Onmogelijk dada-materiaal swingend gebracht

Ebony Band o.l.v. Werner Herbers, met Jaap Blonk en Elena Vink. Paradiso, Amsterdam, 4 november...

Eén van de componisten vertegenwoordigd op het Ebony Band-programma Dada toen & nu heeft het dadaïsme en surrealisme de meest diepzinnige artistieke bewegingen van de 20ste eeuw genoemd.

Die artistieke omwentelingen, zo verbonden met de trauma's van de Eerste Wereldoorlog, zijn niet meer zo makkelijk te scheiden, lijkt het: dada, met zijn hardhandige absurdisme; het surrealisme, dat de zwevende logica en bizarre details van een droom imiteert. In Paradiso - zoals elders in de muziek en beeldende kunst aan het eind van deze eeuw - raken hun voortbrengselen vermengd.

De grote toetssteen van muzikaal dada is Kurt Schwitters' Ursonate, een gekletter van onzinwoorden voorgedragen met majesteitelijke kracht. Stemkunstenaar Jaap Blonk heeft dit werk opgenomen en vaak uitgevoerd, een model voor de tongverstuikers waar hij patent op heeft.

Blonks weergave van Rudolf Blümners klankgedicht Ango Laïna uit 1921 lijkt de onthulling van een of ander geheim ritueel: een zang in een onbekende taal, vol met de meest uiteenlopende verwijzingen: naar West-Afrikaanse koormuziek, het rappe geratel van een Amerikaanse veilingmeester, een katholieke mis , en eindigend met een vleugje Tibetaans boventoonzingen.

Blonks snelheid en precisie gaan niet altijd in even hoge mate gepaard met het soort ritmische gratie dat conventionele muzikaliteit kenmerkt, maar hier gaven zijn vernuftige accenten een swingende vaart aan het onmogelijke materiaal. Heel indrukwekkend.

De Ursonate was ook de oertekst voor andere stukken, met name Blonks nieuwe Beste Koop, een hyperactieve litanie van klachten gericht aan een consumentenblad. De tirade wordt onderbroken, aanvankelijk sporadisch, door zes instrumentalisten die hem uiteindelijk bedelven onder dikke blokken geluid, alsof al dat gekanker hen uitgeput heeft.

David Dramms Mind River uit 1995 is ook Schwitters-achtig. De absurdistische neigingen van de componist hebben zich al gemanifesteerd in stukken die pianoblues vermengen met Weens serialisme, of Thelonious Monk met hiphop.

Mind River zet dat soort conceptuele kruisingen op een hoger plan, met een tekst die van de ene gestoorde taal naar de andere zwerft (you fremde Meloberry friend,/de Meloberry Blick, wherflebernd you're goin'), waaraan Blonk zijn vocale timbre aanpast, het ene moment helder en kalm, het volgende geknepen en paniekerig.

De zanglijn zit ingeklemd tussen lage strijkers op halve snelheid, en zoemende piano en fluit die pulseren op dubbele snelheid, voor een prachtig mobiel-achtig effect. Het vermengt de drijvende onbestemdheid van zijn oude leraar Earle Brown, de postminimale vaart van zijn mentor Louis Andriessen, en de manieren waarop Dramm zijn eigen stem in bochten wringt als hij popmuziek maakt, waarin dada al lang geleden opgenomen is.

Het oude dada, dat de muziek van de bourgeoisie tegen zichzelf opzette, klinkt nu merkwaardig sterk verbonden met datgene wat het hekelt. Stefan Wolpe's toonzetting uit 1929 van Schwitters' gedicht An Anna Blume en René Leibowitz' Chanson Dada uit 1967, op teksten uit 1912 van dada-grondlegger Tristan Tzara zijn te tamme parodieën op operateske extraversie en smeltende muzikale romantiek.

Niettemin zong Elena Vink ze met precies de juiste instelling, zonder de grappen inherent aan de duikelingen en stemmingswisselingen te dik aan te zetten, of de noodzakelijke komische timing te veronachtzamen. Ze vervulde dezelfde taak in Henry Brants Dialogue in the Jungle. Het is mindere Brant, al is het typisch ruimtelijk, met instrumentalisten in drie groepen, zowel fysiek als in timbre gescheiden, spelend vanop het balkon.

De poging om luisteraars te doen opschrikken door ontregeling verbindt dada met de surreëlere stukken op het programma, waarvan de sterker voor de hand liggende overgangen meer gebruikelijke muzikale bevrediging schonken. Het eerste, allegro-deel van George Antheils Quintette uit 1923 loopt vooruit op de postmoderne muziek die in kort bestek meerdere stijlen verwijst. Zijn kalm suggestieve vignetten glijden in elkaar over, met milde Ivesiaanse botsingen. Maar sommige samenklanken voor viool en vier blazers waren prachtig, en de musici lieten Antheils compositorisch vakmanschap goed uitkomen.

Het programma begon met Quintette. Het sluitstuk was Drie Intermezzi (1980) van Misha Mengelberg, de componist aan wie aan het begin van deze recensie op gerefereerd werd. Zoals andere confrontaties van Mengelberg met de Grote Traditie, lijkt het bedoeld om zowel de gevoelens van de musici als van het publiek bij de neus te nemen zonder zijn gave voor sensuele melodieën te onderdrukken.

De Ebony Band belichtte vaardig beide kanten van de persoonlijkheid van de componist, want jezelf voor schut zetten behoort inmiddels tot het arsenaal van elke goede uitvoerend musicus. Dada zij dank.

Passend genoeg was het meest dadaïstische stuk het enige dat op de band stond, een van de verscheidene 'entr'actes' in de pauzes tussen sets en de pauzetjes tussen stukken: Mengelberg's Duel/Duet (1972) met de papagaai van zijn vrouw, Eeko, die meezong met zijn piano, gewoon om hem te treiteren.

Kevin Whitehead

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden