Recensie Schilderkunst

Ondanks Gauguins opportunistische en koloniale inborst, blijven zijn Martinikaanse schilderijen ronduit prachtig (vier sterren)

Paul Gauguin, 'Martinikaanse vrouwen', 1887, Potlood, zwartkrijt en pastel op papier, 49 x 63,5 cm, privécollectie

Was hij een schildergrootheid, een artistieke gelukzoeker of ongezouten kolonialist? Voor wie nooit verder dan de artistieke gaven van Paul Gauguin heeft gekeken, komt de vraag misschien als een schok. Pas na het zien van de tentoonstelling ­Gauguin & Laval op Martinique, nu in het Van Gogh Museum, blijkt hoe dicht de verschillende beschrijvingen van Gauguin in elkaars verlengde liggen. Sterker, dat ze alle drie even waar zijn. 

Wie zijn schilderijen, tekeningen en voorstudies uit Martinique in het licht van Gauguins tijd bekijkt, de tweede helft van de 19de eeuw,  en ze combineert met de achterliggende ontstaansgeschiedenis, kan niet ontkennen dat de Fransman prachtig kon schilderen, maar ook een goed oog had voor de marktwaarde van vreemde volkeren en exotische ­kleuren. En daarvoor een bloeiende handel in Parijs in gedachten had.

Want wat was het verhaal ook ­alweer? Paul Gauguin (1848-1903) voer samen met zijn collegakunstenaar en vriend Charles Laval (1861-1894) in 1887 naar het eiland Martinique, destijds een Franse kolonie in de Caribische wateren. Reden: Gauguins enigszins vastgelopen carrière in Frankrijk. De voormalige beurshandelaar had zich gaandeweg tot een aardige schilder ontwikkeld, was al eerder naar ­Bretagne vertrokken om er een stijlverbetering te forceren, maar van een groot en doorslaand succes was het niet gekomen. 

En dus moesten er drastische maatregelen worden genomen: door het roer helemaal om te gooien en af te reizen naar een oord dat hem in niets aan de Parijse kunstwereld van salons, fijnbesnaarde kunstliefhebbers en overkritische kunstrecensenten deed denken.

Om de tekeningen, schetsen, krabbeltjes en brieven goed te kunnen zien is op de tentoonstelling in het Van Gogh een glazen wand gezet, waardoor zowel de voor- als achterkant van deze documenten te zien is. Met steeds op de achtergrond de schilderijen waar ze naar verwijzen.

Het geeft de expostie, naast een artistiek ook een historisch inzicht van de werkzaamheden van Paul Gauguin op Martinique. Hoe hij wikte en woog, op zoek was naar het juiste beeld (en cliché), waarmee hij zijn cliëntèle in Frankrijk probeerde te overtuigen van zijn nieuwe,eigengereide stijl en exotische onderwerpskeuze.  

Na enige omzwervingen, via ­Panama en Taboga, werd het dus ­Martinique, waar Laval en hij een hutje vonden aan de baai onder het stadje Saint-Pierre aan de westkust. Daar maakten ze in totaal ruim twintig olieverfschilderijen en vele tekeningen, die nu in Amsterdam te zien zijn, vergezeld van een keur aan getekende en geschreven documenten als schetsen, krabbeltjes en brieven.

Daardoor geeft de expositie op een andere, niet enkel artistieke manier inzicht in Gauguins motieven. Het koppelt zijn tomeloze schilderenergie aan zijn even tomeloze ambitie een belangrijk kunstenaar te worden. Tegen elke prijs zou hij zich onderscheiden van zijn Europese confrères. 

In die zoektocht liet hij zich niet ­onbetuigd om de Martinikanen neer te zetten als gemoedelijke landarbeiders met een goedgevulde fruitmand op het hoofd. Of als kleurig geklede nietsnutten in een arcadisch landschap van mango- en palmbomen. Gauguin moet het vermoeden hebben gehad dat ze in de Parijse beau monde van dit soort tafereeltjes zouden smullen. Wat ze inderdaad deden – net zoals wij dat nu doen.

Want laten we wel wezen, ondanks Gauguins opportunistische en koloniale inborst, ogen zijn schilderijen ronduit prachtig. Dof en spaarzaam in de verf, tropisch van kleur door de vele groentinten, lichtelijk geabstraheerd door de grote kleurvlekken en ritmisch van penseelstreek, alsof de ­afbeeldingen met grove steek zijn ­geborduurd.

Paul Gauguin, De mangobomen, Martinique, 1887. olieverf op doek, 86 cm x 116 cm Beeld Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Blijkbaar moest hij fysiek afstand nemen van zijn Franse moederland om tot een nieuwe stijl te komen. Weg van de Europese smaak, los van het ­inmiddels geaccepteerde impressionisme dat hem waarschijnlijk te ­middelmatig was geworden, te ­weinig onderscheidend, niet individualistisch genoeg.

Ruim vijf maanden langs de Route du Carbet, tussen Saint-Pierre en Le Carbet, waren uiteindelijk genoeg om zijn draai te vinden. Oké, alles ter ­bevestiging van wat destijds al als ­primitief, exotisch en tropisch werd gezien, maar wat je ook met enig recht een aanvulling kan noemen op wat de Europese schilderkunst tot dan toe had voortgebracht. Een ­verfrissende aanvulling. 

Gauguin had de smaak te pakken. Weliswaar voer hij na vijf maanden op het eiland weer terug naar Frankrijk, geveld door dysenterie en malaria en zonder geld, maar hij verkocht een van zijn Martinique-schilderijen aan Theo van Gogh en woonde ­later enige weken bij diens broer ­Vincent in Arles. Uiteindelijk zou hij naar ­Tahiti afreizen, waar hij zijn beste ­werken maakte. Met dank aan Martinique, waar de eerste stap werd gezet naar een onderscheidend kunstenaarschap – koloniale motieven of niet.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden