Oog in oog met die Rothko's was ik weerloos

In zijn rubriek 'Zwagerman kijkt' in de Volkskrant verbond Joost Zwagerman als criticus, liefhebber en bovenal bewonderaar beeldende kunst aan literatuur en poëzie, en analyseerde hij vol passie de uitwerking die kleur - en met name het rood van Rothko - op zijn gemoed had. Vier bijzondere afleveringen van 'Zwagerman kijkt'.

Joost Zwagerman in een taxi in de Verenigde StatenBeeld An-Sofie Kesteleyn

20/1/2015 Zwagerman over het werk van Edward Hopper

Vaak wordt over Hopper beweerd dat hij stills van niet-bestaande speelfilms schilderde. Stills die onderhuidse spanning verraden. Er was op zijn schilderijen zojuist iets gebeurd of er stond iets te gebeuren. Dat 'iets' was vrijwel altijd onbestemd dreigend en naargeestig.

Maar de kamer op Sun In An Empty Room is dat nu juist niet. En er is geruime tijd geleden iets gebeurd. Iemand is hier overleden en een weduwe of weduwnaar bleef achter, in stille rouw. Nadien verliet de weduwe of weduwnaar het huis waartoe deze kamer behoort. Sindsdien is er iets van die langdurige en bestendige rouw in de kamer achtergebleven. Misschien rookten beide echtelieden en zijn de muren daarom ietwat morsig geel. Ooit moeten die muren helderwit zijn geweest. Maar het kalme huwelijksleven legde er in de loop van de jaren een vaal floers over.

Het is alsof Sun In An Empty Room lijkt te preluderen op het bijna veertig jaar ná 1963 gepubliceerde titelgedicht uit de bundel Totaal witte kamer (2002) van Gerrit Kouwenaar (1923-2014). Dat gedicht opent met deze regels:

Laten we nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik
dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

Kouwenaars Totaal witte kamer is een beheerste rouwklacht. Ik denk dat de ik-figuur in het gedicht hier geen voornemen uitspreekt. In plaats daarvan herinnert de 'ik' zich alle keren dat hij samen met zijn nu overleden geliefde in akoestische harmonie die kamer wit maakte. In zijn eentje wil hij dat nog een keer overdoen, en veinzen dat zijn geliefde nog steeds bij hem is.

Nooit meer zal het echtpaar deze witte kamer binnengaan. Met de dood van zijn geliefde is ook de witte kamer uitgewist en het wit is onbereikbaar geworden. Wat rest is die al even gedempt-verdrietige kamer van Edward Hopper. Ondanks het feit dat de muren zijn vergeeld, oogt die kamer waardig. Het is geen kamer die zich schaamt.

Sun in an empty roomBeeld Edward Hopper

28/4/2015 Zwagerman na een bezoek aan De Late Rembrandt tentoonstelling in het Rijksmuseum, over het rood in de jurk van Het Joodse bruidje.

Ik heb in mijn liefde voor Het Joodse bruidje niet uitsluitend dichter Pierre Kemp aan mijn kant. Vincent van Gogh zag het schilderij in 1885 in het Rijksmuseum en liet weten dat hij tien jaar van zijn leven had willen geven om veertien dagen lang onafgebroken tegenover het bruidje plaats te mogen nemen: 'Met een korst droog brood als voedsel'.

Dáár kon - en wilde - zelfs Pierre Kemp niet overheen. Kemp drukte zijn aanbidding van het rood van de jurk van het bruidje niet uit in recordtijden en bereidheid tot opoffering en kastijding - die tic is toch echt vintage-Van Gogh. Intussen vereenzelvigde Kemp zich in zijn gedicht niet alleen met de man naast het bruidje, maar ook met de rode stof van de jurk:

het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok
het is mijn Rood, rondom haar rechterhand
neen, geen juwelen, franjes of kant
het is maar rood
Het Rood, dat ik aanbid
vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.

(...)
Vincent van Gogh zei nog iets anders over het bruidje. Hij was getroffen door haar 'nobel sentiment, grondeloos diep'. Van Gogh meende dat Rembrandt erin was geslaagd de diepste grondtoon van dat sentiment naar de oppervlakte te hebben geschilderd. 'Je moet', aldus Van Gogh, 'al een paar keer dood zijn geweest om zo te kunnen schilderen.'

(...)
Het is een bepaald soort kunstenaar - gekweld, gepijnigd en bezeten - dat eerst 'een paar keer moet sterven' alvorens tot grootse prestaties te kunnen komen. Van Gogh behoorde naar eigen indruk ongetwijfeld tot die soort. Wat is de staande uitdrukking? Eerst Napels zien, dan sterven. Goethe zag wel wat in dat adagium en schreef erover. In onze tijd behoort het adagium toe aan cabaretiers die ons aansporen om naar Parijs of een andere wereldstad te gaan, om daar dan iedere dag uitbundig te leven alsof je laatste uur geslagen heeft. Zo moest dat nu juist niet, volgens Van Gogh. Het moest omgekeerd. Eerst sterven en daarna kon je Napels en al het andere ter wereld pas écht zien.

Zo moet het, denk ik, zijn. Eerst sterven, liefst 'een paar keer' en je daarna opnieuw onderwerpen aan het rood bij Rembrandt. En kijken wat er dan gebeurt. Vast heel veel.

Het Joodse bruidjeBeeld Rembrandt van Rijn

5/9/2012 Zwagerman over zijn bezoek in New York aan het restaurant Four Seasons in het Seagram Building.

Mark Rothko zou hiervoor zijn later beroemd geworden serie Seagram Murals schilderen, maar die zijn daar nooit terecht gekomen. Hij vond het restaurant vulgair en gaf de opdracht voor de schilderijen terug. Zwagerman ontwaart ter plekke enkele benepen trekjes bij zijn grote held.

Het is een warme dag als ik in Midtown bij de Four Seasons naar binnen ga. Het is lunchtijd. Binnen is het vrijwel uitgestorven. Ongeveer 20 procent van de tafels is bezet. Wie in het hart van mierennest Manhattan zoekt naar zeeën van ruimte, treft het aan in de Four Seasons.

(...)
Niets aan het uit de jaren vijftig daterend interieur is nadrukkelijk zichtbaar gemoderniseerd en de oppervlakte van het restaurant in combinatie met de bijna grotesk hoge wanden is imposant, op het vervreemdende af. Om een idee te geven: restaurant Américain in Amsterdam is een kippenhok in vergelijking met de Four Seasons. Als de Murals hier wél hadden gehangen, zouden ze van bescheiden formaat zijn geweest, terwijl ze anno 2012 in de Tate Modern in Londen, waar de zalen van de voormalige elektriciteitscentrale toch niet de kleinste zijn, de gehele wand van vloer tot plafond bedekken.

(...)
Of ik misschien naar iets op zoek ben, vraagt de kelner. Ik mompel wat over de verbintenis van het restaurant met de naam Mark Rothko, waarop hij direct antwoordt: 'Die verbintenis is er inderdaad, meneer. In die zin dat zijn werk hier níét is te vinden. Ook niet in de tweede eetzaal.' Ik word doorverwezen naar de zogeheten managing partner, die evenmin aarzelt als ik opnieuw Rothko's naam noem en hem vraag of de cliëntèle in de loop van de jaren dezelfde is gebleven: 'O zeker. Het zijn nog steeds dezelfde richest bastards uit de stad - maar nu ook van ver daarbuiten.' De glimlach is welwillend.

Hij stelt zich voor en geeft me zijn visitekaartje. Alex von Bidder, mede-eigenaar. Dat is hij al bijna veertig jaar. 'Dit restaurant is mijn leven. Mijn geschiedenis valt samen met die van de Four Seasons.' Direct daarop vraagt hij: 'U houdt van Rothko's werk?'

'Eigenlijk wel ja,' zeg ik - enigszins halfhartig. Ik vermoed een scheiding der geesten.

'Dan hebben we iets gemeen', antwoordt Von Bidder en biedt me wat te drinken aan.

Ik ben niet de eerste Rothko-bedevaartganger, zo blijkt. Bij het tweede glas dat ik krijg aangeboden, geeft Von Bidder mij het boek The Four Seasons. A History of America's Premier Restaurant.' Hij blijkt het zelf te hebben geschreven, samen met de restaurant-criticus John Mariani. 'Natuurlijk staat het verhaal van de Murals er ook in', zegt Von Bidder.
Het verhaal heeft inderdaad een plek in het boek, leer ik later die dag in mijn hotelkamer, maar het staat er nét even anders dan in de gebruikelijke Rothko-lectuur.

Rothko's onafgemaakte lunch wordt er uitvoerig in beschreven, met details die in geen Rothko-biografie zijn te vinden. Zo staat in het Four Seasons-boek dat hij niet alleen ontstemd was over de cliëntèle, maar ook over het werk van tijdgenoot en geestverwant Pollock. 'I don't like it', schijnt Rothko ter plekke te hebben uitgeroepen, schaamteloos wijzend naar Pollocks Blue Poles. Een andere uitroep is weer wel in die biografieën te vinden: 'Wie bereid is deze belachelijke prijzen te betalen voor een lunch, verdient het niet om ook maar een blik op mijn werk te werpen.'

Al met al krijgt de integere kunstenaar in het Four Seasons-boek enige trekjes van een benepen kleinburger mee, die bovendien gehinderd wordt door jalousie de métier. Dat laatste is niet onwaarschijnlijk; collegialiteit stond niet hoog op Rothko's prioriteitenlijst. En dan ging het hier nog om een mede abstract-expressionist, met wiens werk hij toch verwantschap moet hebben gevoeld.

(...)
'Misschien had de directie minder streng moeten zijn voor Rothko', zegt Alex von Bidder. Pas later, bij het lezen van de restaurant-kroniek, begrijp ik wat hij bedoelt. De oprichter van het restaurant bezocht meer dan eens Rothko's galerie in de Bowery en keurde tot vier keer toe een aantal Murals af. Ook dat detail trof ik niet eerder aan in de Rothko-lectuur. De hand die hem voedde, en de hand waarop hij later zou spugen, was inhoudelijk gezien ook de hand die zijn werk op artistieke details afwees. Misschien werd Rothko's weerzin wel aangewakkerd door die afwijzing.

Die dag in de Tate Modern bleef ik uren rondhangen in de zalen. Ik kan me niet herinneren ooit méér tijd te hebben doorgebracht met en bij een tentoonstelling. En sprekend of schrijvend over die werken van Rothko lijken grote woorden onvermijdelijk. Het volstaat niet te zeggen dat ik de Seagram Murals bekeek en bleef bekijken; ik was er om de werken te ondergaan.

De Seagram Murals in het Tate ModernBeeld ap

7/9/2011 Zwagerman over het plengen van tranen bij het bekijken van Rothko's Murals. Hij vindt troost bij 'onze nationale kunstambassadeur' Henk van Os.

Ik beken: als een ander zoiets schrijft, wend ik mij doorgaans discreet doch beslist af. Kunst ondergáán? Van kunst houden is één ding, erin opgaan en er zelfs door verzwolgen raken is een tweede. Maar oog in oog met die Rothko's was ik weerloos. Na het bezoek schreef ik in Vrij Nederland: 'We zien het grootste, het sacraalste, het monumentaalste, het subliemste. En tegelijkertijd is er het besef dat de kunstenaar wenst dat we worden omhuld door het teerste, warmste, ijlste, stilste, ja, het menselijkste wat de kunst kan voortbrengen. Zijn dit grote woorden? Dat moet dan maar.'

(...)
Hoe beleefden ánderen die opgloeiende, aanzwellende, wegstromende kleurvlakken, opkomend uit het niets en uitvloeiend in het Al? Sommigen gingen er naar mijn idee schandelijk haastig aan voorbij. Anderen draalden er net zo lang als ikzelf. En nu komt het: meer dan eens zag ik toeschouwers huilen. Een enkeling verholen en licht beschaamd, een ander zo te zien nauwelijks bewust van de eigen tranen.

Toen ik dit in Groningen (op een lezing -red.) prijsgaf, ontstond er in het zaaltje gemurmureer. Iemand uit de zaal riep uit: 'Onzin! De kleren van de keizer!'

De protesterende verklaarde zich nader. Dat gesnotter was hooguit een proeve van exhibitionistische zelf-felicitatie van kunstsnobs. Wat viel er te janken om acht of negen monochrome schilderijen op een rij? Die bezoekers hadden braaf gelezen dat Mark Rothko had gepoogd het Goede, Ware en het Schone te vangen in die kleurbanen en -vlakken. En dus vonden die snobs van zichzelf dat ze in vervoering moesten raken. Janken omdat je vindt dat het goed op je cv staat als je om Rothko jankt - zoiets.

Het trof me dat die smart onder de bezoekers zo makkelijk kon worden weggezet als pose en sentimenteel snobisme. En ik begon ook ter plekke licht te twijfelen - want: wanneer een abstract beeld je aan het huilen brengt, waar huil je dan precies om?

Ik dacht terug aan die avond in Groningen en aan de wenende passanten in Tate Modern bij het lezen van Kijk nou eens, het nieuwe boek van oud-directeur van het Rijksmuseum Henk van Os. Eén verhaal heet Tranentrekkende schilderijen. Daarin noemt Van Os een boek dat ik niet kende: Pictures & Tears. A History of People Who Have Cried in Front of Paintings. Als er nu iémand is die, eertijds in het tv-programma Beeldenstorm en nu nog steeds in zijn boeken, met onverslijtbare geestdrift maar zonder ooit een spoortje snobisme en dweepzucht spreekt over kunst, dan onze nationale kunst-ambassadeur Henk van Os.

In Tranentrekkende schilderijen benadrukt Van Os dat het laten van een traan bij het zien van een kunstwerk helemaal niets zegt over de kwaliteit ervan. Het zijn het gemoed en de - soms benarde - situatie waarin de toeschouwer zich bevindt, waardoor de traan ineens kan wellen. Van Os haalt een even luchtige als beladen herinnering op aan de eerste en enige keer dat hij het zélf niet droog hield bij het zien van een schilderij. Het was een werk waar de kunsthistoricus in hem niet bepaald warm voor liep. Sterker, hij vond het redelijk klef. Het was When Apples Were Golden and Songs Were Sweet van de pre-rafaëliet John Melhuish Stradwick.

Stradwicks schilderij toont twee etherische meisjes die aanminnig en devoot een boekske lezen en een ukelele bespelen. Van Os zag het werk in 1963 in Manchester - en was tot zijn eigen verbazing en schrik acuut in tranen. Van Os was nog jong, en zijn verloofde had het kort tevoren uitgemaakt. Ontroostbaar was hij het museum binnengegaan - en ja, dan brengen meisjes met ukeleles en een boek op schoot je, ondanks jezelf, aan het wenen.

Terugkijkend is Van Os nuchter en zelfs cabaretesk gestemd over zijn bevangenheid bij het zien van het schilderij. Maar interessant is wat hij vervolgens schrijft over het boek Pictures & Tears: 'Uit Elkins rondvraag blijkt dat (..) de meeste respondenten zijn gaan huilen voor een schilderij van Mark Rothko.'

Aha. Zo uitzonderlijk was het dus niet wat ik in de Tate Modern had zien gebeuren. En laat Rothko nu óók de kunstenaar zijn aan wie Van Os een ánder verhaal wijdt: Een kunstwerk dat er echt toe deed. Van Os vertelt er over de eerste keer, in 1960, dat hij tegenover een werk stond van Rothko. Het was in Basel, in 1968. Van Os liep er nietsvemoedend een museum binnen - en zag daar Rothko's Red, White and Brown. Hij stond 'aan de grond genageld'. Een hele ochtend bracht Van Os door voor het schilderij, want: 'je verloor jezelf in een bedding van licht en kleur. (..) Nog nooit had ik mij zo sterk gerealiseerd wat ik (..) in kunst zocht. Nu wist ik het: opgaan in een verheven stilte. Ontkomen aan jezelf in sublieme rust.'

Rothko's sferisch opgloeiend universum van frêle, bijna bovenzinnelijke kleurbanen als voertuig naar Selbstverneinung- hier bezigt ook de nuchtere Henk van Os zijn de grootst denkbare woorden, om een sensatie te verwoorden die veel ingrijpender en substantiëler is dan het plengen van een traantje.

In een eertijdse aflevering van Beeldenstorm, terug te zien op de dvd Hoogtepunten uit Beeldenstorm, gebruikte Van Os over Rothko's schilderij in Basel identieke woorden: 'Je verdween in een eindeloze kleurbedding. Je werd stil vanwege het sublieme.'

Een stil verdwijnen in een eindeloze kleurbedding - als dat niet zweemt naar je reinste religieuze of dan toch mystieke ervaring. Vergeleken bij die sensatie is een vochtig wordend oog een peulenschil. Toen ik het las, beving mij een zekere troost. Ik was niet langer alleen. Henk van Os had een soortgelijke sensatie ondergaan.

Van Os' woorden indachtig is het toch echt een feit dat de confrontatie met een meesterwerk van Rothko ons kan meevoeren naar verten van - nee, niet van zelfvertedering of zelf-felicitatie, maar van zelfvergetelheid en zelfverlossing.

Wéér die grote woorden. Ik laat ze staan. Soms zijn grote woorden nodig om te raken aan een ijle stilte en aan broze diepten van het gemoed. Met nieuwe kleren van de keizer heeft die sensatie van het aanschouwen van Rothko niets te maken. Wel met een op te vangen glimp van naakte nietigheid, van een fluisterend (en verlossend) nee tegen de wereld en een ja tegen de door Rothko onontkoombaarheid van het Niets.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden