'Onder hoogopgeleiden geldt goud al gauw als fout'

Met sieraden moet je oppassen, merkte Angela Wals toen ze ging studeren. 'Eerst was ik bang om mezelf ermee te verraden. Maar braaf opgeklommen, hoop ik nu juist iets van mezelf weg te geven.'

Beeld Bier en Brood

Ik ben lang, blond, heb een Amsterdamse tongval en luister naar de naam Angela. Heb je het plaatje voor je? Goed, bedenk daar dan ook nog een paar geelgouden sieraden bij. Goud is een familietraditie. Mijn oma droeg armbanden met rinkelende munten eraan. Mijn oudoom en -tante hadden een vergulde tand in hun kunstgebit. Na mijn geboorte ging mijn vader een ketting met een gegraveerd naamplaatje dragen. Ik kreeg oorgaatjes toen ik 18 maanden was, met gouden knopjes. Van mijn eerste melktand is een gouden hangertje gemaakt.

Ordinair bestond wel in mijn wereld. Dat was in trainingsbroek op straat lopen, een met rotzooi bezaaide voortuin, luipaardleggings en nepnagels. Gouden sieraden waren gewoon sieraden. Dat veranderde toen ik ging studeren en mijn geboortedorp verruilde voor Amsterdam. In de nieuwe context voelde ik me een wandelend stereotype met goud als uithangbord voor mijn sociale klasse: laagopgeleid en volks. Ik wilde dit beeld niet completeren met een gouden ketting en schakelde over naar zilver.

Historische klassenstrijd

Overdreven om een innerlijke klassenstrijd op te hangen aan een stukje edelmetaal? Kunsthistoricus Marjan Unger, die het standaardwerk Het Nederlandse sieraad in de 20ste eeuw schreef, begrijpt de reflex wel. 'Het sieraad is een oerfenomeen, ouder dan taal. De behoefte van mensen om zich te decoreren en zichzelf daarmee kenbaar te maken aan anderen, bestaat al honderdduizend jaar. Alles wat mensen drijft, wordt zichtbaar in sieraden: waar ze zich van willen afzetten of - nog veel vaker - waar ze bij willen horen.'

In de Middeleeuwen was het alle Fransen onder een bepaalde rang bij decreet verboden goud te dragen. Dat was voorbehouden aan de aristocratie. Status en macht werden gesymboliseerd door juwelen, en zo bleven de uiterlijke verschillen tussen de klassen in stand.

Inmiddels wordt goud door alle klassen en standen gedragen. Het heeft nog wel iets van aristocratische allure, maar naast rijkdom en macht zijn er vele andere associaties bij gekomen. Goud is ook kitsch, blingbling, uiting van verfijning en bruut materialisme, de smaak van Lodewijk XIV en de toekomstige president van de Verenigde Staten.

Pooiers en dealers

'Goud is altijd een synoniem geweest voor geld', zegt Unger. 'Toen de burgerij welvarender werd in de 19de eeuw en na de Tweede Wereldoorlog, werd het gouden sieraad ingezet om die welvaart aan de buitenwereld te tonen. Het was een eerlijke houding: ik ben bakker, het gaat goed, dus mijn vrouw krijgt een gouden ring. Net als de vrouw van de slager.'

De sociale devaluatie van goud ging snel toen ook criminelen hun welvaart op de huid gingen dragen. 'Wie dragen de grootste gouden ringen?', vraagt Unger retorisch. 'Pooiers en drugsdealers.' Goud wordt fout als een sieraad de verkeerde pretentie heeft. 'Als jij behangen bent met goud, maar iedereen weet dat jij weinig verdient, zal men denken: hoe is ze eraan gekomen? Pronkzucht bij lagere klassen riekt daarom altijd naar criminaliteit.'

Mensen laten hun sociale positie nog altijd doorschemeren in hun esthetische voorkeuren, zegt socioloog Bart van Heerikhuizen. De manier waarop is wel veranderd. 'De hogere klasse kijkt niet meer neer op de arbeidersklasse omdat ze zelf meer geld, macht of aanzien hebben, want dat zou platvloers zijn. Het gaat nu om cultureel kapitaal.' Met andere woorden: welke krant lees je? Naar wat voor muziek luister je? Welke kunst vind je mooi? Van Heerikhuizen noemt het onderzoek van de Franse socioloog Pierre Bourdieu (1930-2002), die uitgebreid de smaak van alle klassen bestudeerde. De klassenstrijd van Karl Marx bestaat nog altijd, vond Bourdieu, maar mensen leven er zich nu op cultureel gebied in uit.

'Bourdieu stelt: hoe indirecter het verband met welvaart en rijkdom, hoe beter de smaak over het algemeen wordt gevonden', zegt Van Heerikhuizen. 'Stel, de smaak van de lagere klasse is een schilderij van een zonsondergang, want een zonsondergang is mooi. Voor de geavanceerde smaak zou dit verband veel te direct zijn. Een schilderij hoeft helemaal niet mooi te zijn, de compositie en kleur zijn belangrijker.' Goud is dus eigenlijk een te directe, te platte verwijzing naar rijkdom.

'Nieuwe rijken worden door oude rijken er altijd zo uitgehaald, want ze overschreeuwen zichzelf met hun sieraden', zegt kunsthistoricus Unger. Oud geld draagt zijn goud subtieler. Zo werd in de jaren zestig en zeventig witgoud in Nederland populair in welgestelde kringen, ter onderscheiding van geelgoud. 'Want dat droeg de werkster ook. Als je werkelijk wat te besteden had, droeg je witgoud.'

Wat goede smaak is, wordt dus bepaald door de elite. Tegelijkertijd heeft die de vrijheid om te spelen met de ordinaire reputatie van goud, om het als modehype te omarmen, zonder een verkeerde indruk te wekken. Wat je met het dragen van goud uitstraalt, hangt niet alleen af van goede smaak, maar is ook altijd verbonden aan het milieu waarin je bent opgegroeid.

Jezus aan een kettinkje

Ik ben niet de enige die het familiegoud af heeft gedaan om vooroordelen over achtergrond voor te zijn. Oud-collega Lyangelo Vasquez (36) is geboren op Curaçao en opgegroeid bij zijn moeder in Nederland. Hij ging studeren, werkte jaren bij de publieke omroep en heeft nu een eigen 'creative storytelling'-studio. In zijn familie was goud dragen net zo vanzelfsprekend als in de mijne, zij het bij hem met een katholieke inslag. Op zijn 15de kreeg hij een gouden hangertje: een zielig kijkende Jezus met doornenkroon. Vond hij niet écht mooi. Hij experimenteerde met een gouden oorbel, maar uiteindelijk weigerde hij het stereotype compleet te maken: 'Donkere, katholieke, Antilliaanse jongen: daar hoort een gouden ketting bij, zou je denken. Maar ik heb altijd ver weg proberen te blijven van hokjes.'

In uiterlijk en achtergrond zijn de verschillen tussen Lyangelo en mij groot, maar goud is een gemene deler. We kwamen tot de conclusie dat je, zodra je omhoog klimt op de sociale ladder, bewust of onbewust elementen uit je verleden achter je laat als je denkt dat die je tegenwerken. We zijn allebei gaan werken en leven in een wereld die niet lijkt op de wereld waarin we zijn opgegroeid. Dat betekent niet dat we er niets mee te maken willen hebben of we ons ervoor schamen. Na een tijdje grijp je terug naar een trofee uit je verleden, met als boodschap aan je omgeving: dit ben ik óók.

Bij Lyangelo is het goud af gebleven, maar hij is zijn Papiamento gaan perfectioneren, zónder Nederlands accent. 'Als ik de kans heb om Papiaments te spreken, grijp ik hem. Als ik die taal hoor, krijg ik warme gevoelens, dan ruik ik Curaçao bijna. Hoe weinig ik ook in mijn werk en dagelijks leven met de Antilliaanse cultuur in aanraking kom, het is mijn trots en mijn poging om variëteit aan te brengen in een homogene omgeving.'

Mijn trofee is goud. Eerst was ik bang om mezelf ermee te verraden. Maar braaf opgeklommen en neergestreken in een witte, hoogopgeleide wereld, hoop ik nu juist iets van mezelf weg te geven. Mijn ouders en grootouders gingen mee met de mode van hun tijd- en standgenoten en hadden plezier in hun sieraden. Net als ik. Ook al maakt mij dat een tikje ordinair.

Beeld Bier en Brood
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.