Ook Coates zelf ontkomt niet aan zijn kritiek op zwart-wit denken

Vandaag verschijnt de vertaling van Ta- Nehisi Coates' subliem geschreven essay over rassenproblemen in de VS. Is zijn betoog ook van toepassing op Nederland?

Ta-Nehisi Coates is in zijn politieke analyse op z'n zwakst.Beeld MacArthur Foundation

Het probleem begint al bij het allereerste woord van het boek Tussen de wereld en mij - een meedogenloos goed geschreven boek, met de nadruk op meedogenloos. Son, dat is de aanhef die Ta-Nehisi Coates (40) gebruikt in zijn essay-in-briefvorm, waarin hij het woord richt tot zijn 15-jarige zoon, 152 pagina's lang. Dat kun je gerust een epistel noemen.

De Afro-Amerikaanse essayist hint met zijn werk naar James Baldwin, die in 1963 dezelfde briefvorm koos toen hij The Fire Next Time schreef, bestemd voor zijn toen 15-jarige neefje. En net zoals Baldwin weet Coates een galm te leggen in de woorden: je wilt het boek voorlezen aan iemand om de resonans van zijn zinnen te horen.

Ta-Nehisi Coates ziet ras als een machtsconstruct: het zwarte ras werd uitgevonden door witte slavenhandelaren.

Domineeachtig

Hoewel Coates (anders dan Baldwin) zichzelf uitdrukkelijk atheïst noemt, hoor je toch een domineeachtige echo en die verwijst niet per se naar de kerk, maar naar de lange traditie van zwarte voorgangers, van Booker T. Washington en W.E.B. Du Bois tot aan Martin Luther King, Malcolm X en Barack Obama. Zo'n uitgebreide traditie kennen we niet in Nederland en het is dan ook moeilijk voor te stellen dat een zwarte Nederlandse auteur die historische weerklank in een werk weet te leggen. De Verenigde Staten lopen wat dat aangaat op ons voor - de vraag zal zijn hoe voordelig dat is.

Terug naar dat allereerste woord: son. De Nederlandse vertaler Rutger H. Cornets de Groot heeft terecht ervoor gekozen hier de aanspreekvorm 'jongen' te gebruiken. Dat klinkt in het Nederlands liefdevol en vooral niet al te plechtstatig. Begint een brief met 'zoon', dan weet je zeker dat je ouders gaan scheiden.

Probeer die gevoelswaarde nooit letterlijk over te brengen naar het Amerikaans-Engels en zeker niet als je je richt tot een Afro-Amerikaanse man. Ik deed dat jaren geleden in alle onnozelheid, toen ik mijn zwarte collega's aan een Amerikaanse universiteit hartelijk aansprak met boys. Het was dat ze mij zelf ook als black beschouwden en een brother, anders had ik meteen te boek gestaan als een onverbeterlijke Europese racist, of zelfs een white supremacist.

Want wie denkt het goedmoedige jongen of jongens te vangen is met boys, rakelt meteen die hele racistische geschiedenis op, waarin zwarte mannen, ook als ze zo oud zijn dat je kunt wachten op hun dood, door blanken werden bevolen hun diensten te leveren, als in: boy(s), bring me this. Kinderen waren het eigenlijk, die zwarten. In de ogen van veel witte Amerikanen moest je ze vooral goed opvoeden of zelfs africhten, zoals je dat met honden doet.

Zie hier een voorbeeld van het verschil in sensibiliteit tussen iemand als Coates, een Afro-Amerikaanse man, en een man van gemengd Nederlands-Afrikaanse komaf zoals ik, die opgroeide in Europa. Officieel weet ik dat ik alarmbellen moet horen rinkelen als ik aan mijn zwarte en gekleurde Nederlandse vrienden vraag: jongens, zullen we wat gaan drinken? Maar ik hoor ze eigenlijk niet - en zij gelukkig ook niet.

Bloeddruppelregel

In zijn essay - want dat is Tussen de wereld en mij toch vooral - beschrijft Coates hoe het is om op te groeien in een zwart getto in Baltimore en vanaf je vroegste jeugd te weten dat er een niet uit te wissen verschil bestaat tussen black folks, waartoe hij behoort, en whites, die letterlijk in een ander universum leven. Maar - en dat is de pijnlijke ontdekking - in werkelijkheid zijn al deze mensen, die zulke verschillende levens en andere vanzelfsprekendheden kennen, allemaal burgers van diezelfde Verenigde Staten van Amerika. Het is dat geloof in die vereniging of zelfs verenigbaarheid, waarvan Coates niets heel laat. Het land is definitief gescheiden in whites en blacks, ook door (ik citeer) 'de één bloeddruppelregel, ooit bedacht door plantagehouders in Virginia, waarmee het witte van het zwarte kon worden gescheiden'.

De erfenis daarvan is dat Amerika veel minder dan Europa een gemengde afkomst erkent of herkent. Je bent geen mix, creool of moksi (zoals in Suriname); je bent zwart of wit. Het blijft een raadsel waarom zo veel zwarte Nederlandse activisten niet kunnen wachten tot die racistische achterlijkheid ook hier werkelijkheid wordt, zodat we ook hier alleen maar onderscheid hoeven te maken tussen witten en zwarten, louter voor het politieke en schematische gemak.

'Het boek van Coates gaat over Nederland. Alles wat de Amerikaanse schrijver beschrijft in Tussen de wereld en mij heeft ook betrekking op ons land', stelt historicus Zihni Özdil in NRC. Dat is overduidelijk niet zo, zonder daarmee de etnische problemen in Nederland of Europa te bagatelliseren, die niet minder diepgaand, maar anders van aard zijn. Diezelfde Özdil hoopt dat wij door het lezen van Coates' boek 'op gang gebracht kunnen worden om na te gaan denken over hoe de kwesties die Coates aansnijdt ook bestaan in ons land'. Dat is nu een voorbeeld van niet zo goed schrijven. Of, zoals Coates zelf opmerkt: 'De kunst van het schrijven, is de kunst van het denken.'

Coates beschrijft hoe hij als 11-jarige vlak bij zijn huis bijna wordt neergeschoten door een zwarte leeftijdsgenoot, zomaar. 'Ik had nooit gedacht dat de dood zo gemakkelijk, vanuit het niets van een opgeschoten jongensmiddag, als een soort mist kon opstijgen.' Kijk, dat is goed, evocatief schrijven. Achteloos laat Coates weten dat tot aan zijn 15de iedereen die hij kende zwart was 'en allemaal waren ze op een indrukwekkende, onbuigzame, gevaarlijke manier bang'. O ja, zijn eigen grootvader, zijn oom David en zijn oom Oscar: allemaal een onnatuurlijke dood gestorven.

Hoeveel zwarte of bruine jongens, in Nederland geboren en opgegroeid, lukt het überhaupt om alleen andere zwarte en bruine mensen te kennen? Niet één blanke onderwijzeres of sportcoach? Ik geloof er niets van.

Zelfbevrijdingsacties

Het is zelfs maar de vraag of er zomaar politieke lessen kunnen worden getrokken uit Tussen de wereld en mij. Het boek is geen politiek pamflet dat doet aan beleidsaanbevelingen. Integendeel, Coates leverde een subliem geschreven, literaire getuigenis af, waarvan hij zelf zegt: 'De Droom gedijt bij generalisaties. De Droom is de vijand van alle kunst, van eerlijk schrijven.' De Amerikaanse filosoof Richard Rorty maakte eerder het onderscheid tussen intellectuelen die het te doen is om 'publieke rechtvaardigheid' en zij die zoeken naar 'een vorm van autonomie'. Tot die laatste soort lijkt Coates te behoren. Hij schrijft over zijn zwarte identiteit zoals Gerard Reve dat deed over zijn homoseksualiteit: je kunt er politieke standpunten aan vasthaken, maar het zijn eerst en vooral zelfbevrijdingsacties.

Bovendien ziet Coates geen politieke oplossing voor het verschil tussen zwart en wit Amerika. Anders dan James Baldwin gelooft hij niet in het Betere Amerika, waar de King-achtige Droom van raciale gelijkwaardigheid werkelijkheid wordt. Sterker: de Droom en de Dromers zijn de uitgesproken vijanden van Coates. Het komt nooit meer goed, dat is zijn conclusie, en iedereen die fantaseert over een betere toekomst camoufleert die bittere waarheid. Coates over de Afro-Amerikanen: 'We zitten gevangen, broeder, omringd door de bandieten van de Amerikaanse, zwijgende meerderheid.' Wie blieft er nog een scheutje hoop?

Telkens weer heeft Coates het over het onderscheid tussen Afro-Amerikanen en 'de mensen die denken dat ze wit zijn'. Ras, zoveel wordt duidelijk, is voor Coates een machtsconstructie: het zwarte ras werd uitgevonden door witte slavenhandelaren en de witten hebben zichzelf white genoemd om zo de verschillen tussen Ieren en Joden en Italianen te verdoezelen en altijd het overwicht te hebben. Mensen die denken dat ze wit zijn, kunnen volgens Coates visie dus ook een zwarte of bruine huidskleur hebben; ze gedragen zich wit of richten zich naar een witte norm. Wat dat precies is, blijft onduidelijk, maar het is zeker bedoeld als aanklacht en ook Obama ontkomt niet aan die kritiek.

Hier maakt hij er theoretisch gesproken een potje van: als rassen sociale constructies zijn, valt het moeilijk in te zien waarom Afro- Amerikanen een 'essentie' kennen die hen altijd en eeuwig onderscheidt van witten, en white niet meer is dan een parapluterm, die ongelijksoortige grootheden verenigt. Moet je dan ook niet spreken over mensen die denken dat ze zwart zijn en er dezelfde honende ondertoon in leggen, zoals Coates doet als hij het over witten of wit gedrag heeft?

Is het wit gedrag als een Afro-Amerikaan naar Stravinsky luistert? Nee, want Coates concludeerde al dat 'Tolstoj ook de Tolstoj van de Zulu's is'. En terecht. Algebra is niet het bezit van de Arabieren, Stravinsky niet van de witten en jazz niet uitsluitend van de zwarten. Maar die ultieme conclusie weigert Coates te trekken - alsof een laatste spoortje ressentiment hem tegenhoudt. In zijn politieke analyse is Coates op z'n zwakst.

Kleurgrens

Het moet trouwens voor zwarte Europese activisten ronduit schrikken zijn, dat Coates zo laaiend enthousiast is over zijn bezoek aan Parijs. Voor het eerst is hij weg uit Amerika, het land dat zijn land is en toch ook weer nooit helemaal. Parijs deed hem denken aan New York, 'maar zonder de inferieure, altijd aanwezige angst. De meeste mensen droegen er geen wapens. Iedereen liep. (...) In Frankrijk waren we geen slaven. We zijn niet hun negers.'

Misschien verdient het aanbeveling niet de complete zwarte Amerikaanse geschiedenis zo snel mogelijk te implanteren in Europa. Maakt dat Europa tot een walhalla? In het geheel niet; de onschuld en onwetendheid die in dit continent worden gekoesterd, zijn op z'n best onbenullig en op z'n slechtst kwaadaardig. Maar de veronderstelde voorsprong van Amerika in het denken over zwart en wit bewijst meteen het bestaan van de traditionele, rigide kleurgrens, die het land tot op de dag van vandaag verdeelt.

Ta-Nehisi Coates, Tussen de wereld en mij, Nederlandse vertaling door Rutger H. Cornets de Groot; Amsterdam University Press, 17,95 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden