Oma én kind

Ida Vos verwierf bekendheid met een boek over twee zusjes die tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten onderduiken...

DOOR PETER BRUSSE

Ida Vos, op 3 april op 74-jarige leeftijd in Amstelveen overleden, was de dichteres en schrijfster van met name Wie niet weg is wordt gezien, het aangrijpend, simpel vertelde, autobiografische verhaal over twee joodse zusjes die tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten onderduiken. Het verscheen vijfentwintig jaar geleden, beleefde herdruk op herdruk en won zelfs in Duitsland en Amerika prijzen. Maandag zal de Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb, een man die zij bewonderde, het eerste exemplaar van de jubileumuitgave aanbieden aan een kind dat zelf voor een oorlog moest vluchten.

Het was Ida's missie om kinderen te vertellen wat oorlog is, wat het betekent om niet te weten waar je 's avonds slaapt of waar je ouders zijn. Zij raakte bevriend met kinderen uit Afrika en Kosovo die nooit over hun oorlogsverdriet hadden kunnen praten. Confrontaties met Marokkaanse kinderen, die zeiden dat joden slecht waren en de holocaust een leugen was, ontliep zij niet. Ze ging met hen in gesprek en won vaak hun vertrouwen. Vorig jaar nam zij het initiatief om bij de Auschwitz herdenking de namen van alle 102 duizend Nederlandse slachtoffers van de Nazi-kampen voor te lezen.

Zij werd in Groningen geboren als Ida Gudema. Haar vader handelde in textiel, zij en haar jongere zusje Esther hadden een zorgeloze jeugd: open deuren, soep bij de buren. Zij verhuisden naar Rotterdam en overleefden het bombardement van mei 1940. Haar moeder wilde weg; naar Rijswijk, waar haar broer woonde. Daar leek alles weer gewoon te worden, maar snel kwamen de borden 'Verboden voor joden' in parken, zwembaden, bibliotheken en musea. Joodse kinderen moesten naar een aparte school, in Den Haag. Eind 1942 ging het schooltje dicht, de meeste kinderen en leraren waren opgepakt. 'Je wist dat er iets verschrikkelijks gebeurde, je durfde er niet over te praten.' Haar vader wilde niet onderduiken, maar in het voorjaar van 1943 kwam een mevrouw vertellen dat zij een onderduikadres had, het was 20 april, Hitlers' verjaardag, kinderen vierden feest. Een jongetje riep: 'Jullie lopen zonder ster, dat ga ik mijn vader vertellen.'

Het gezin kreeg onderdak in de pastorie van Schipluiden, er brak brand uit, maar ze mochten het huis niet uit. Te gevaarlijk. De zusjes zaten op veertien verschillende adressen, soms hielden ze het niet uit en wilden ze zich aangeven. Het laatste jaar waren ze in Venhuizen. Ida schreef sprookjesverhalen, breide sokken en leerde de kinderencyclopedie van buiten. Bij de bevrijding werden zij door andere kinderen uitgelachen. Terug in Rijswijk kon Ida de vrijheid niet aan, ze was ongelukkig. Pas op de kweekschool kreeg ze weer plezier. Ze werd kleuterjuffrouw, genoot, trouwde met Henk Vos, een jeugdvriendje die ook had moeten onderduiken. Zij kregen een dochter en twee zonen, maar de angsten werden ondraaglijk, Ida kon met niemand praten en zocht in 1973 hulp bij het Centrum 40-45. Zij schreef als bevrijding de gedichtenbundel 35 Tranen, over de 35 kinderen uit haar klas van wie vier de oorlog overleefden. Met Wie niet weg is wordt gezien, probeerde zij de ooms en tantes, vriendjes en vriendinnetjes die niet waren teruggekomen, te laten leven. Ida leefde intens, bakte taarten, zorgde voor haar zieke man, stond dag en nacht klaar voor haar kinderen en chatte tot vlak voor haar dood met jonge lezers die hun eigen verhaal wilden vertellen aan 'de grootmoeder van 13', zoals ze zei, de oma die kind was gebleven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden