Ongerijmdheden rond Chardjiëv blijven

Al sinds het overlijden van de Russische kunstverzamelaar N. Chardjiëv in 1996, is de collectie Chardzjiëv omgeven door schandalen over fraude en wanbeheer....

De stichtingsbestuurder die na Chardzjiëvs dood aantrad - de ex-notaris M. Privé - verkocht voor een bedrag van naar schatting 30 miljoen gulden uit de collectie. 'Iedere cent daarvan was verantwoord', zei ex-minister van Justitie J. de Ruiter, de huidige voorzitter van de stichting Khardjiëv dinsdag op een persconferentie in Amsterdam. Maar hoe, wilde hij niet uitleggen. 'Dat waren privé-zaken', zei hij.

De Ruiter werd in april 1998 door de Nederlandse overheid aangesteld als nieuwe voorzitter van de stichting Khardjiëv. De schandalen rond Privé en de avantgarde-collectie van Chardzjiëv waren zo hevig geworden dat de overheid - heel ongebruikelijk - besloot in te grijpen.

De Ruiter kreeg de opdracht om de afdracht van het legaat aan de stichting af te wikkelen. Volgens het testament van Chardjiëv had dat binnen drie maanden van zijn overlijden moeten gebeuren, met het oog op te organiseren exposities. Die afdracht is nu eindelijk gelukt. Tevens moest De Ruiter het 'wanbeheer' uitzoeken dat door het Openbaar Ministerie was geconstateerd, en proberen de collectie te herstellen.

Op de persconferentie concludeerde De Ruiter dat er helemaal geen wanbeheer heeft plaatsgevonden. De verkopen zijn allemaal rechtmatig geweest en hoeven dus niet te worden teruggedraaid. De vijf duurste stukken uit de collectie hoorden niet tot het legaat van Chardzjiëv, zei De Ruiter, want waren al 'ten tijde van de dood van Chardzjiëv op de markt gebracht.'

De verkoop van de toenmalige stichtingsvoorzitter en executeur-testamentair Privé was niets anders dan 'het vervolmaken' van deze transactie. De opbrengst - 25 miljoen - kwam daarom niet ten goede aan de stichting. De overige stukken die Privé verkocht, zei De Ruiter, hadden 'achteraf gezien' niet verkocht behoeven te worden, maar ook die transacties waren rechtmatig. Documenten kon en wilde de Ruiter niet overleggen.

Tot op heden waren andere feiten bekend. Eén daarvan was bijvoorbeeld dat er pas na de dood van Chardzjiëv - die niets liever wilde dan dat zijn collectie voor het publiek toegankelijk was - onderhandelingen zijn aangeknoopt met galerie Gmurzynska in Keulen over de verkoop van vijf topstukken.

De galerie heeft nooit beweerd dat daarover al afspraken met Chardzjiëv waren gemaakt. Integendeel: in een 'zwartboek' dat galerie Gmurzynska opstelde naar aanleiding van de ontdekking van de dubieuze verkopen uit Chardzjiëvs nalatenschap, schreef de galerie onder andere: 'Na de dood van Chardzjiëv zoekt Privé rechtstreeks contact met de galerie en reist vlak daarna naar Keulen voor een bezoek. Privé zegt dat hij enkele stukken moet verkopen om belastingen te betalen en aan verplichtingen en kosten van de nalatenschap en de stichting te voldoen.'

Een voorlopige overeenkomst werd op 4 september 1996 getekend. Op 16 september werd het contract definitief gesloten (Chardzjiëv overleed in juni van dat jaar). Vier schilderijen van Malevitsj werden verkocht voor 12,5 miljoen dollar, een vijfde werd in commissie gegeven. Bovendien kreeg de galerie het alleenrecht op verdere aankopen uit de collectie. 'Alle verkopen', benadrukte Gmurzynska, 'ook de daarop volgende, zijn gerealiseerd op initiatief van Privé.'

Volgens de galerie vertelde Privé dat hij het geld nodig had voor 'kosten en verplichtingen', maar ook om 'een monument voor Chardzjiëv' op te richten, 'een museum voor de collectie en het archief'. Tevens zouden met de opbrengsten van de verkoop de successierechten betaald worden.

Bij het Openbaar Ministerie in Amsterdam loopt nog steeds een strafrechtelijk onderzoek naar belastingfraude door Privé, omdat hij op dezelfde dag dat hij voor 12,5 miljoen dollar schilderijen verkocht, aan de fiscus opgaf dat de waarde van de collectie 'nihil' was.

Op de bijeenkomst afgelopen dinsdag stelde Privé de zaken anders voor: volgens hem had de galerie van hem geëist dat hij de reeds in principe gesloten overeenkomst met Chardzjiëv zou uitvoeren. 'Het was onbespreekbaar voor Gmurzynska dat ik de schilderijen niet aan haar zou verkopen', aldus Privé.

Bewijzen daarvoor leverde Privé noch De Ruiter. Daardoor blijft het ongerijmd, waarom Gmurzynska in haar 'zwartboek' dan toch andere verklaringen aflegde. Ongerijmd is ook waarom Privé - als Chardzjiëv zelf al de verkopen in gang had gezet - daar nú pas melding van zou maken, en niet op het moment dat de schandalen losbarstten en het Openbaar Ministerie tot ingrijpen overging. Bij deze ongerijmdheden heeft De Ruiter zich kennelijk neergelegd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.