Onbegrepen genie of kille winstmachine

In de duizend pagina’s tellende biografie van Pierre Vinken valt geen onvertogen woord over de voormalige Elsevier-topman, neurochirurg en literator, tevens bekend als oprichter van het Republikeins Genootschap....

Het wordt een biografie genoemd. Maar het had net zo goed een autobiografie kunnen zijn. Voormalig Elsevier-topman Pierre Vinken doet zijn verhaal en de journalist Paul Frentrop schrijft het ijverig op, zoals een anonieme ghostwriter dat doet voor een voetbalster.

In het ruim duizend pagina's tellende Tegen het idealisme is geen spoor van kritiek te vinden op de man die eind jaren tachtig door progressief Nederland werd verguisd als een ‘gevoelloze, op geld beluste zakenman’ en ‘klinische boekhouder’ en die tien jaar later een soort cultfiguur van het grachtengordeldeel van liberaal-progressief Nederland bleek te zijn geworden.

Pierre Vinken (hij wordt 80 in november) is waarschijnlijk te ongeduldig geweest om zelf alles over zijn intrigerende leven op te schrijven. Daarnaast lijkt hij zijn faam als een enigszins mysterieuze man te koesteren; iemand die zich het best op zijn gemak voelt als een onbegrepen genie die geen interviews geeft – tenminste niet aan lieden die niet tot zijn intieme kennissenkring behoren, zoals Max Pam en wijlen Martin van Amerongen en Theo van Gogh. Het voordeel is dat hij de publiciteit keurig in eigen hand houdt.

Frentrop rekent zich tot Vinkens beste vrienden. De voormalige NRC Handelsblad-redacteur interviewde hem in juni 1987, op het hoogtepunt van de overnamestrijd van uitgeverij Kluwer, aan de hand van zijn toenmalige hoofdredacteur Wout Woltz. Hij mocht er geen interviewverslag van maken, maar kon de visie van Vinken gebruiken voor een achtergrondanalyse, die hem – uiteraard – de complimenten opleverde van wat toen zijn hoogste baas was.

Al in zijn inleiding ontneemt Frentrop de lezer de illusie dat Tegen het idealisme een objectieve biografie zou zijn. ‘Het is nu eenmaal weinig aantrekkelijk om in het leven te spitten van iemand die de biograaf niet bewondert’, erkent hij ruiterlijk. Dat is een understatement. Vinken wordt geportretteerd als een bijna buitenaards genie, die op alle terreinen zijn tijd ver vooruit was. Met kinderlijk enthousiasme beschrijft Frentrop hoe Vinken afrekende met de religie, de psychologie en het koningshuis, kunsthistorici de les las en de bezadigde uitgever Elsevier tot het meest winstgevende bedrijf ter wereld maakte.

Nadat hij de dagelijkse leiding van Elsevier verliet, ging het onmiddellijk mis met het concern en brak een eindeloze machtsstrijd aan de top uit. De oorzaak – de mislukte fusie met het Britse Reed – rekent Frentrop vooral Vinkens opvolgers aan, terwijl de fusie toch het werk was van Pierre Vinken zelf en hij er als commissaris nog vele jaren met zijn neus bovenop stond.

Fentrop heeft honderden gesprekken gevoerd met Vinken – meestal tijdens genoeglijke etentjes – en zijn fotoalbum, correspondentie en knipselverzameling mogen doorbladeren. Als hij al bezweken is voor de mysterieuze charme van deze man, is hij de enige niet. Niet alleen Van Amerongen en Van Gogh gingen hem voor, ook veel vrouwen vonden hem – misschien ook in combinatie met zijn succes, geld en woonkasteel – onweerstaanbaar.

Vinken trouwde drie keer – onder anderen met de onderneemster Sylvia Tóth (‘een administratief foutje’, noemde hij dat zelf) – en had daarnaast langjarige relaties met de actrices Merel Laseur en Annemarie Oster.

Ondanks de tamelijke kritiekloze levensbeschrijving is het boek ook zeker fascinerend. Dankzij de medewerking van Vinken heeft Frentrop de carrière van deze katholieke Limburgse mijnwerkerszoon – zijn vader werkte overigens als beambte – grondig kunnen reconstrueren.

Op zijn 15de jaar was Pierre Vinken er al achter dat de godsdienst van de kerk even grote onzin was als Sinterklaas en begon hij zich te verdiepen in de geschriften van Voltaire, Plato en Nietzsche. Vinken koos bewust voor een studie medicijnen aan de universiteit van Utrecht in plaats van Nijmegen om te kunnen ontsnappen aan het bekrompen katholieke milieu. Het eerste wat hij in Utrecht deed, was zijn Limburgse accent afleren. Hij werd lid van een literaire kring, die hem meer boeide dan zijn studie, die hem makkelijk afging. Hij schreef voor Propria Cures en werd medeoprichter van het literaire blad Tirade. Zijn belangrijkste bijdrage hierin was een felle aanval op de toen nog katholieke Volkskrant over het oorlogsverleden van paus Pius XII.

Ondanks zijn rebelse gedrag haalde hij in 1955 zijn arts-examen, hij trouwde en specialiseerde zich tot neurochirurg. Maar het huisje-boompje-beestje stond Vinken tegen en het routineus verwijderen van tumoren verveelde hem. Meer uitdaging vond hij in het maken van uittreksels voor de medische uitgeverij Excerpta Medica. Hij maakte snel carrière en werd in 1966 directeur/aandeelhouder van de uitgeverij.

De overvloed aan medische artikelen uit alle delen van de wereld die in die jaren loskwam, noopte hem tot nieuw pionierswerk: het oprichten van databanken. In 1972 verkocht hij het bedrijf aan Elsevier. Het maakte hem niet alleen multimiljonair, maar bezorgde hem ook een positie in de raad van bestuur van wat toen nog Elsevier-NDU heette.

Zijn volgende doel was hier de baas worden – dat lukte hem in 1979 – en het maken van winst als hoogste doel propageren, een begrip waaraan in de jaren zeventig nog een vies luchtje kleefde. Dat kon alleen door continu te snijden in de kosten en het bedrijf te concentreren op het uitgeven van wetenschappelijk werk met hoge marges, in plaats van kranten en boeken.

Frentrop kan niet genoeg benadrukken (en met staafdiagrammen illustreren) hoe glansrijk Pierre Vinken daarin slaagde. Een vijandige overval op uitgeverij Kluwer maakt Vinken in 1987 ineens de nationale boeman. ‘Koel, kil en klinisch’, zo wordt hij genoemd. Volgens de schrijver is het beeld van een ‘gevoelloze op geld en macht beluste zakenman’ bepaald door de Kluwer-directie. Het zou een ‘absurd’ beeld zijn, aangezien Vinken in wezen beminnelijk en sympathiek is. Om met Sylvia Tóth te spreken: ‘Een warm mens’.

Soms lijken de karakterbespiegelingen in het boek met elkaar in strijd. De ene keer is Vinken de workaholic, de man die liever werkt dan op vakantie gaat en ’s morgens met de Concorde naar New York reist, talrijke zakenbesprekingen voert en ’s avonds terugvliegt. De andere keer is hij de grote delegeerder die thuis klust of de tuin sproeit als de overnamegevechten op hun hevigst zijn.

In 1995 gaat hij met pensioen – na Elsevier ogenschijnlijk in een veilige Britse haven te hebben geloodst – en kan hij zijn andere kant weer tonen; die van de rebel. Tijdens een gesprek met mede-commissaris Roelof Nelissen blijken ze een minachting voor de monarchie als staatsvorm te delen – Vinken had ook persoonlijk een hekel aan de Oranjes, nadat hij een keer een uur op een vliegveld had moeten wachten omdat de zoon van Margriet en Pieter met meisje Van den Broek eerst moesten opstijgen. Samen besluiten ze een Republikeins Genootschap op te richten, met als een van de controversiële statuten: ‘Leden worden ook op hun lichamelijke kenmerken geselecteerd: alleen autochtone komen in aanmerking’.

Frentrop doet die statuten af als een grap, maar beschrijft het Genootschap als een oprecht initiatief, dat door de hernieuwde populariteit van de Oranjes na de komst van Máxima echter snel schipbreuk leidt.

Tegen het idealisme is geen lectuur voor het grote publiek. Alleen al de omvang wijst daarop. Pierre Vinken heeft dankzij deze biografie met veel mensen kunnen afrekenen. Misschien dat iemand ooit nog eens met hém afrekent in een volgende publicatie.

Of zoals een in de inleiding afgedrukte cartoon uit de Spectator laat zien: ‘Biografie, één jaar na zijn dood – Life of A Great Man, biografie, twee jaar na zijn dood – Dead Bloke – The Real Story, biografie, vijf jaar na zijn dood – Why he was really a bastard, biografie, tien jaar na zijn dood – No one remembers him any more so I can make it all up.

Vinken is niet dood en het laatste oordeel is niet gegeven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.