Boeken

Ongemakkelijk erfgoed toont een lange weg van postkoloniaal geworstel en bewustwording ★★★☆☆

Onze omgang met koloniaal roofgoed is ‘een ontdekkingsreis van 500 jaar’, schrijft historicus Jos van Beurden. Het eindstation lijkt eindelijk in zicht.

Jos van Beurden Beeld Mylan Rosendaal
Jos van BeurdenBeeld Mylan Rosendaal

‘Wat gestolen is zal terug moeten gaan.’ Dit kernachtige zinnetje veroorzaakte amper twee jaar geleden een schok in Nederland. Voor het eerst werd ondubbelzinnig vastgesteld dat Nederland ‘roofkunst’ moet teruggeven. Dat was althans het vergaande voorstel van de adviescommissie over koloniaal roofgoed onder leiding van Lilian Gonçalves-Ho Kang You.

In Ongemakkelijk erfgoed beschrijft historicus en journalist Jos van Beurden de taaie discussies en onwillige onderhandelingen die aan het advies van Gonçalves vooraf zijn gegaan. Tientallen jaren waarin meer niet dan wel werd gesproken en Nederland zich, áls er werd gesproken, vooral van zijn slechtste kant liet zien, als een kniezende oud-kolonisator. Tot de tijdgeest kantelde.

Hoe snel dat kan gebeuren, bleek deze maand toen uitgerekend België, dat in Ongemakkelijk erfgoed beslist geen voorbeeldrol vertolkt, bekendmaakte 883 voorwerpen terug te geven aan Congo. Dat aantal kan oplopen tot enkele tienduizenden na toetsing aan het simpele uitgangspunt van staatssecretaris Thomas Dermine: ‘Alles wat illegitiem verkregen is, is niet van ons’ – een echo van het advies-Gonçalves.

In Nederland kwam teruggave van koloniale kunst, archieven en historische voorwerpen voor het eerst op de agenda in 1949, toen Indonesië na een bloedige oorlog erkend was als onafhankelijke staat. Om het verlies van Indië nog een beetje draaglijk te maken, bedong Nederland een fenomenale afkoopsom: Indonesië moest 4,5 miljard gulden betalen voor zijn zwaar bevochten vrijheid, de totale schuldenlast van de ex-kolonie. In die sfeer begonnen de gesprekken over teruggave van stukken uit de koloniale collecties in Nederland.

Postkoloniaal geworstel

Van Beurden beschrijft het postkoloniale geworstel met de goudschatten, juwelen, kunstwerken, magische beelden, Boeddhahoofden, mensenschedels en grafmonumenten die van het zuidelijk halfrond naar de Lage Landen zijn verscheept. Het is een traag proces van onderhandelingen en bewustwording, dat pas onlangs heeft geleid tot het besef dat uit de koloniën geroofde spullen niet in Nederland en België thuishoren. Een ‘ontdekkingsreis van 500 jaar’, noemt Van Beurden het, met nu pas het eindstation in zicht.

Ongemak heeft tijd nodig om zich in mensen te nestelen. Een paar decennia geleden keek niemand nog op van de glazen pot met een Surinaams ‘indiaantje op sterk water’ in het Tropenmuseum van Amsterdam. In 2012 stelde hetzelfde museum hetzelfde embryo tentoon, maar nu verpakt in een gesloten houten kistje (Handle with Care, Fragile, Open Here), omdat inmiddels was doorgedrongen dat je menselijke resten niet zo tentoon hoort te stellen. In plaats van een exotisch curiosum is het ‘indiaantje’ een voorbeeld geworden van de blinde verzameldrift waarmee veel koloniale collecties zijn samengesteld.

In 1949 is Nederland nog helemaal niet in de stemming om te praten over ‘teruggave’. Het heeft het liever over ‘uitwisseling’, omdat het na het verlies van ‘Indië’ vooral niet de indruk wil wekken opnieuw iets te verliezen. Er zijn wel aarzelende initiatieven. Zo krijgt een Indonesische delegatie in 1974 de gelegenheid twintig Nederlandse collecties te inventariseren, waaruit een lijst voortkomt van tienduizend voorwerpen die Indonesië terug zou kunnen vragen. Indonesië doet dat niet, omdat het niet weet waar het alles moet laten. Er komen in 1975 aanbevelingen voor culturele samenwerking, inclusief de overdracht van objecten. Nederland geeft als gebaar van goede wil het 13de-eeuwse beeld Prajñaramita (‘de Mona Lisa van Azië’) en de helft van de Lombokschat terug.

Indonesische voorwerpen

Maar veel meer gebeurt er niet, tot in 2013 in één klap 18.576 voorwerpen te verdelen zijn: de complete inboedel van het net gesloten Delftse Museum Nusantara. De gemeente Delft eigent zich 459 voorwerpen toe, 500 objecten gaan terug naar de families van de schenkers, 3.194 voorwerpen worden aangemerkt als ‘beschermwaardig’ en mogen daarom het land niet uit.

Wat overblijft mag Indonesië hebben, op voorwaarde dat het zelf de kosten voor transport betaalt – nog altijd helemaal in de geest van 1949. Hou die rommel maar, laat de Indonesische directeur-generaal van Cultuur Hilmar Farid weten, vlak na zijn aantreden in 2016. Om daar later van terug te komen: Indonesië wil toch zelf 1.500 voorwerpen selecteren. De rest mogen de musea hebben.

Tot verrassing van de Nederlanders kiezen de Indonesiërs daarbij niet alleen Indonesische voorwerpen, maar ook VOC-munten, meubels en kleren uit de koloniale tijd. Indonesië is kennelijk meer bezig met stukken die de leemtes in de eigen collecties kunnen opvullen, dan met de vraag hoe Nederland aan die objecten is gekomen. Misschien is die hele ‘roofkunst’ een thema dat vooral Europa bezighoudt.

Dat is de rode draad door het boek, dat leerzame en boeiende vergelijkingen trekt met België en Frankrijk, met koloniale collecties van de missie en met nazi-roofkunst, waarmee Nederland zich ook lange tijd geen raad weet. Van Beurden ziet een oplossing in ‘vertrouwen, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid’. Dat klinkt na het zien van zo veel wantrouwen, ongelijkheid en onrechtvaardigheid als een fata morgana.

null Beeld Walburg Pers
Beeld Walburg Pers

Jos van Beurden: Ongemakkelijk erfgoed – Koloniale collecties en teruggave in de Lage Landen. Walburg Pers; 224 pagina’s; € 24,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden