Reportage Experimenteel onderwijs

Op bezoek bij een ‘hippe’ school in Groesbeek: ‘Onze coaches moeten leerlingen inspireren’

De onderwijsinspectie maakt zich zorgen maakt over het niveau van al die hippe onderwijsconcepten. Beeld Tim Peacock

De Onderwijsinspectie toonde zich in De Staat van het Onderwijs, het jaarverslag dat woensdag verscheen, kritisch over de wildgroei aan nieuwe concepten en profielen. Maar op het Montessori College in Groesbeek, waar ze met een mix van twee nieuwe concepten werken, zeggen ze te weten wat ze doen.

Een meisje van 13 maakt een samenvatting in een handschrift dat zo netjes is dat je er zenuwachtig van wordt. Twee jongens buigen zich over een schaakbord. Een knul die alles van planeten en zwarte gaten schijnt te weten verschuilt zich achter een computer in de hoek, een koptelefoon op zijn hoofd.

Zo gaat het hier elke dag. In deze klas van dertig kinderen – leeftijd: 10 tot 15 jaar – volgt iedereen een persoonlijk lesprogramma dat ze in grote lijnen zelf vorm mogen geven. De docenten – ze heten hier coach – begeleiden hen daarbij.

Néia, 14 jaar, knotje en bril met ronde glazen, is enthousiast over dit concept: ‘Er zijn geen lessen. Ik werk in mijn eigen tempo. Je wordt hier niet gepusht, niet gevoerd, je krijgt niets voorgekauwd.’

De eveneens 14-jarige Jules zegt dat hij adhd en dyslexie heeft. ‘Op vorige scholen was dat een probleem. Hier niet. En het is ook fijn dat we geen toetsen hebben.’

En Ben, een 10-jarig meisje met lang donker haar, vertelt over de ‘challenge’ die ze gedaan heeft, een opdracht die ze samen met de coach heeft bedacht. ‘Ik heb uitgezocht wat ze allemaal doen op een manege’, zegt ze. ‘En daarover heb ik een les gegeven aan andere kinderen op paardrijles.’

Concepten combineren

Inderdaad, dit is dus zo’n school waarover de Onderwijsinspectie deze week repte. Hier op het Montessori College in Groesbeek experimenteren ze sinds het begin van dit schooljaar met een nieuw onderwijsconcept, zoals talloze scholen de afgelopen jaren transformeerden tot Sterrenscholen, tweetalige scholen, entrepenasia, Unescoscholen, Steve Jobsscholen of Topsport Talentscholen.

Of nee, eigenlijk combineren ze hier in Groesbeek – in samenwerking met de plaatselijke basisscholen – twee nieuwe concepten. Eén: het tienercollege, dat de laatste jaren van de basisschool combineert met de eerste jaren van de middelbare school. Twee: het Agoraprincipe, waarbij leerlingen van verschillende leeftijden en verschillende niveaus bij elkaar in een klas zitten. Begeleid door de coaches krijgen ze onderwijs dat is aangepast aan hun eigen wensen en mogelijkheden.

Die combinatie biedt allerlei voordelen, zegt directeur Arianne Nas. Zo hoeven kinderen niet al op hun 12de een keuze te maken voor een nieuwe school en worden ze niet op jonge leeftijd op een vmbo, havo of vwo ingedeeld.

Ook wilden ze kinderen in Groesbeek ruimte bieden om hun eigen nieuwsgierigheid te volgen en te ontdekken waar ze goed in zijn. Dat is waarom ze bij Agora-onderwijs terechtkwamen, zegt Nas, een concept dat enkele jaren geleden ontwikkeld is bij Niekée Roermond, een middelbare school.

‘Wat de kern daarvan is? Onze rector zei het laatst mooi: om kinderen gelijke kansen te bieden moet je ze allemaal anders behandelen. Wij kijken naar het kind. Wat is zijn beginsituatie? Hoe ontwikkelt het zich? – ten opzichte van zichzelf, niet ten opzichte van de groep.’

Onderuitgehaald

Werkt zo’n nieuw concept ook? De Onderwijsinspectie toonde zich in De Staat van het Onderwijs, het jaarverslag dat woensdag verscheen, kritisch over de wildgroei aan nieuwe concepten en profielen. Zo voeren sommige scholen methodes in die door de wetenschap al lang onderuit zijn gehaald. Bovendien evalueren ze onvoldoende wat die nieuwe concepten nou precies opleveren. Het onderwijs, vindt de inspectie, moet meer ‘evidence based’ zijn.

Het is een boodschap die Paul Kirschner al jaren verkondigt. ‘Er is ongelooflijk veel bekend over wat werkt en wat niet werkt’, zegt de hoogleraar onderwijspsychologie aan de Open Universiteit. ‘Maar het is niet bekend bij de docenten, niet bij de mensen die docenten opleiden en al helemaal niet bij schooldirecteuren.’

Om dat te veranderen publiceerde Kirschner onlangs samen met twee andere onderwijswetenschappers een boek over vierentwintig belangrijke onderwijsonderzoeken van de afgelopen vijftig jaar. Het boek bevat veel tips over wat bewezen werkt. Om te zorgen dat het ook daadwerkelijk in de klas belandt, is het gratis te downloaden.

Hoe kan het dat er zo weinig onderzoek doorsijpelt in het onderwijs? Simpel, zegt Kirschner, elke Nederlander denkt verstand te hebben van onderwijs, omdat elke Nederlander zelf ooit naar school is geweest.

Het valt onderwijssocioloog Herman van de Werfhorst van de Universiteit van Amsterdam ook op. ‘Iedereen denkt te weten wat goed onderwijs is. Je merkt het zelfs als je op het ministerie van Onderwijs komt. Persoonlijke anekdotes zijn bepalend voor iemands onderwijsvisie. Een verhaal over de ervaringen van de buurman wordt in alle ernst aangedragen als input voor onderwijsbeleid.’

Veel nieuwe onderwijsconcepten beginnen vanuit een levensvisie, zegt Kirschner. ‘Het idee dat een kind het beste leert als het zelf iets ontdekt. Dat klinkt hartstikke mooi. Maar het is een filosofie, er is geen enkel wetenschappelijk bewijs dat het zo werkt. Sterker: we weten uit onderzoek dat ontdekkend leren een ontzettend inefficiënte manier van leren is.’

Inspirerende coaches

In Groesbeek kent directeur Arianne Nas de kritiek op ontdekkend leren - iets wat een van de pijlers van het Agora-onderwijs lijkt. Maar ze brengt graag een nuance aan. Nee, hier op school bepaalt geen kind de leerroute helemaal zelf. ‘We gaan er niet van uit dat kinderen dat kunnen. Ze weten niet goed wat ze willen weten.’

En daarom krijgen ze hulp van de coaches. ‘Zij moeten de leerling inspireren’, zegt Jacqueline de Volder, ooit docent Nederlands, nu coach. ‘Door met ze naar buiten te gaan, naar een museum bijvoorbeeld. Of door de wereld de school in te halen, door ouders en experts te laten vertellen.’

Directeur Nas benadrukt ook graag dat haar school niet zomaar wat aanrommelt. Ze delen kennis en ervaring met andere Agorascholen. Onderzoeksbureau Oberon houdt in opdracht van het ministerie van Onderwijs de tienercolleges nauwlettend in de gaten. En bovendien krijgt de school advies van een hoogleraar sociaal-cognitieve neurowetenschappen van de Radboud Universiteit.

Die hoogleraar, Harold Bekkering, fronste wel even toen hij vernam dat de inspectie bij de invoering van nieuwe onderwijsconcepten wil weten of die wel effectief zijn. ‘Voordat we dat gaan meten, moeten we eerst duidelijk vaststellen wat we van het onderwijs willen’, zegt hij. ‘Waartoe dient het onderwijs? Willen we leerlingen volstoppen met zo veel mogelijk kennis, zodat ze zo hoog mogelijke cijfers voor het examen halen en daarna alles weer vergeten? Of - en dat zou mijn doel zijn - willen we betere burgers van ze maken?’

Daarnaast benadrukt Bekkering dat ook in het traditionele onderwijs lang niet alles bewezen effectief is. Dat komt onder meer doordat het lastig is de werking van onderwijsconcepten te onderzoeken. Nieuwe medicijnen worden getest op verschillende groepen patiënten, zegt de hoogleraar, waarbij de ene groep – zonder het te weten – een placebo krijgt. ‘In het onderwijs kan dat niet. We kunnen geen placebogroep maken die niet weet wat we doen. Daardoor is het ingewikkeld te bewijzen of een onderwijsconcept ook echt een verbetering is.’

Het is een van de grootste obstakels van onderwijsonderzoek, zegt ook onderwijssocioloog Van de Werfhorst. ‘Stel je wilt een nieuw onderwijsconcept onderzoeken, dan moet je het met andere scholen vergelijken als controlegroep.’ Dat gebeurt in Nederland nauwelijks, volgens de Amsterdamse hoogleraar. ‘Scholen willen niet de controlegroep zijn, de groep waar niets gebeurt. In het onderwijs is er vaak de behoefte om direct informatie te krijgen, om direct iets te doen. Onderzoek is iets van de lange adem. Die tijd is er in het onderwijs niet altijd, of scholen willen die tijd niet nemen.’

Gelukkige leerlingen

De voorstanders van het Agoraconcept wijzen graag naar de eerste resultaten van Niekée Roermond, de school waar het concept bedacht werd. Onlangs deed de eerste lichting mee aan de eindexamens en de resultaten kwamen overeen met wat op grond van het basisschooladvies verwacht mocht worden.

‘Dat is knap’, zegt Bekkering. ‘Want doordat deze leerlingen heel lang hun eigen leerroute volgden, hebben ze veel minder tijd besteed aan de examenstof dan leerlingen elders.’

In Groesbeek, waar ze pas dit jaar begonnen, kijken ze ook naar zaken die niet meetbaar zijn. ‘Laatst kwam hier een groep basisschooldirecteuren op bezoek’, vertelt coach Jacqueline de Volder. ‘Sommige vonden het maar apart, hoe wij het onderwijs hier inrichten. Maar er was er ook een bij die zei: ze ogen allemaal zo gelukkig hier. Dat vind ik ook een graadmeter.’

Drie onderwijsmethoden onder de loep

Ontdekkend leren

De enige mensen die goed kunnen ontdekken zijn experts, zegt Paul Kirschner. ‘Die weten wat ze weten, weten wat ze niet weten en weten hoe ze die lacune moeten opvullen.’ Een kind dat nog niets weet over een bepaald onderwerp, gaat zomaar wat proberen. De hoogleraar onderwijspsychologie van de Open Universiteit zette in 2006 wetenschappelijk onderzoek naar deze onderwijshype op een rij en concludeerde: er is geen bewijs dat het werkt. ‘Ja, soms ontdek je wel eens wat, ook als beginner, maar vaak ook niet. Ontdekkend leren is niet motiverend en niet efficiënt.’

Conclusie: werkt niet.

Elk kind leert anders

Het idee van de ‘leerstijlen’ is als volgt: ieder mens is anders en leert anders. De een is een ‘auditieve leerling’ de ander leert het beste visueel. ‘Dat wordt nog op heel veel scholen toegepast’, zegt Kirschner, die in 2016 meeschreef aan een boek dat onderwijsmythes doorprikt. ‘Het klinkt ook heel logisch, maar zo werkt het niet. Een probleem is bijvoorbeeld dat leerstijlen worden bepaald op basis van voorkeur. Maar dat je iets prefereert, betekent nog niet dat het voor jou ook ook goed, laat staan beter werkt. Er is geen enkel goed onderzoek dat het bestaan van leerstijlen aantoont.’

Conclusie: niet bewezen.

Overhoren en samenvatten

Lees het anders nog een keer. Dat zeggen leraren en ouders geregeld tegen een kind. ‘Maar als je wilt dat een leerling een tekst onthoudt is het beter om hem of haar uit te horen over wat hij zojuist gelezen heeft’, zegt Kirschner. ‘Door de kennis die je eerder is aangeboden weer op te diepen, onthoud je de stof beter dan door het een tweede of derde keer te lezen.’ Een samenvatting maken werkt ook goed. ‘Mits een leerling weet hoe dat moet.’

Conclusie: vaker doen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.