Ongekend gewaagde vormen

MARINA TSVETAJEVA (1892-1941), die tegenwoordig als een van de grootste Russische dichters van deze eeuw geldt, was met haar eigenzinnige dichterlijke talent en haar al even eigenzinnige talent om tegen álle stromingen en meningen in te gaan bij haar leven een omstreden figuur....

Aai Prins

In Tsvetajeva's eerste bundel Avondalbum (1910) draait het nog om de huis-tuin-en-keuken-belevenissen in haar kleine, tastbare wereld en haar romantische gedweep met haar helden Sarah Bernard en Napoleon. De bundel maakte haar als 17-jarige op slag beroemd.

Ze trouwde jong, met de uit een joods-revolutionair milieu stammende Sergej Efron. Het huwelijk viel in Tsvetajeva's familie niet in goede aarde, maar daar had ze lak aan: 'Ik draag zijn ring, het hoofd fier opgericht', luidt de openingszin van een gedicht dat zij aan Efron opdroeg. Ook bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog liet ze zich niet door de heersende opinie meeslepen en beleed zij háár Duitsland, dat van Goethe en Heine, haar liefde en trouw: 'Je bent het mikpunt van de wereld,/ Je vijanden zijn zonder tal,/ Zal ik je dan de rug toekeren?/ Alsof ik jou verraden zal!'

De revolutie van 1917 beschouwde ze als een ramp. Haar sympathie lag bij de Witte beweging, die zij in de cyclus Het zwanenkamp verheerlijkte, en waarschijnlijk was het ook haar invloed die Efron ertoe bracht aan de zijde van de Witten te gaan vechten. In de moeilijke jaren van de burgeroorlog bezweek haar jongste dochtertje aan de ontberingen. Efron keerde na de overwinning van de bolsjewieken niet naar Rusland terug, en in 1922 volgde Tsvetajeva hem in de emigratie, 'als een hond', zoals ze zelf zei. Ze leefden achtereenvolgens in Berlijn, Praag, waar hun zoon geboren werd, en in Parijs.

De emigratiejaren zouden de vruchtbaarste periode uit Tsvetajeva's dichterschap worden. Net als in de geromantiseerde 'dagboekpoëzie' van haar vroegere werk lagen ook nu reële gebeurtenissen uit haar leven aan haar gedichten ten grondslag, en evenmin ontbrak het aan gedweep (onder anderen met Pasternak en Rilke), maar haar lyriek vond nu ongekend gewaagde vormen, met een gelaagdheid waarin alle registers, van hoog tot laag, een plaats kregen naast een provocerende interpunctie en een grillig metrum, die haar poëzie een eigenzinnige swing en schoonheid geven. Zo ook in het poëma Gedicht van het einde, geschreven in Praag, 1924, dat in ruim honderd bladzijden verhaalt van het einde van de liefdesverhouding tussen Tsvetajeva en een voormalige Witte legerofficier.

Het dichtwerk volgt twee geliefden op hun dwaaltocht door het avondlijke Praag, terwijl de man een einde aan de affaire wil maken en de twee maar geen afscheid kunnen nemen. Als hij ten slotte zijn tranen niet meer kan bedwingen en door een paar prostituées wordt uitgelachen:

Het schapenpad af - en

Omlaag. Stad. Kabaal.

Drie meisjes. Zij lachen -

Je tranen brutaal

Bespottend, - spontane

Jeugd, zee over zand! -

Om 't eerloos, beschamend

Verdriet van een man.

zijn deze tranen voor de vrouw parels, 'het teerste juweel' aan haar kroon, want ze wijzen op een verbond dat hechter is dan kozen en lusten, ook al komt er een einde aan de affaire. Flarden van gesprekken, herinneringen en beelden van Praag trekken voorbij in een excentriek metrum als een weerspiegeling van de wisselende gemoedsstemming van de vrouw die, in gesprek met zichzelf en met haar geliefde, zijn woorden en gebaren probeert te duiden.

De behoudende emigratie-literatoren hadden niet veel op met Tsvetajeva's nieuwlichterij en dikwijls moeilijk toegankelijke teksten. Maar met luie lezers had Tsvetajeva niets te schaften: 'Ook heb ik met het zoet verhaal/ Der moederspraak geen hechte banden./ Het laat mij koud in welke taal/ Ik niet begrepen word door anderen.'

In haar Parijse jaren raakte Tsvetajeva steeds meer geïsoleerd. Enerzijds maakte men haar hartstochtelijke, en politiek gezien misschien ook wel naïeve lofzang op de Witte beweging belachelijk, anderzijds nam men haar kwalijk dat zij, ondanks haar afwijzing van de revolutie, een 'sovjetdichter' als Majakovski bewonderde.

Typerend voor Tsvetajeva was ook dat haar liefde voor Duitsland haar niet belette het land van Spiessbürger stevig op de hak te nemen. In De rattenvanger, een lang dichtwerk dat zij in 1925 in Parijs schreef, werkt Tsvetajeva de beroemde Duitse legende van de rattenvanger van Hameln om tot een politieke en sociale satire. In haar versie roepen de burgers van het gezapige Hameln ('Hier vind je nooit een gevallen bruid,/ Hier zijn geen insolventen,/ Enkel naar bier gaan de harten uit,/ zonde kost bloed of centen') met hun muffige bekrompenheid en materialisme de invasie van de ratten zelf over zich af.

De ratten, die zich van een onmiskenbaar Sovjet-jargon bedienen, grijpen de macht en vervallen al snel tot eenzelfde vadsigheid als hun voorgangers. Daarop lokt de rattenvanger de beestjes (die in de veronderstelling verkeren op weg te zijn naar India om daar de wereldrevolutie te ontketenen) met zijn fluit mee.

De 'hitsige Sturm-und-Drangers' komen echter niet uit 'bij de rivier de Ganges' maar in het moeras, waar ze verdrinken. Als de krenterige Hamelaars de muzikant vervolgens zijn beloning onthouden, lokt hij ook de kinderen van Hameln naar het moeras, waar zij verdrinken en zo ontsnappen uit hun benauwende leven.

Tsvetajeva's positie in Parijs werd onhoudbaar toen geruchten, als zou Efron voor de Russische Geheime Dienst werken, waar bleken te zijn. Efron was betrokken bij de moord op Ignace Reiss, een Sovjet-spion die met Moskou had gebroken. Efron nam de wijk naar de Sovjet-Unie, en in 1939 volgde Tsvetajeva hem opnieuw. In Rusland zat niemand op haar te wachten, aan publicatie van haar gedichten viel niet te denken, iedereen meed haar en vertaalwerk was haar enige bron van inkomsten. Efron was inmiddels opgepakt en doodgeschoten. Alja, haar dochter, zat in een kamp. Tsvetajeva wist dat zij met haar levensloop een ernstige bedreiging vormde voor het leven van haar zoon, en in 1941 pleegde ze zelfmoord.

Het nu gepubliceerde Werken van Tsvetajeva is een forse uitbreiding van de eerder verschenen bundel Wat zijn mij wolken nog en wegen, het boek bevat bijna twee keer zoveel gedichten en enkele langere dichtwerken.

De vertalers hebben met hun vertaling een enorme prestatie geleverd en Tsvetajeva's halsbrekend moeilijke poëzie met lef in prachtig Nederlands weten om te zetten. Werken is daarmee een monument geworden voor de unieke, grillige dichter die ooit schreef:

Trots en bedeesdheid - één zusterwe zen -

Zijn aan mijn wieg eendrachtig verre zen.

'Hoofd hoog!' gebood trots - 'zonder bevreesdheid!'

'Ogen terneer!' - sprak fluisterend be deesdheid.

Zo heb ik mij door het leven bewo gen -

Hoofd hoog - neer de ogen - Trots en bedeesdheid.

Bovenstaand gedicht werd vertaald door Marko Fondse. Hij overleed in augustus van dit jaar, kort na het uitkomen van de bundel. Hij was de aanjager van dit project. Hopelijk zal Van Oorschot even genereus de andere grote Russische dichters van deze eeuw voor de Nederlandse lezer toegankelijk willen maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden