Reconstructie Rembrandt van Rijn

Onno Blom ging in de Pieterskerk in Leiden op zoek naar het graf van Rembrandts moeder

Kaart van Leiden in 1600 Beeld de Volkskrant kaartbron

In het speurwerk voor zijn vandaag verschenen biografie van de jonge Rembrandt deed Onno Blom een opwindende ontdekking: hij vond het graf van Rembrandts moeder. Maar waar bleven haar botten?

Om de jonge Rembrandt nabij te komen, liep ik de afgelopen twee jaar in zijn voetstappen door mijn eigen stad. Droef genoeg is Leiden in het verleden slordig omgegaan met de erfenis van haar beroemdste zoon – met als tragisch dieptepunt, nog in de vorige eeuw, de afbraak van wat nog restte van Rembrandts geboortehuis.

Op mijn zoektocht naar de feiten uit zijn jeugd moest ik mij tevreden stellen met slechts twee handen documenten in het Leidse stadsarchief. Ik was gedwongen mijn portret van de kunstenaar als jongeman te schetsen aan de hand van wat hij dagelijks om zich heen zag: het huis, de steeg, de buurt, de stad.

Onderweg keek ik onder elke Leidse steen om te zien of ik iets nieuws over Rembrandt op het spoor kon komen. Ik sprak ook met zoveel mogelijk mensen in de stad die mij iets zouden kunnen vertellen over aspecten uit het leven van de jonge Rembrandt aan het begin van de Gouden Eeuw.  Stiekem hoopte ik iets te vinden dat alle onderzoekers de afgelopen eeuwen over het hoofd hadden gezien, al wist ik dat die kans verwaarloosbaar was. Het leuke was: ik heb, denk ik, ook echt iets gevonden. Maar ik vond ook iets wat ik niet zocht. Een paar maanden geleden stuitte ik op iets dat zo bizar was dat mijn adem stokte. Heel even verkeerde ik in de illusie dat ik in de krochten van de dood de vondst van mijn leven had gedaan.

Op een koude, kraakheldere winterochtend duwde ik de grote, rode deur van de Pieterskerk open en ging naar binnen. Het zonlicht viel door de hoge gotische ramen in brede banen tussen de pilaren, even imposant als de zuilen van de tempel op het schilderij waarop de oude Simeon in het baby’tje de Messias herkent en een lofzang afsteekt. Het is goed mogelijk dat Rembrandt hier is gedoopt – al kunnen we dat niet bewijzen omdat pas sinds 1621, vijftien jaar na Rembrandts geboorte, doopregisters van de kerk zijn bewaard.

Onno Blom in de Pieterskerk in Leiden Beeld Hilde Harshagen

Toch is de Pieterskerk een van de plekken in de stad waarvan we zonder twijfel kunnen zeggen: Rembrandt was hier. Elke zondag ging hij ter kerke met zijn ouders, de molenaar Harmen Gerritszoon van Rijn en zijn vrouw Neeltje van Zuytbroeck, zijn broers en zusters en zijn grootouders. Rembrandt zal als benjamin van het gezin op de kerkbank tegen zijn moeder aan zijn gekropen, hebben geluisterd naar de galmende stem van de predikant. Gezongen in het koor heeft hij er niet meer, zoals voor leerlingen van de Latijnse school vóór de beeldenstorm gebruikelijk was. Dat werd als te frivool beschouwd. Maar hij zal vast weleens de ijle tonen van het orgel hebben horen weerkaatsen tussen de zuilen. 

Maar het belangrijkste dat de familie van Rijn aan de Pieterskerk verbond, was het leven na de dood. Ze bezaten er hun eigen graf. Dat zou zich ergens in de ‘middelkerk’ bevinden, de grote ruimte tussen de twee centrale, massieve zuilenrijen in het schip.

Op geen enkele van de honderden grijs-glimmende stenen van de vloer staat de familienaam vermeld. De conservator van de Pieterskerk vertelde mij dat de familie van Rijn in 1610 door een ruil graf nummer 99 in bezit zou hebben gekregen. Daar zouden de ouders van Rembrandt – zijn vader stierf in 1630, zijn moeder tien jaar later – dus zijn begraven. Maar welke steen nummer 99 precies was, wist hij niet. De nummering was door de eeuwen heen verloren gegaan.

Ik besloot de originele grafboeken van de Pieterskerk te raadplegen, die vlakbij in het regionaal archief aan de Boisotkade in Leiden worden bewaard. Twee ervaren stadsonderzoekers, Kees Walle en Piet de Baar, de laatste een oud-archivaris, hielpen mij de boeken te vinden en het lastig leesbare 17de-eeuwse schrift te ontcijferen. We ontdekten onmiddellijk dat er geen sprake was van één, maar van twee graven, die bovendien andere nummers droegen: middelkerk 60 en 71. En de graven waren niet in 1610, maar op 25 september 1645 geruild voor middelkerk nummer 99 en 101.

Wat was er gebeurd? Dat iemand 1610 had genoteerd, was een begrijpelijke vergissing, want het grafboek zelf dateert van dat jaar. Het jaartal staat op de perkamenten band geschreven. In 1610 hadden de kerkmeesters van de Pieterskerk namelijk besloten tot een ingrijpende operatie: de gehavende vloer werd gerepareerd. Gebroken stenen werden vervangen, de rest rechtgelegd. De eigenaren van de graven werden opnieuw geadministreerd.

Niet alleen Rembrandts vader, Harmen Gerritsz, maar ook zijn stiefgrootvader Cornelis Claesz van Berckel bezaten ieder een eigen graf. Cornelis was met Rembrandts grootmoeder Lijsbeth getrouwd nadat haar man Gerrit in 1573 was gestorven. De molen van de familie, die buiten de stadsmuren aan de Rijn had gestaan, was door de Spanjaarden bij het beleg van Leiden in de fik gestoken. Lijsbeth was met haar nieuwe man en haar kinderen binnen de muren komen wonen, direct achter de westelijke stadswal waarop zij een nieuwe molen oprichtten. Daar, in het molenhuis in de Weddesteeg, werd Rembrandt in 1606 geboren. Hij zou zijn hele leven ‘opa’ tegen Cornelis zeggen.

Op 18 maart 1611 hebben Rembrandts vader en stiefgrootvader zich samen gemeld bij de kerkmeesters van de Pieterskerk om hun eigendom vast te leggen. Die dag werd er bij nummer 60 in de middelkerk genoteerd: ‘behoert toe Harmen Gerritsz, molenaer.’ En bij 71: ‘behoert toe Cornelis Claesz, molenaer.’ Rembrandts ouders waren dus in ‘middelkerk 60’ begraven. Maar de vraag bleef: waar was dat precies?

Kees Walle vertelde dat hij eens had samengewerkt met een Leidse wiskundige en amateurhistoricus, Robert Oomes, die decennialang onderzoek had gedaan naar de graven in de Pieterskerk. Oomes had in 1979, toen de kerkvloer voor de zoveelste maal werd gerestaureerd en alle zerken waren gelicht, de oorspronkelijk grafstructuur in kaart gebracht. Als iemand zou weten waar welk graf lag, was hij het. We konden het hem alleen niet vragen. Robert Oomes was een paar jaar geleden gestorven. Maar hij had, zei Kees, wel zijn persoonlijk archief aan het stadsarchief nagelaten.

Daarop heb ik gevraagd of ik Oomes’ papieren erfenis in mocht zien. Dat mocht. Op een ochtend werd een manshoge trolley met dozen vol ongeordend materiaal de leeszaal van het archief binnengereden. Tussen die stapels dozen lag een aantal kartonnen rollen. De eerste die ik openmaakte, bevatte, verdomd als het niet waar is, plattegronden van de Pieterskerk, waarop in potlood in de graven nummers stonden ingetekend.

Op basis van Oomes’ plattegrond kon ik vaststellen dat graf nummer 60 en 71 zich recht onder de preekstoel moeten hebben bevonden. De twee graven grensden aan elkaar. Het voeteneind van 60 lag tegen het hoofdeind van 71. Dat kon geen toeval zijn. Het was fijn om in de dood naast elkaar te komen liggen, net zoals de families naast elkaar leefden in twee delen van hetzelfde molenhuis in de Weddesteeg.

Bovendien had het een praktisch voordeel. In een graf konden vier kisten op elkaar worden gestapeld. Als er geen ruimte was voor een nieuw sterfgeval, kon een kist na de dood van een familielid worden ingedrukt. Maar als de doden zich te snel opstapelden, ten tijde van een epidemie of kindersterfte, kon er een gat in het scheidingsmuurtje tussen de twee graven worden gebroken om een kist van de ene naar de andere ruimte door te schuiven. Bij een uitvaart, als de steen werd gelicht, moet de stank ondraaglijk zijn geweest.

In het graf nummer 60 hadden Harmen en Neeltje vlak voor de geboorte van Rembrandt twee jonggestorven kindjes begraven. In 1625 stierf hun dochter Machtelt, die waarschijnlijk ten prooi was gevallen aan de zwarte dood, de pestepidemie die dat jaar honderden slachtoffers eiste. Grootvader Cornelis was op 21 januari 1627 in de middelkerk nummer 71, één plaats naar het oosten, met zijn hoofd in de richting van Jeruzalem, in zijn laatste rustplaats gelegd.

Op 27 april 1630 werd Rembrandts vader in Leiden begraven. Harmen Gerritszoon van Rijn was 63 geworden – de leeftijd die zijn zoon ook zou bereiken, al wist de schilder dat natuurlijk niet toen hij aan het graf van zijn vader stond. Aangezien Harmen al zes jaar tevoren vanwege zijn slechte fysieke staat was ontheven van zijn taken als buurtheer, zal de molenaar en pater familias aan het einde van zijn leven een broze man zijn geweest.

Die dag is de kist van Harmen, in aanwezigheid van zijn vrouw Neeltje, zoons en dochters, familie en aangetrouwden, van de Weddesteeg over het Noordeinde en het Rapenburg naar de kerk gedragen. Toen de rouwstoet op het Pieterskerkplein aankwam en de grote, geopende rode kerkdeuren naderde, luidde de doodsklok.

De dood van zijn vader moet voor Rembrandt een intens droeve en existentiële ervaring zijn geweest. Hij heeft een tekening van zijn vader gemaakt in rood en zwart krijt, met penseel en bister, pigment uit roet en teer. In het midden onder het portret schreef hij, als gebeiteld op een grafsteen:

harman. gerrits

Van den Rhijn

Portret van een oude man, 17e eeuw geschilderd door Rembrandt Harmensz van Rijn Beeld Bridgeman Images

Is deze tekening van Rembrandts vader, met lange grijze baard, gegroefd, ingevallen gelaat en gesloten ogen, een doodsportret? Het lijkt of Harmen niet ligt, maar zit. Waarom heeft hij dan zijn ogen gesloten?

Er is weleens gesuggereerd dat Harmen blind zou zijn geworden, maar daar is nergens in de getuigenis-, notaris- of bonboeken in het stadsarchief een aanwijzing voor gevonden. Het is opvallend hoe vaak Rembrandt de blindheid verbeeldde: de arme Tobit, die door een mus in zijn ogen werd gescheten en zijn zicht verloor. Het gruwelijke uitsteken van de ogen van Samson. Het moet zijn ultieme angst zijn geweest. Hoe kan het anders, voor een schilder die alles ontleende aan het licht in zijn ogen?

De tekening van Harmen uit 1630 kan, gezien het gebruik van verschillende materialen en de ongewone signatuur, op twee verschillende momenten zijn ontstaan. Voor en na de dood. Dat zou kunnen betekenen dat Rembrandt, toen hij zijn oude vader aantrof die in zijn stoel aan het haardvuur zijn knoken warmde, hem in snelle krijtlijnen heeft neergezet. Toen zijn vader was gestorven heeft hij hem op papier met een teder gebaar de ogen gesloten.

Neeltje van Zuytbroeck overleefde haar man maar liefst tien jaar. Rembrandt was toen al negen jaar weg uit Leiden, en was in Amsterdam rijk en beroemd geworden. We nemen aan dat hij onmiddellijk met de trekschuit is teruggekeerd toen hij hoorde dat zijn moeder was gestorven. Dat hij aanwezig was in de Pieterskerk, toen haar kist onder het gelui van dezelfde doodsklok, op 14 september 1640, in het familiegraf werd neergelaten.

Dit zat ik allemaal te bedenken terwijl ik met de foto van Oomes’ plattegrond op mijn iPhone naar de Pieterskerk terug was gegaan. Mijn voetstappen klonken hol over de graven, toen ik stopte voor de stenen recht onder de preekstoel. Via een architect die bij een latere restauratie van de kerk betrokken was geweest, Boudewijn Veldman – die ook nog eens, geloof het opnieuw of niet, mijn schoonvader is – begreep ik dat de stenen die nu onder de preekstoel liggen niet meer de originele uit de 17de eeuw zijn.

Hij gaf mij een boekje dat in 1981 in kleine oplage was gedrukt, waarin een aantal wetenschappers verslag doen van onderzoek dat zij tijdens de restauratie hadden verricht. Een anatoom, dr. G.J.R. Maat, beschreef zijn bevindingen bij de bestudering van de menselijke resten die onder de geopende vloer van de Pieterskerk waren aangetroffen.

Toen ik het verslag van de anatoom begon te lezen, stokte mijn adem. Er stond: ‘De onderzoekingen namen een aanvang op 26 januari 1979 met de vondst van een gemummificeerd stoffelijk overschot onder de preekstoel in de middenkerk.’ Er stond een foto bij van het skelet. De onderkaak was verdwenen, als bij een gruwelijke, tandeloze grimlach. De beenderen van de armen lagen strak langs het lijf, de knoken van handen gekromd op de heupen. Was ik op de mummie van het lijk van Rembrandts moeder gestuit? Ik was toch zeker Dan Brown niet?

Maar ik geef toe: hoe bizar het ook klinkt, de kwestie liet mij niet los. Via via kreeg ik het mailadres te pakken van emeritus professor George Maat, aan wie ik mijn angstige vermoedens voorlegde. Hij schreef mij heel vriendelijk terug dat ‘de gemummificeerde persoon niet begraven was, maar nabij de preekstoel met kist en al gewoon op de grond onder de houten vloer (die rond de preekstoel lag) was geplaatst.’

Maat vermoedde dat de kist als illegale bijzetting ‘onder de vloer was geschoven’ omdat na de invoering van een nieuwe Napoleontische wet in het begin van de 19de eeuw, begraven in de kerk niet meer was toegestaan. ‘Mogelijk wilde de persoon niet buiten de kerk op een begraafplaats begraven worden.’

Onno Blom in de Pieterskerk in Leiden Beeld Hilde Harshagen

Dit was dus helemaal Rembrandts moeder niet, maar een heer uit de negentiende eeuw. Mijn fantasie was met me op de loop gegaan. 

Het zou heel goed kunnen dat werkzaamheden rond de preekstoel, om ruimte te maken voor een hek of nieuwe vloer, de reden zijn geweest dat de kerkmeesters in 1645 graag de graven op die plek weer in eigen beheer wilden krijgen. In elk geval ruilden zij met Adriaen van Rijn, de oudste nog levende zoon die in Leiden de familiemolen draaiende hield, terwijl zijn kleine broertje in Amsterdam furore maakte, voor een plek in het hart van de middelkerk. Nummer 101. Zeven jaar later zou Adriaen daar zelf komen te liggen. Of Rembrandt bij de plechtigheid aanwezig was, weten we niet.

Toen ik aan Frieke Hurkmans, de directeur van de Pieterskerk, vertelde hoe ik was geschrokken van de vondst van een skelet, precies op de plek van het graf van Rembrandts ouders, zei ze onmiddellijk. ‘Je bent op Kees Kist gestuit! Zo noemen wij hier die stiekeme ondersteker.’ Zij wist dus al van zijn bestaan. ‘Sterker, hij ligt hier nog bij ons in de opslag.’

Je zou zeggen: dit was het. Toch was dit nog altijd niet het einde van mijn tocht langs sluiproutes en over dwaalwegen. Ik had nóg zo’n Dan Brown-moment. Toen weer een andere medewerker van de Pieterskerk, Boy Heijnekamp, mij voor de zoveelste keer onder de preekstoel zag rondsnuffelen, vertelde hij dat hij had gehoord dat bij de laatste restauratie de stoffelijke resten die zich nog onder mijn voeten hadden bevonden – dus niet ondergeschoven, maar daadwerkelijk op de plek van het graf van Rembrandts ouders –  waren herbegraven.

‘Waar?’

‘Op de begraafplaats aan de Groenesteeg’, zei Boy.

Ik grinnikte. De protestantse begraafplaats aan de Groenesteeg is een van de meest idyllische plekjes van de stad. Al meer dan vijftig jaar mag daar niet meer begraven worden. De stenen zijn bedekt met pokken van mos, hoog gras wuift in de wind. Er bloeien klaprozen. Een aantal van de beroemdste Leidenaren uit de vorige twee eeuwen zijn er begraven.

Stel je voor dat in het graf onder de preekstoel nog iets restte van de ouders van Rembrandt. Dan waren die nu herbegraven op de Leidse begraafplaats waar het beroemdste graf dat van de moeder van Vincent van Gogh is.

Ik besloot om niet meer uit te zoeken of dat echt waar was.

Onno Blom: De jonge Rembrandt

De Bezige Bij; € 29,99. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden