel één vrouw die eruit springt.

Twee dagen later in Ede blijkt dat die ene vrouw in die groene jurk te zijn geweest. 'Ik kan haar nog zo uittekenen.' Jan Siebelink is en blijft een vrouwenman, zoals de literatuur nooit haar erotiserende uitwerking verliest. 'Maar alles in het nette. Toch?'

Ze hebben hem in Overschie in de hoek van de kinderboeken neergezet. Boven zijn hoofd zweeft Eucalypta op haar bezemsteel en Rotterdam wil weten wat zijn verhouding tot het geloof is. Volgt een eeh, volgt een glimlach en een antwoord dat ergens het midden houdt, al kan niemand na afloop zeggen welk midden. Nog altijd ongrijpbaar, net als een hazewindhond.

Een student die een scriptie schreef over zijn werk, vraagt of er misschien nog een boek in het vat zit. Siebelink gaat gretig in op die vraag, alsof hij er zichzelf alvast op wil vastleggen.

Ja, er is nog één verhaal dat hij dolgraag wil vertellen. Het gaat over een leraar die moet invallen en een innige relatie opbouwt met een meisje uit die klas. De tweede verhaallijn betreft een telefoontje van een bekende literatuurcriticus die in een obscuur tijdschrift een verhaal van hem heeft gelezen en dat graag onder ieders aandacht wil brengen.

Beeld Renate Beense

Het verhaal bestaat nu nog uit aantekeningen, maar Jan Siebelink kijkt uit naar de voltooiing. Die criticus, vertelt hij in Ede, was Rein Bloem, een destijds geducht recensent van Vrij Nederland. En dat korte verhaal is Witte chrysanten, waarmee in 1975 zijn literair universum begon. En ja, die leraar was hij, in zekere zin.

Nu moet Jan Siebelink nog de tijd worden gegund de werkelijkheid tot mythe te verheffen

Literair universum

Het imposante oeuvre van de 79-jarige Jan Siebelink is door een van zijn lezers getypeerd als een literair universum. In Siebelinks schepping is Knielen op een bed violen het middelpunt. Daarin balt de thematiek van zijn werk zich samen.

Puttend uit zijn eigen jeugd beschrijft Jan Siebelink de worsteling van een tuinder met zijn geloof. Van dat boek werden meer dan 600 duizend exemplaren verkocht. Begin vorig jaar werd de gelijknamige film uitgebracht onder regie van Ben Sombogaart.

Al zijn andere romans draaien als satellieten om die duistere zon heen. De korte verhalen en het journalistieke werk vormen in die beeldspraak het ruimtegruis. Siebelink: 'Het lijkt misschien een chaos in die kosmos van mij, maar eigenlijk is het een coherent geheel. Al die boeken zijn familie van elkaar.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden