ESSAY

Ook al zijn we niet in dienst van professionele informatiezoekers, wij helpen allemaal de werkelijkheid een handje

null Beeld Ricardo Tómas
Beeld Ricardo Tómas

Op een eigenaardige manier toont de wereld van de overleden spionageromanschrijver John le Carré de praktische kant van de moraalfilosofie. Geen afscheid op een vliegveld zal ooit nog hetzelfde zijn, merkt Arnon Grunberg.

De afgelopen keer dat ik van Amerika naar Nederland vloog, op 16 december verleden jaar, was vier dagen daarvoor John le Carré overleden. Reizen was nog betrekkelijk gemakkelijk voor mensen met een paspoort van de Europese Unie. Naast mij in de rij voor de incheckbalie speelde zich een klein drama af. Een echtpaar, allebei niet veel ouder dan ik, reizend op Amerikaanse paspoorten meen ik, moest een negatieve covid-19-test overleggen. Die van mevrouw was in orde, maar die van meneer was te oud, vier dagen oud, een dag ouder dan toegestaan. ‘Als het mij aan mij ligt, zou ik u aan boord laten’, zei een medewerker van de vliegtuigmaatschappij, ‘maar ik kan het echt niet doen.’

De man zei tegen zijn vrouw: ‘Ga maar, ik kom wel later.’ Aan zijn stem hoorde je dat hij hoopte dat ze zou zeggen: ‘Nee, natuurlijk niet. Ik blijf bij jou.’ Maar dat zei ze niet. Ze zei: ‘Dat is goed, schat. We zien elkaar over één of twee daagjes.’ Ze gaf hem een kusje op zijn wang, verdween toen in de richting van de veiligheidscontrole. Ze riep nog: ‘Pas goed op jezelf, ik kom je afhalen van het vliegveld.’

Het duurde even voor ik was ingecheckt, maar toen ik eindelijk naar de veiligheidscontrole kon, stond die man nog steeds op dezelfde plek, met zijn koffer en zijn schoudertas. Verbijsterd eigenlijk, hij leek niet te kunnen geloven wat hem was overkomen. Misschien kwam het doordat Le Carré net was overleden en ik begonnen was met het bekijken van op zijn romans gebaseerde films dat ik aan Checkpoint Charlie moest denken, de legendarische grensovergang tussen West- en Oost- Berlijn die ik als kind had gepasseerd.

Mijn moeder had een tante in West-Berlijn waar we minstens één keer per jaar heengingen. Op een dag in de herfstvakantie ergens eind jaren zeventig ging ik met mijn vader via Checkpoint Charlie naar het Oosten, mijn moeder en mijn zus bleven in het Westen. Waarom ze niet mee wilden, weet ik niet meer. Mijn vader zou een kennis ontmoeten in Oost-Berlijn, een man die hij via een Duits radiostation had leren kennen. Hij had meegedaan aan een prijsvraag, had een prijs gewonnen, een luisteraar uit Oost-Berlijn had dat gehoord en had mijn vader een brief geschreven om hem te feliciteren. Mijn vader luisterde chronisch naar de Duitse radio en deed net zo chronisch mee aan prijsvragen. Als men mij nu zou vragen wie hij was, zou ik zeggen: hij was een luisteraar.

Toch besef ik nu ik dit opschrijf – van die gewonnen prijsvraag en die Oost-Berlijner die hem per brief feliciteerde – dat het een raar verhaal is. Aan de andere kant, het zijn doorgaans de rare verhalen die waar zijn en de schijnbare normale verhalen zijn nogal eens gelogen. Hoe dan ook, mijn vader en ik gingen naar het Oosten, ontmoetten de man die hij via de radio had leren kennen. Mijn vader had een pakje voor hem bij zich, ik meen me te herinneren dat hij had gezegd dat hij gedroogde abrikozen voor die man had gekocht, want die waren in de DDR zo moeilijk te krijgen. Zulke details maken indruk op een kind.

Wat ik me vooral herinner van die dag in Oost-Berlijn was een diepe vrees dat we om wat voor reden dan ook niet terug zouden kunnen naar het Westen en dat we mijn zus en moeder nooit meer zouden zien.

Daar op JFK, kijkend naar die man die in verbijstering achterbleef, kwam die herinnering aan Berlijn eind jaren zeventig ongemeen fel boven. Samen met herinneringen aan een West-Berlijnse metrolijn vóór de val van de Muur die gedeeltelijk onder Oost-Berlijn doorging; je passeerde stations die gesloten waren maar waar wel tl-licht brandde. Die spookstations hebben grote indruk op me gemaakt, je zag iets wat niet voor jouw ogen bestemd was, een onderwereld.

Nu vraag ik me af waarom ik mijn vader niet meer vragen heb gesteld over die ontmoeting in Oost-Berlijn, want ik was een nieuwsgierig kind. Vermoedelijk komt dat omdat mijn vader op persoonlijke vragen nooit antwoord gaf, alleen op algemene vragen, daarom ben ik op een gegeven moment opgehouden hem persoonlijke vragen te stellen.

Ik ging door met het bekijken van op John le Carrés gebaseerde films en series – soms moet je een systeem aanbrengen in je kijkgedrag. Eén serie zag ik samen met mijn vriendin, daarna reisde ik terug naar Amerika, waar ik om dwingende redenen enige tijd zou blijven. ’s Nachts keek ik op bed op mijn telefoon Le Carré-verfilmingen, soms tot vroeg in de ochtend. ‘Je lijkt een puber’, schreef mijn vriendin. Je moet wát tijdens eenzame nachten.

Geen van die verfilmingen raakte me zo als The Spy Who Came in from the Cold, een zwart-witfilm van Martin Ritt uit 1965. Ik had het boek als tiener gelezen, maar er was me weinig van bijgebleven.

Een Britse spion, Alec Leamas, gespeeld door Richard Burton, voormalig hoofd van de Britse geheime dienst in West-Berlijn, moet doen alsof hij overloopt naar het Oosten om een Britse dubbelspion te redden. Het is zijn baas Control, een prachtige naam voor een opperspion, die hem deze missie geeft.

Om het overlopen aannemelijk te maken – in de wereld van spionnen gaat het natuurlijk ook om wat aannemelijk is – wordt zijn leven in scène gezet. Hij wordt op een zijspoor gezet bij MI6, neemt ontslag, krijgt via het arbeidsbureau een lullig baantje bij een bibliotheek, waar hij contact maakt met een collega, Nancy, gespeeld door Claire Bloom. Ze nodigt hem op een avond uit bij haar thuis, ze heeft whisky ‘voor medicinale redenen’. Daar vertelt ze hem dat ze voor de wereldvrede is, dat ze communist is, en ze vraagt waar hij in gelooft. ‘Ik geloof erin’, antwoordt Leamas, ‘dat bus 11 naar Hammersmith gaat en dat die niet wordt bestuurd door de Kerstman.’

Het is onduidelijk of dit is wat Leamas echt gelooft of dat het slechts hoort bij de rol die hij speelt als een aan lager wal geraakte, verbitterde spion, klaar om opgepikt te worden als overloper door de vijandelijke geheime dienst.

Uiteindelijk belandt hij in Oost-Duitsland als overloper waar hij terechtkomt in een steekspel tussen DDR-spionnen: Mundt, chef van de Oost-Duitse inlichtingendienst en zijn adjudant, Fiedler, van Joodse komaf. Waar het spel van dubbelspionage ophoudt, waar de echte loyaliteiten liggen van de spionnen wordt gaandeweg steeds onduidelijker. Het is zoals Leamas zegt tegen Nancy als ze uiteindelijk opduikt in de DDR, ze dacht dat ze deel uitmaakte van een cultureel uitwisselingsproject om de wereldvrede naderbij te brengen: ‘Er is maar één wet, berekening.’

De film deed mij qua sfeer erg denken aan een van mijn lievelingsfilms, The Third Man van Carol Reed uit 1949, gebaseerd op een roman van Graham Greene. Lange schaduwen, zoeklichten, dezelfde desolate naoorlogse sfeer, een wereld gevuld met scharrelaars, oplichters, spionnen, fantasten, gelegenheidsdieven en moraalfilosofen. Het woord valt in The Spy Who Came in from the Cold, Leamas zegt: ‘Wat denk je dat spionnen zijn, moraalfilosofen?’

Op een eigenaardige manier toont de wereld van Le Carré, en ook die van Greene, de andere kant, de praktische kant van de moraalfilosofie. Een rioolput wordt geopend en blijkt een vluchtroute te zijn, een toevallige ontmoeting in een bibliotheek blijkt niet zo toevallig te zijn en dan zijn er nog de kerk en whisky voor genade en verdoving.

Alles is berekening maar uiteindelijk wint de liefde, die meer is dan dat, hoopt men. In veel mythen, romans en films valt de liefde samen met dood. De ware loyaliteit is de loyaliteit waar je aan sterft, zo ook in The Spy Who Came in from the Cold.

De levenden moeten het doen met de mogelijkheid van verraad, met de mogelijkheid van mogelijkheden. Zoals Leamas over Mundt zegt: ‘Gisteren was hij slecht en mijn vijand. Vandaag is hij slecht en mijn vriend.’

Het was een uur of 3 in de ochtend in New York toen de film was afgelopen. Ik legde mijn telefoon weg en ging voor het raam staan. Een man met een fiets aan zijn hand liep door de koude nacht.

Even dacht ik aan mijn vader en toen aan die man op JFK die was achtergebleven. Had zijn vrouw dat expres gedaan? Was de werkelijkheid een handje geholpen?

De man met de fiets aan zijn hand sloeg de hoek om. Ik sloot het gordijn.

Ook al zijn we niet in dienst van professionele informatiezoekers, wij helpen allemaal de werkelijkheid een handje, althans dat denken we te doen.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden