Onblusbare passie voor het theater

De woensdagochtend op 97-jarige leeftijd in haar slaap overleden actrice Mary Dresselhuys was op het toneel een magnetiserende persoonlijkheid. Van jongsafaan wilde ze bij het theater....

Met superieur gemak beheerste ze het komische genre. De simpelste woorden kregen in haar mond een komische lading. Mensen dachten dat ze het allemaal uit haar mouw schudde. Maar het was worstelen en piekeren om ook de achterkant van een rol te vinden. Alleen zo kon ze de onvermoede ernstige kant door alle humor heen laten schemeren.

Actrice Mary Dresselhuys was bij een groot publiek bekend als de grande dame van de komedie. Bijna zeventig jaar heeft ze op het toneel gestaan. Haar laatste grote toneelrol speelde ze in 1994, 87 jaar oud. Officieel afscheid heeft ze nooit genomen; in 1997 was ze op televisie te zien als kasteelvrouwe in een aflevering van 30 minuten van Arjan Ederveen. In 1999 stond ze weer op het toneel met Paul Haenen. Vorige maand reikte ze in Utrecht nog de Mary Dresselhuys-prijs uit, ingesteld door Joop van den Ende, aan acteur Jacob Derwig.

Haar hele leven stond in het teken van een onblusbare passie voor het theater. Tot op hoge leeftijd bezocht ze voorstellingen en meestal was ze de laatste die vertrok. Nooit te beroerd om bij een glas wijn met jonge spelers na te praten over wat ze had gezien. Al had ze de uitstraling van een deftige mevrouw, loze glamour lapte ze aan haar laars.

Eigenzinnig was ze, tot in haar vezels een vakvrouw. Uren kon ze thuis zitten peuteren aan zinnetjes. Haar lijfregel was: nooit aan het effect van je woorden denken of aan de lach die je zult krijgen. Alleen denken, je concentreren op je rol. Timen is denken.

In Tiel, waar ze als dochter van een tabaksfabrikant opgroeide, was toneel een verre en vreemde wereld. Elke zomer logeerde ze bij haar grootmoeder in Den Haag, waar ze avond aan avond naar de schouwburg ging. Ze moest en zou zelf ook het theater in. Ze ging naar de toneelschool, tegen de zin van haar ouders. Samen met haar eerste echtgenoot Joan Remmelts debuteerde ze in 1929 bij het Hofstadtoneel in Den Haag. Een criticus schreef: 'Van mejuffrouw Dresselhuys horen we meer. Er zit zeer veel talent in dat jonge ding.'

Het spelen in komedies was zwaar werk. Zeven avonden, twee matinees, veel reizen en trekken en een schijntje verdienen. Na twee jaar verkaste ze naar Amsterdam, naar het Centraal Tooneel. Ze trouwde met regisseur Cees Laseur en het gezelschap werd hun eigen troep.

Tijdens de oorlog speelden ze door; je stak het publiek een hart onder de riem, vond ze. 'In elke zin herkenden ze iets anti-Duits'. Ten slotte zonder verwarming en stroom. Vier autolampen op accuzuur vormden de belichting, het publiek zat met sjaals en handschoenen aan, als applaus roffelden ze met hun voeten op de grond.

Na de oorlog ontspoorde haar huwelijk met Laseur. Ze stapte over naar de Nederlandse Comedie. Zeventien jaar zou ze er blijven, tot ze er naar eigen zeggen ineens genoeg van had. Net voor de Actie Tomaat stapte ze met Ko van Dijk over naar het vrije circuit. Ze werd liefderijk opgenomen in de stal van Joop van den Ende, die haar als jongen al bewonderde. Zo kon ze de ster blijven die ze altijd al was geweest. Ze koos haar eigen repertoire. 'Er zijn in de wereld nog maar een stuk of vijf actrices van boven de 70. We houden elkaar allemaal op de hoogte van nieuwe stukken. Voor Herfst in Riga werd ik gebeld door Peggy Ashcroft.'

Na Cees Laseur werd de vlieger Jons Viruly haar grote liefde. Tot zijn dood in 1987. Kwam ze laat thuis van een voorstelling, dan zat hij te wachten met wijn en kaas. Was hij al naar bed, dan lag er steevast een briefje: maak mij wakker, maak mij wakker. Ze hield van het leven, van alle goede dingen ervan. Op haar negentigste stond ze nog in het Nieuwe de la Mar Theater in Amsterdam om voor te lezen uit haar memoires. Gelakte nagels, tongue in cheek en licht ondeugend. Vooral door de quasi verstrooide terzijdes bleef ze onweerstaanbaar.

Rollen moesten wel passen bij haar uitstraling; een volksvrouw heeft ze nooit willen spelen. Begrijpelijk, om een dame lach je niet. Naarmate ze ouder werd, kregen haar rollen meer en meer diepte. Ze hield een ongelofelijke vitaliteit. In Harold en Maude maakte ze op haar tachtigste nog een heupstand. In De Sprong speelde ze een vrouw die haar man op haar 65e verlaat om een nieuw leven te beginnen. In Hoog Tijd speelde ze met John Kraaykamp een bejaard paar dat voor het eerst het plezier van seks ontdekt.

Aan prijzen en onderscheidingen heeft het haar nooit ontbroken. In 1978 kreeg ze de Theo d'Or voor Herfst in Riga. In 1992 kreeg ze De Oeuvreprijs. Ze ontving de Bouwmeesterpenning en de Johan Kaart-prijs. In 1960 werd ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau, in 1992 tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

In haar verschijning combineerde ze een meisjesachtige charme met ironie en onverzettelijkheid. Rebels, een Pippi Langkous van tachtig. Dat maakte haar tot een magnetiserende persoonlijkheid op het toneel. Bij elke rol begon ze als het ware een nieuw leven, misschien gaf ze zichzelf daardoor geen kans oud te worden. Altijd speelde ze vrouwen die jonger waren dan zijzelf. Met handen die als vlinders door de lucht fladderden, een stem met onvoorspelbare uithalen. Ze leek gewichtloos, onder haar voeten heeft nooit een toneelplank gekraakt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden