Achtergrond De volkstuin van Jan Wolkers

Omringd door snelwegen schiep Jan Wolkers zijn paradijs

‘Hoera! Spitten, schoffelen en groente kweken.’ Dat noteerde Jan Wolkers op vrijdag 8 december 1972 in zijn dagboek nadat hij van het bestuur van de Amsterdamse Volkstuinvereniging Amstelglorie had gehoord dat tuintje 294 aan hem was toegewezen.

Alle foto’s zijn gemaakt op de volkstuin in Amstelglorie in de periode 1972-1981. Uit Onno Blom's boek 'Amstelglorie', tuin van Jan Wolkers. Foto's via uitgeverij Bezige Bij Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers

Vanaf zijn prilste jeugd droomde Wolkers van een eigen tuin - en, 47 jaar oud, had hij er één. Zijn oerbeeld van de tuin was ontstaan toen hij als jongen van een jaar of 4 een blik wierp in de tuin van de buurvrouw van zijn geboortehuis, Deutzstraat 7 in Oegstgeest. Vergeleken bij het grijs geschoffelde tuintje van zijn vader - waarin alleen een kaarsrecht rijtje dahlia’s stond - zag hij aan gene zijde van het hek een groene weelde van scheuten, stengels, bladeren en ranken.

‘De sappige glazige stelen van de springbalsemien’, schreef Wolkers in het essay Flora’s Favourite, ‘doorschijnend rood, alsof ze met grenadine gevuld zijn, de ruigte van de hop die de guldenroede bij elkaar snoert, riddersporen die oprijzen met een pagode van lichtgroene bladeren, de dikke stengels van de Japanse duizendknoop met fijne rode streepjes alsof ze uit rabarbermoes geperst zijn. Dat beeld van structuren en schaduwrijk wemelende kleurschakeringen ligt in mijn geheugen opgeslagen, stralend vereeuwigd als op een glasschilderij.’

Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers

Nadat Jan als jongen door zijn oom Hendrik was meegenomen naar de Hortus botanicus in Leiden, de plantentuin van de Leidse Universiteit, was hij wild van opwinding geworden. Daarna richtte Jan achter in de tuin van zijn vader, tegen de brandgang met de zwarte sintels aan, een eigen tuintje in waar de natuur wél welig mocht tieren. ‘De kleine Hortus’ noemde oom Hendrik dat spottend.

De natuur is voor Wolkers altijd verschrikkelijk belangrijk geweest. Dáár kon hij als jongen de harde hand van zijn vader en de benauwenis van het grote, gereformeerde gezin ontvluchten. Hij zwierf eindeloos door de polders en de bossen rond Oegstgeest om zijn angsten te bezweren. Toen hij eenmaal besloten had beeldend kunstenaar te worden - en een tegenwereld tegen de zwarte, gereformeerde wereld te scheppen - diende de natuur als zijn grootste inspiratiebron.

Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers

In de zomer van 1969 huurde Wolkers, samen met zijn derde vrouw, Karina Gnirrep, voor het eerst een paar weken een bakstenen huisje op Texel in de schaduw van de vuurtoren. Daar ervoer hij voor het eerst dat hij in de natuur - met uitzicht op de sprookjesachtige Eierlandse duinen - ook heel goed kon schrijven. Hij zette in die ‘summer of love’ op Texel in een paar weken de eerste helft van Turks fruit op papier.

Beeld Pieter Paul Koster

Dus toen Wolkers op een van zijn wandelingen met Karina vanaf de atelierwoning in de Zomerdijkstraat in de Amsterdamse Rivierenbuurt, de brug over de Amstel overstak en terechtkwam op het terrein van de Volkstuinvereniging Amstelglorie wist hij in een flits: ik wil ook zo’n tuin met een houten huisje erop. Op 29 oktober 1971 noteerde Wolkers in zijn dagboek: ‘We wandelen in het volkstuincomplex Amstelglorie. Prachtig herfstweer. Gouden oktober, ha ha. Maar al die tuintjes zijn geweldig met al die gele, rooie en okerkleurige gewassen. Soms liggen er achter een raam groene tomaten in de zon. Boompjes met peertjes en appeltjes. Slootjes vol met kroos waarop luchtig gele wilgenblaadjes liggen. Huisjes met kleine galerijtjes, druivenkasjes, kleine Japanse dromen. Reigers in het gras. Japanse eenden lopen rond onze voeten te bedelen.’

Op 22 april 1972 werd Wolkers lid van de volkstuinvereniging Amstelglorie. Eind oktober schreef hij met succes in op perceel 294. ‘Het is schitterend op het volkstuincomplex. Bladerloze bomen vol rode appeltjes en bleke violette bossen herfstasters. Een zacht gepiep trekt erdoor van staartmezen. De kleine grijze wezentjes hangen ergens heel hoog in de mist aan de twijgen.’

De tuin die Jan en Karina toegewezen kregen ligt op ‘het eiland’ van Amstelglorie, een door slootjes omgeven deel van het complex. Het eiland ligt ingeklemd tussen twee doorgaande snelwegen. Ook toen al hoorde je er de hele dag het verkeer razen, maar Wolkers kon dat niets schelen. Die luisterde naar de branding van banden op het asfalt en zei: ‘Net of je aan zee woont.’

Al snel zou de tuin van Wolkers enorm opvallen tussen de keurig aangeharkte burgertuintjes van de Amsterdamse arbeiders. ‘Wat ik op dat luttele stukje grond aan bomen omhoog wist te krijgen verwonderde vriend en vriendin. Nadat ik alle geijkte dubbele rozenstruiken, achilleas, afrikaantjes en wat er allemaal nog meer door de verwatenheid van de mens aan afschuwelijks gekweekt is, had gerooid en het parmantige gladgeschoren gazon als een versleten vast tapijt opgerold had en naar de vuilnishoop afgevoerd, wist ik in een paar seizoenen een blok groen te kweken van zeshonderd kubieke meter waar je je met liefdevolle elegantie slechts zijdelings doorheen kon begeven, terwijl je voeten als goede liën pad en kikker moesten trachten te vermijden.’

Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers

Vanaf die eerste winter was Wolkers niet te stuiten. Hij bestelde plantenbakken vol bij het tuindersbedrijf van Rietbergen, kocht hele catalogi op van Van Tubergen, ‘koninklijke bloembollen- en zaadhandel sinds 1868’, reed naar boomkwekers in Boskoop, laadde de achterbak vol bomen die een meter uit zijn Citroën DS staken. Hij liet geen wandeling voorbijgaan om zaden te verzamelen in zijn binnenzak of bosanemonen uit te steken. Alles wat hij vond, roofde of kocht, zette hij in de bakfiets die aan de ingang voor alle leden gereedstond, reed die over de grindpaden naar zijn tuin en plantte alles dicht op elkaar.

Het is niet verwonderlijk dat de buurman van de overkant van het slootje, als die in de zomer het huisje aan het oog onttrokken zag door mansgrote bladeren van de berenklauw en metershoge bossen bamboe riep: ‘Hé, de Amazone!’

Ook van het opknappen, schilderen en inrichten van het huisje genoot Wolkers met volle teugen. Hij maakte een pergola zodat clematis en hop konden klimmen en omgaf het terras van het huis met een wit, ijzeren hekwerk. In het midden van zijn terras zette hij een gipsen afgietsel van een vrouwelijk naakt van Canova. Bij Monumentenzorg kocht hij zware gootstenen uit 17de-eeuwse grachtenpanden, waarin hele families kool- en pimpelmezen zich kwamen wassen, en oude grafstenen voor zijn tuinpad. ‘Ik heb ze voor de zekerheid omgekeerd neergelegd, want je weet maar nooit. Als je die stenen omdraait zie je misschien aan de andere kant je eigen naam erin gebeiteld staan.’

Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers

Boven de openslaande deuren van het huisje, omkranst door kamperfoelie, stond in rode plakletters: Het Smolny. De naam van het huisje was een knipoog naar de rode jeugd van Karina: het Smolny was het meisjespensionaat in Sint-Petersburg waar tijdens de oktoberdagen van 1917 de Russische Revolutie werd geboren. Een jaar later, toen de plakletters loslieten, herdoopte Wolkers het huisje in Manderley, de naam van het landhuis uit Daphne du Mauriers gothic novel Rebecca, die begint met de zin: ‘Last night I dreamt I went to Manderley again.’

Binnen schilderde hij de betonnen vloer vergeet-me-nietjesblauw en zette daar een smetteloos witte tafel op. Hij hing foto’s aan de muur van Johnny Weissmuller, ‘Tarzan’, en de actrice Rita Hayworth ‘met haar jeugdliefdegezicht’. In het zijkamertje, waar felgekleurde tule voor het raam was gespannen, stond een tweepersoonsbed en een halve tafeltennistafel waarop hij zijn Olivetti kon zetten. Tegen de gehele achterwand van het woonkamertje bevestigde Wolkers spiegels, zodat zijn tuin zich verdubbelde én hij twee Karina’s had als zij naakt over het gras trippelde.

In het afgelopen jaar is – onder de inmiddels afgewende dreiging dat Amstelglorie door de gemeente Amsterdam zou worden onteigend als bouwgrond – de volkstuin van Jan Wolkers in oude luister hersteld. Op basis van historische foto’s en aanwijzingen van zijn weduwe Karina is het huisje gerestaureerd, inclusief vergeet-me-nietjes-blauwe vloer en spiegelwand. In de tuin zijn zoveel mogelijk dezelfde planten gepoot. Zelfs de moestuin staat weer vol sla, worteltjes en bonen. Vanaf deze zomer kunnen gastschrijvers in het tuinhuisje logeren om aan een boek te werken. Rob van Essen, Anne Vegter, Roos van Rijswijk en Maartje Wortel waren enkele van de eerste nieuwe bewoners.

‘’s Zomers zit ik verscholen achter dikke vijgenbladeren, dat moet ook wel voor een schaamteloos schrijver als ik.’ Hij draaide rollen faxpapier in de wagen van zijn schrijfmachine om maar door, door en door te kunnen werken. In de kleine tien jaar dat hij de tuin had, schreef hij er grote gedeelten van zijn Indische romans De walgvogel en De kus. In zijn verbeelding was het volkstuinencomplex dan veranderd in een kampong.

Het buitenleven had inderdaad een weldadige invloed op Jan en Karina. Zij leefden als Adam en Eva in de Hof van Eden. Ze namen schildpadpoes Voske mee naar de tuin en tassen vol met het heerlijkste eten en drinken. In de moestuin verbouwden ze prei, rabarber, tuinbonen, wortelen, tomaten, sla, ijskegelradijs, Venlose nietplekkers - een soort augurken - en zelfs postelein waar een weeshuis dagelijks van had kunnen eten. Op het gasstelletje ging Wolkers rustig een exquise tong van tientallen guldens staan bakken. Of hij serveerde een complete rijsttafel met gemarineerde speklapjes.

‘Je merkt, we leven hier gezellig’, schreef Wolkers in een brief aan zijn zoon Jeroen, toen 20, van dinsdag 7augustus 1973, de eerste zomer. ‘We werken in de tuin, ik schrijf, Karina kijkt mijn werk na en studeert wat, ’savonds drinken we een whisky met een stukje ijs. Zo is het leven hier in de vrije natuur, die al met lijsterbessen en mistige ochtenden vol parelende spinnenwebben en bedauwde planten, naar de herfst gaat. Maar is daarom, jonge vriend, het kerstfeest niet zo mooi en zinvol omdat dan de zon, de hele cyclus, het nieuwe begin, de wisseling der seizoenen en alles wat ons hart beroert en wat ons luidkeels doet zeggen op zo’n aromatische herfstdag, ja, ja, het gaat allemaal voorbij en komt allemaal terug.’

Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers

Het leven op de tuin was niet genoeg, het moest ook benoemd worden. Over geen ander onderwerp schreef Jan Wolkers in de jaren zeventig zoveel als over zijn volkstuin. Hij bleef maar genieten en determineren - als Jac. P. Thijsse on speed. Als het niet geschreven was, dan was het niet gezien. Al die observaties en ervaringen op zijn volkstuin zijn nu geoogst in de vuistdikke bundel Amstelglorie.

In het najaar van 1980 werd Karina zwanger en besloten ze op Texel te gaan wonen. Hoe graag Wolkers dat ook wilde, hij huiverde bij de gedachte afscheid te moeten nemen van zijn volkstuin. Hij besloot daarom elke plantje, elke struik en elke boom uit te graven, in de auto te laden, naar de boot te rijden en in zijn nieuwe tuin op Texel te planten. Na het laatste transport, in maart 1981, restte van de volkstuin op Amstelglorie niet meer dan doorwoelde modder vol kuilen met water en slik. ‘Een huiveringwekkend stukje Verdun, alsof er op die troosteloze kale driehonderd vierkante meter in loopgraven en schuttersputjes verbeten tot de laatste man gevochten was.’

Hij is er nooit meer terug geweest.

Onno Blom: Amstelglorie. De volkstuin van Jan Wolkers. 432 p, € 27,50. 

Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers
Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers
Beeld Privé-archief Jan en Karina Wolkers
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.