BESCHOUWINGTHEATERPUBLIEK

Onlinetheater ráákt niet, want bij theater draait het om de ontmoeting tussen spelers en publiek

Fijn hoor, de restjes theater, het surrogaat dat theatergroepen online presenteren nu de zalen zijn gesloten. Maar deze voorstellingen raken thuis nauwelijks. Wat ontbreekt? De andere toeschouwers. 

Beeld Aart-Jan Venema

Ik ben bruiloftsgast geweest, op de traditionele Turkse bruiloft van de mooie Sare, zus van theatermaker Sadettin Kirmiziyüz. Ik was negen uur lang lid van een Deense sociaal-democratische partij, tijdens een partijbijeenkomst in de schouwburg, waar Malou Gorter, de eerste vrouwelijke premier, haar achterban inspireerde met hoopvolle speeches.

Ik ben gegijzeld door griezelige kinderen die mij dwongen te overnachten in een bos, samen met een dertigtal tamelijk benauwde andere volwassenen. Bezorgd zochten we elkaars blik, en glimlachten dapper in het donker. ’s Ochtends, toen het weer licht was, negeerden we elkaar opgelucht, en een tikje beschaamd.

Ik was patiënt in een psychiatrisch ziekenhuis en rouwde mee bij een uitvaartceremonie. Ontelbare keren was ik publiek bij een talkshow. Ik zat in een wachtkamer, was treinreiziger, woonde in een flat, bezocht een feest. Steeds opnieuw was ik lid van een andere, tijdelijke gemeenschap. Vaak gedurende anderhalf uur, soms langer, en één keer een hele nacht. Soms met tien mensen tegelijk, soms met duizend anderen samen.

Allemaal in het theater.

Nu zit ik, net als iedereen, thuis achter een computerscherm, en kijk ik naar Frank Lammers, die via Facebook Live een monoloog speelt over Karl Marx, terwijl hij net naast mij kijkt naar een denkbeeldig publiek in zijn eigen woonkamer. Of zie ik de topacteurs van Internationaal Theater Amsterdam, met hun schitterende dictie, de smakelijke teksten van Boccaccio voorlezen van een autocue. Eerst was de opluchting groot: het theater is niet weg. Kijk maar, de ene na de andere theatermaker zet registraties van oudere voorstellingen online, en er zijn talloze nieuwe initiatieven – van webseries tot telefoonlijnen en zelfs livevoorstellingen via Zoom.

Beeld Aart-Jan Venema

Ik ben blij dat acteurs en theatermakers die ik bewonder niet in het niets zijn opgelost. Dat ze een teken van leven geven. Ik vind het fijn dat ik Laura van Dolron troostende woorden hoor spreken als ik bel met de Quarantaine-lijn (06-42280481), en ik ben dankbaar dat Marjolijn van Heemstra zo bedreven is geworden in het maken van podcasts. Ik luister bijna elke avond wel naar een verhaal uit de Decamerone. De livevoorstellingen via Zoom van Toneelgroep Maastricht of het Noord Nederlands Toneel maken me nieuwsgierig. Maar als ik heel eerlijk ben, raakt het me allemaal nauwelijks. Zelfs de registraties van het Britse National Theatre, waarbij je je kan verlustigen aan het beste acteren ter wereld (kijk vanaf 30 april bijvoorbeeld Frankenstein met Benedict Cumberbatch in regie van Danny Boyle) doen me weinig. Het is mooi, het is knap, meer niet.

Ik ben verheugd over wat er nog is. Over de restjes, de verre echo, het surrogaat. Maar nog niet één keer was ik door een onlinetheaterinitiatief echt geroerd. Of gechoqueerd, ontregeld of verward. Niet één keer voelde ik me zo verlicht, of juist bezwaard, of in elk geval kortstondig compleet veranderd, zoals me geregeld in het theater gebeurt. Onlinetheater, sorry, het werkt niet. Ik voel het niet.

En het duurde even – zo’n zes weken lockdown, dertien theaterregistraties en twee onlinefestivals lang – voor ik begreep hoe dat komt.

Wie nadenkt over de specifieke kenmerken van theater stuit onvermijdelijk eerst op het fameuze en veelgeprezen liveaspect – dat element dat talloze makers en liefhebbers hartstochtelijk zullen kwalificeren als de voornaamste bestaansgrond. En dat ís ook magisch.

Weet je nog, lang geleden, dat je als kind dacht dat de mensen in de tv jou ook konden zien? Dat ze terugkeken? In het theater is dat écht zo. Echt. Zo. Die mensen op toneel, die zien jou ook. Acteurs en toeschouwers kijken naar elkaar – het is even geweldig als griezelig. De kunstbeleving is wederkerig, het is geen eenrichtingsverkeer.

Theater wordt voor je neus gecreëerd door acteurs in levenden lijve, voor een publiek dat dit gezamenlijk beleeft. Niet samen in een Zoom-kader op het scherm, verbonden en gescheiden door de techniek, maar samen fysiek in één ruimte – een schouwburgzaal, een bunker, parkeerterrein of een open plek in het bos.

Het is dit liveaspect dat maakt dat ik theater altijd zo spannend vind. Hoe ter plekke voor mijn ogen een kunstwerk ontstaat, dat glorieus kan slagen of pijnlijk kan mislukken, elk moment, terwijl ik ernaar kijk. Natuurlijk is dat ook het grote gemis bij een registratie - dit is al gebeurd, de avond kan niet meer anders verlopen. Terwijl live toneel zien toch iets wegheeft van kijken naar een trapezeartiest, hoog in de nok van Carré, die elk moment mis kan grijpen.

Als toeschouwer in het theater heb je dan ook een bepaalde verantwoordelijkheid. Om stil te zijn, allereerst. Om de concentratie en de spanning niet te verbreken met onnodig geritsel en gehoest. De gedachte dat ik zomaar zou kunnen gaan schreeuwen tijdens een voorstelling, en zo het hele werk verstoren, vind ik zo beangstigend dat ik aan het eind altijd weer opgelucht ben dat het goed is gegaan. Dat zich niet een oncontroleerbaar soort theater-Tourette van mij meester heeft gemaakt. Ik krijg hartkloppingen zodra ergens een telefoon klinkt, ook al weet ik zeker dat het de mijne niet is. Zo broos is het, dat wat in een theaterzaal door makers en spelers wordt opgebouwd, zo ijl, zo gemakkelijk te verpesten.

Beeld Aart-Jan Venema

En behalve dingen niet doen (onnodig geluid maken), moet je als toeschouwer ook dingen wél doen. Opletten. Luisteren. Lachen. Ik ben getrouwd met een theatermaker, opgeleid als acteur, en als hij in de zaal zit bij collega’s laat hij steevast de luidste, meest aanstekelijke lach klinken die er is. Volgens mij doet hij dat onbewust om de acteurs op toneel een hart onder de riem te steken. Om ze op te zwepen ook. Hij weet dat ze hem horen, en dat ze het waarderen. Want het is niet alleen de acteur die op zo’n moment de sfeer, het ritme, het tempo en de spanning in de zaal bepaalt. De toeschouwer kan hem helpen (of dwarsbomen, dat ook). Het is een wisselwerking, een dialoog. Enthousiasme uit de zaal maakt een voorstelling beter.

Vraag het een willekeurige regisseur of acteur en het publiek kan een voorstelling maken of breken. Is het mee, dan krijgt een productie vleugels. Is het verveeld, sceptisch, tam of afgeleid, dan slaat de sfeer dood. Dit effect kan letterlijk wisselen van dag tot dag, bij dezelfde voorstelling. Het minste dat wij als toeschouwers kunnen bijdragen aan een mooie avond, is open staan. Benieuwd zijn, betrokken, bereid om geraakt te worden.

Nu wist ik altijd al wel dat dat mijn opdracht was, en ik vervulde die (meestal) met veel plezier. Maar ik was me er nauwelijks van bewust dat ik dat niet alleen deed. Het was al die tijd een gemeenschappelijke taak, die ik stilzwijgend deelde met een groot aantal vreemden in het donker.

Pas nu ik steeds alleen naar toneel kijk, besef ik dat ik nooit alleen naar toneel keek.

Pre-corona ging ik gemiddeld drie keer per week naar het theater. Daar beleefde ik met twintig, tachtig, of zevenhonderd anderen vrolijke avonturen, of doorleefden we samen grote tragedies. We huilden en we lachten, met elkaar. Maar zodra ik naar huis ging, vergat ik dat weer. Ik moest die andere toeschouwers beroepshalve uit mijn geheugen wissen. Bij het schrijven van een recensie doet de criticus altijd alsof hij of zij in zijn eentje in de zaal zat. Vrijwel nooit noteren we reacties uit het publiek – hoogstens een enkele keer als we niet tot de doelgroep behoren (jeugdtheater). Elke recensie is een individuele reflectie op een kunstwerk dat voor een groep is gemaakt. Maar dat laatste vergat ik.

Misschien ook wel uit zelfbescherming: ik zat zo vaak dij aan dij met zevenhonderd vreemden dat ik me voor ze af ben gaan sluiten. Om me niet te storen aan hun geritsel met het programmaboekje of de pepermuntjes, hun meegebrachte flesjes water, hun kriebelhoest of zenuwtic. Een avond waarop ik me minimaal had geërgerd aan andere toeschouwers, was een goeie avond. In het slechtste geval waren die anderen stoorzender, in het beste een vanzelfsprekend aspect van theaterbezoek, niet goed of slecht maar gewoon onvermijdelijk, zoals de andere klanten in een supermarkt.

Ik zag mezelf altijd als een onafhankelijke, individuele toeschouwer. En pas nu merk ik dat ik al die tijd onderdeel was van een groep.

Beeld Aart-Jan Venema

Juist nu we allemaal thuis aan schermen gekluisterd zijn en met wisselende frustratie kijken naar een digitaal aftreksel van een kunstvorm die bestaat bij de gratie van een liveontmoeting tussen spelers en publiek, word ik me bewust van het belang van die andere toeschouwers. Van het feit dat ik ze mis.

Bijzonder aan het theater is in eerste instantie natuurlijk de uitwisseling van emoties en energie tussen acteurs en publiek. Acteurs weten dat ze niet moeten gapen als ze een vermoeid personage spelen, omdat de toeschouwers dan óók gaan gapen. Kwestie van spiegelneuronen. Speelt een acteur vreugde of verdriet, dan voel ik dat. Zien huilen doet huilen. Maar ik ervaar het nog veel sterker als mijn buurman en buurvrouw dit óók voelen. Sigmund Freud constateerde al dat de besmettelijkheid van gevoelens niet alleen bestaat tussen twee mensen, maar ook in groepen. Sterker: in groepen ontstaat een sneeuwbaleffect. Hoe groter het aantal mensen bij wie dezelfde emotie tegelijk kan worden waargenomen, des te sterker die emotie wordt.

De vreugde wordt groter als je die om je heen ziet weerkaatsen, het verdriet dieper. Stil is veel stiller als honderden mensen tegelijk zwijgen. Samen voelen we méér.

De nabijheid van die andere toeschouwers – ooit een bron van ergernis, blijkt opeens cruciaal voor de intensiteit van mijn ervaring. We wisselen, op centimeters afstand, fysieke sensaties en emoties uit. Als Medea op toneel haar kinderen vermoordt, is dat schokkend. Maar het komt des te harder binnen als naast je ook de buurvrouw uit afgrijzen verstijft. Als je voelt hoe het koppel vóór je zijn adem inhoudt. Als je je buurman zijn afschuw hoort wegslikken. Omdat ik die gevoelens om me heen registreer en herken, versterken ze de mijne. En ik besef dat pas goed nu ik naar toneel op een scherm kijk en er naast, voor en achter me niets wordt gevoeld.

Psychologen constateerden dat bij de overdracht van gevoelens als het ware de grenzen vervagen tussen twee (of meer) breinen en er, voor even, een gemeenschappelijk hersencircuit ontstaat. De schouwburgzaal is zo’n gemeenschappelijk hersencircuit. De verbondenheid die je er soms kunt voelen is dus fictief noch sentimenteel. Die is levensecht.

En dat wij, een volkomen willekeurige verzameling vreemden ergens in een donkere zaal, in staat zijn samen te voelen, als één organisme, is op zichzelf ook weer ontroerend (vind ik nu dan, hè, na wekenlange deprivatie van ieder denkbaar groepsgevoel). Natuurlijk kunnen in groepen ook heel enge gevoelens overslaan. Of je kunt – ook dat zag Freud al – in een groep een collectieve emotie waarnemen maar juist het tegenovergestelde ervaren (geregeld het eenzame lot van de recensent). Maar daar hebben we het nu niet over. Want, hallo, een groepsemotie, überhaupt! Die komt mij nu voor als een vruchtbare oase in een heel dorre woestijn. Als een diner in een restaurant. Een dag op kantoor. Een avond in de schouwburg.

Beeld Aart -Jan Venema

Wij toneelliefhebbers mochten dan hebben gedacht dat we zelfstandige individuen zijn, theatermakers zagen ons allang als groep. Zo hebben ze ons ook altijd benaderd en aangesproken. Ze maakten publieksopstellingen waarin het publiek met elkaar, en dus zichzelf, wordt geconfronteerd – door bijvoorbeeld tribunes rondom de handeling te plaatsen, of aan weerszijden, met het speelvlak ertussenin. Ik herinner me levendig het afgrijzen dat ik bij een toeschouwer aan de overkant zag toen in Simon Stones  Thyestes Atreus zijn broer Thyestes diens eigen kinderen serveerde - als gehaktballen door de spaghetti, en Thyestes ze smakelijk opat. Denk: De schreeuw van Edvard Munch. Het was alsof ik in de spiegel keek.

Ook bedenken theatermakers geregeld ensceneringen waarbij het publiek als groep deel wordt van het verhaal – als bruiloftsgast, partijgenoot of gijzelaar. Bij Sadettin Kirmiziyüz leerde ik - nee: wij - meer begrijpen van de motieven van zijn radicaliserende zus. Malou Gorter als gedroomde premier versterkte mijn politieke bewustzijn. Ons politieke bewustzijn. De enge kinderen (in een voorstelling van Alexandra Broeder) voerden ons naar een surrealistische schemertoestand tussen slapen en waken, waarin alles mogelijk leek. En we kwamen daar allemaal een beetje veranderd uit.

We voelden, ontdekten, ervoeren en leerden iets als groep. Als een schoolklas, of een kerkgemeente. Dát is de unieke en nu zo gemiste kwaliteit van theater als kunstvorm. Een theater in het Russische Perm speelt in coronatijd nu complete, grootschalige voorstellingen voor één toeschouwer, uitverkoren door een loting. Eerst dacht ik: ja! Geweldig! Nu denk ik: alleen? Laat dan maar.

Hoe moet dat straks in de anderhalvemetermaatschappij? Als ik niet meer schouder aan schouder zit met mijn meevoelende buurvrouw, maar er een diepe kloof van lege stoelen tussen gaapt? Zullen we nog collectief kunnen voelen? Filosoof en psychoanalyticus Teresa Brennan stelt in haar (postume) boek The Transmission of Affect (2004) dat het overdragen van emoties niet gebeurt door zicht, maar door geur. Om precies te zijn: door de overdracht van feromonen. Ik weet niet in hoeverre die theorie nu nog gangbaar is, maar het klinkt hoopgevend. Het woord ‘feromoon’ stamt uit het Grieks, dus dat is meteen al theatraal, en het betekent ook nog eens ‘drager van opwinding’. Ik teken ervoor: groepsvoelen op afstand. Theatermakers zullen daar ongetwijfeld allerlei slimme opstellingen en ensceneringen bij bedenken.

Beeld Aart-Jan Venema

Dat deden ze eigenlijk al. De laatste tijd denk ik vaak terug aan de theatrale installatie U bevindt zich hier van Dries Verhoeven, die in 2007 een grote hit was en deze zomer zou worden hernomen. Verhoeven plaatste zijn veertig toeschouwers in kleine hotelkamers, waar ze in hun eentje op een bed naar een spiegelplafond lagen te staren. Tot dat plafond opeens omhoog bewoog, en we niet meer alleen onszelf zagen, maar ook alle andere bezoekers, klein en eenzaam op hun bed. Daar lagen we dan: allemaal alleen, en toch onderdeel van een groep. Samen, op afstand. Die voorstelling heeft plotseling een heel nieuwe betekenis gekregen. Laten we hopen dat die deze zomer weer kan spelen. Ik kan niet wachten om u daar te zien.

Stephanie Louwrier: ‘Ik heb als speler altijd een enorme behoefte om contact te maken met het publiek.’Beeld Eva Roefs

Hoe denken acteurs over hun band met het publiek?

Stephanie Louwrier (32):

‘Ik mis het publiek enorm. Ja, ik zit als een junkie thuis trillend op de bank te wachten op een nieuw shot, haha. En dat gaat zoveel verder dan alleen het cliché van applaus krijgen. Het is de energie die tastbaar kan zijn in een zaal, een besef van: we gaan samen iets meemaken vanavond. Van die energie ga ik helemaal op scherp, dan staan al mijn zintuigen open.

Ik heb als speler altijd een enorme behoefte om contact te maken met het publiek. Als je iemand direct aanspreekt, zet je even alles op scherp, ook de rest van de toeschouwers. Een avondje theater is soms voorspelbaar, men heeft bepaalde verwachtingen. Door als speler iets onverwachts te doen, dwarsboom je die. Iedereen zit meteen weer rechtop in z’n stoel: shit, wat gebeurt hier? Zij en ik moeten blijven voelen: dit is hier, nu, live. En uniek.

Een keer vroeg ik een vrouw in het publiek: ‘Wat wilde u vroeger worden?’ Ze antwoordde: ballerina, en zei dat het applaus haar zo mooi leek. Toen heb ik haar aan het eind op toneel applaus in ontvangst laten nemen. Dat was heel bijzonder, ze was zo ontroerd. Ik vond het fijn om dat cadeau een keer terug te kunnen geven.’

Dick van den Toorn: ‘Ik moet op toneel ook altijd strijden tegen mijn verwachtingen van het publiek.’Beeld ANP

Dick van den Toorn (59):

‘Het blijft magisch dat je nooit weet hoe de zaal zal reageren. Zijn ze mee of niet? Er zijn meerdere manieren om daar iets aan te doen. Ik vind het leuk om even rechtstreeks met de zaal te communiceren. Dus hoop ik altijd dat er iemand te laat komt, zodat ik daarop kan reageren. Dan heb je meteen weer ieders aandacht.

Een beproefde methode is om te leren je tekst volkomen neutraal te kunnen zeggen. Want dan kun je een zin inzetten met de intentie waar het moment om vraagt. Als je je tekst goed kent, heb je soms de neiging om die in een vast ritme te zeggen. Dan voelen toeschouwers waar het heengaat en haken ze af. Als je dat ritme doorbreekt blijft het spannend, voor hen maar ook voor jou. Zo kun je ook variëren met de lengte van een stilte.

Ik moet op toneel ook altijd strijden tegen mijn verwachtingen van het publiek. Als ze de eerste keer ergens lekker hebben gelachen, kun je daar onbewust naar op zoek blijven: Hee, daar zat toch die lach? Maar het mooie van toneel is natuurlijk juist dat het elke avond anders is.’

Romana Vrede: ‘Theatermaken is soms een soort toveren.’Beeld Daniel Cohen

Romana Vrede (47):

‘Ik vind het fantastisch als ik vanaf het toneel kan zien dat een toeschouwer van de ene in de andere emotie schiet. Ik zie wat het jou doet, en ik kan dat beïnvloeden, maar het heeft ook effect op mij, op mijn inzet, mijn energie. Theatermaken is soms een soort toveren.

Ik ben erbij wanneer een toeschouwer iets ervaart; ik kan hem op een bepaalde emotie betrappen. Dat heeft iets intiems. En ik kan je ook betrappen als je er niet bij bent, afgeleid of ingedut. Met één blik kan ik je dan laten merken: hallo, ik heb je gezien, we doen dit samen hè? Dat vond ik nog het grootste verschil met het schrijven van een boek, dat ik er niet bij ben als de lezer iets voelt.

Soms, als je in een grote schouwburg speelt, is de zaal één groot zwart gat. Dan zet je je tentakels uit om te luisteren en voelen wat er uit dat zwarte gat komt. Als je voelt dat de concentratie wegebt, kun je de focus terugbrengen. Ken je dat filmpje met Obama, dat hij Amazing Grace zingt? Voordat hij begint is hij tien seconden stil. Je ziet dat hij wacht, en voelt, en zoekt: wanneer is het goeie moment? Wanneer begin ik? Dat is het moment dat je zoekt met je publiek.’

Nite Hotel

Goed, het mag vaak een beetje tekort schieten, er zijn best een paar innovatieve onlinetheaterinitiatieven. Zo liet het Noord Nederlands Toneel (NNT) een ‘virtueel theater’ ontwerpen. Dit ‘NITE Hotel’ heeft een receptie, 17 kamers en een grote theaterzaal waar publiek gezamenlijk naar voorstellingen kan kijken. In het NITE Hotel zijn vanaf 28 april vijf dagen lang voorstellingen te zien, deels live gespeeld, deels registratie, met donderdag 30 april alsnog de première van de door corona geannuleerde voorstelling Before/After. 

Spiegelplafond

Het was een hit in 2007, de installatie U bevindt zich hier, van Dries Verhoeven. Verhoeven bouwde een hotel met veertig kamers, waar iedere toeschouwer een eigen kamer heeft, met enkel een bed en een spiegel als plafond. Acteurs dwalen door de gangen en schuiven briefjes onder je deur. En als tot slot het spiegelplafond omhoog beweegt, volgt een grote verrassing. ‘Van een ontroerende schoonheid’, schreef de Volkskrant. Mogelijk is de productie deze zomer weer te zien. Hou de website in de gaten: driesverhoeven.com

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden