Boekrecensie Ooit aten we dieren

Ooit aten we dieren schetst een prikkelend veganistisch toekomstbeeld, maar de grondtoon is er één van vooringenomenheid ★★★☆☆

Zal het nageslacht met schaamte en afgrijzen terugkijken op ons vleeseten van nu? Roanne van Voorst schetst een prikkelend veganistisch toekomstbeeld in ‘Ooit aten we dieren’, maar haar betoog had aan kracht gewonnen als het minder vooringenomen was geschreven.

Beeld Max Kisman

Je moet als carnivoor sterk in je schoenen staan om niet af en toe door het bange vermoeden te worden beknaagd dat je je weleens aan de verkeerde kant van de geschiedenis zou kunnen bevinden. Van natuurlijk, chic en voedzaam verschuift het imago van vlees de afgelopen jaren naar vervuilend, ordinair en ongezond. Half Hollywood eet tegenwoordig #vegan, en de kwaliteit en diversiteit van plantaardige vlees- en zuivelvervangers verbetert razendsnel.  

Jaarlijks worden er systematisch honderden miljarden complexe, intelligente wezens als varkens, kippen, schapen en koeien via een kort kloteleven naar een vaak gruwelijke dood gejaagd. 

Zullen volgende generaties daar later met afschuw op terugzien, zoals wij nu kijken naar slavernij, huiselijk geweld en andere vormen van onderdrukking en exploitatie die ooit normaal waren? Roanne van Voorst (1983), antropoloog en schrijver van twee romans en drie eerdere non-fictiewerken, gebruikt dit vermoeden als uitgangspunt voor haar nieuwe boek Ooit aten we dieren. 

Roanne van Voorst: Ooit aten we dieren.

Het is een prikkelend idee: De subcultuur van de veganisten, die nu nog klein is maar ontegenzeggelijk aan invloed, populariteit en omvang wint, wordt binnen afzienbare tijd onafwendbaar de heersende cultuur. Onder invloed van allerlei maatschappelijke ontwikkelingen zal de veehouderij en het gebruik van dierlijke producten eerst uit de mode raken, daarna worden uitgefaseerd en taboe verklaard.  

Van Voorst, zelf sinds enkele jaren overtuigd veganist, bespreekt in haar boek tientallen aanwijzingen voor haar positieve boodschap uit de dagelijkse praktijk en de geschiedenis, en wisselt die handig af met persoonlijke ervaringen, slimme observaties en vrijwel de gehele, vuistdikke documentatiemap Gruwelijke Voorbeelden uit de Bio-industrie. Het waaiert behoorlijk wijd uit, van beroemde veganisten als Pythagoras en Miley Cyrus en psychologische studies over cognitieve dissonantie naar de zuivellobby, het masculiene imago van vleeseten, het beruchte vitamine B12-tekort en de populariteit van boerenkool. 

Een centrale rol in het boek speelt het begrip ‘carnisme’ – theorie van de onder vleesverlaters zeer populaire psycholoog en activist Melanie Joy, die het veganisme stevig in de social justice movement verankert. Carnisme wordt dan gezien als een onzichtbaar, gewelddadig, dominant systeem, vergelijkbaar met institutioneel racisme of seksisme – een ‘onzichtbare hand’ waardoor mensen – van nature empathische dierenliefhebbers: kijk maar hoeveel we van onze honden houden – richting het vleeseten worden geduwd. Van Voorst noemt het ook: ‘De Mindfuck’. 

Vooruitblikken worden gepresenteerd in twee nogal harkerig geschreven, fictieve intermezzo’s, waarin een toekomstgezin dat zich voortbeweegt op een soort zwevende skateboards, worstelt met 1. de schaamte over het carnivore verleden van opa en 2. continu terugpratende keukenapparatuur (waarbij dat tweede mij uiteindelijk veruit het vervelendst lijkt). 

Het is beslist geen slecht boek. De premisse stemt tot nadenken en ook als een brede inleiding voor mensen met interesse voor de veganistische lifstyle doet het wat het moet doen. De stijl is overwegend vrolijk en leesbaar, al slaat het lossige toontje nu en dan over in popiejopie-‘how do you do, fellow kids’-achtige kneuzigheid: ‘Vegans zijn ineens sexy as fuck! Watskeburt? Instagram, datskeburt.’

Het is moeilijk bij zo’n deels in vrije vorm, persoonlijk geschreven pleidooi niet de vergelijking te maken met dat ándere boek over stoppen met vlees, Eating Animals van Jonathan Safran Foer, tien jaar oud alweer. Een weergaloos, even rete-spannend als afschrikwekkend pamflet tegen de bio-industrie, vol zorgvuldige nieuwsgierigheid en ook gevoelig voor de betekenis die (vlees)eten in de levens van mensen heeft. Hoewel Van Voorst óók aandacht besteedt aan haar eigen worstelingen met het veganisme (bijvoorbeeld in een geestig stukje over hoe haar nog wel eieren etende geliefde het irritant vindt dat zij tijdens romantische etentjes steeds over zielige kippen begint) is de grondtoon er één van vooringenomenheid. Vanuit een toekomst die je zelf hebt verzonnen als expansie van je toch al stellige eigen overtuiging, heb je terugkijkend immers per definitie altijd gelijk. 

Hoewel Van Voorst op sommige gebieden uitgebreid onderzoek heeft gedaan, doet alle informatie die ze geeft dienst als illustratie van haar al ingenomen standpunt (veganisme is de toekomst) en laat ze vooral ook een heleboel weg. Belooft ze ons in het eerste hoofdstuk voor te stellen aan ‘vele tientallen boeren’ die uit gewetensnood zijn overgestapt van vee op groenten, dan komt ze met vijf mensen van wie ze er maar twee zelf via skype gesproken heeft: de interviews met de anderen zijn overgeschreven van een veganistische website. Zegt ze dat Australië, Nederland en China zulke enorm snel groeiende veganistische markten hebben, dan laat ze na óók te vertellen dat het vleesgebruik niet daalt (of in het geval van China zelfs exponentieel groeit). Slaat  ze ons om de oren met gruwelpraktijken die zijn toegestaan in de Amerikaanse veehouderij (onverdoofde castratie, vervoer van etmalen zonder eten en drinken, kistkalveren) dan vertelt ze ons niet dat die in Europa allang niet meer zijn toegestaan. Een groot stuk over bijvangst wordt gebaseerd op één uitzending van Radar van bijna tien jaar oud, zonder ook maar te noemen dat vanwege nieuwe wetgeving bijvangst niet meer op zee mag worden gedumpt.

Er is meer dan genoeg tegen de veehouderij en visserij in te brengen zónder dit soort (op zijn best) slordigheid en (op zijn slechtst) welbewuste cherrypicking, en ik vind het dan ook veelzeggend dat ze er toch voor heeft gekozen. Als veganisme je beginpunt, je morele nullijn is, is het namelijk helemaal niet per se wenselijk dat er ook boeren bestaan die hun dieren wél goed behandelen of dat er wetten worden aangenomen die gigantische verbeteringen impliceren voor het welzijn van boerderijdieren. Dat lijdt maar af van het basisargument: dieren doden en exploiteren is gewoon slecht, hoe je het ook doet. 

Wie hier iets anders over denkt, bijvoorbeeld dat je dieren wel mag opeten als ze maar een goed leven hebben gehad, of dat een klein beetje dierlijk eiwit wél een rol kan hebben in een duurzaam voedselsysteem, wordt afgeserveerd als het willoze slachtoffer van het carnistische systeem – iemand die eigenlijk niet weet wat hij zegt. 

Roanne van Voorst: Ooit aten we dieren. Podium; 288 pagina’s; € 20,50.

Gijs Groenteman gaat in onze illustere archiefkast in gesprek met mensen die hem hebben verwonderd. Rapper Pepijn Lanen, schrijver Paulien Cornelisse en kunsthandelaar Jan Six passeerden al de revue.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden