Om dit soort verrassingen gaat het

Leiden bezit een van de oudste en grootste museale fotografieverzamelingen van Nederland. Door een slimme thematische presentatie worden nu in het Fotomuseum Den Haag oude en nieuwe fotografie met elkaar verbonden op een manier die leerzaam is én leuk....

Goed beschouwd hebben wij de fotografiecollectie van de Leidse Universiteit te danken aan een weerbarstige dode. Dat zit zo. In 1907 kreeg Auguste Grégoire (1888-1971), meubelhandelaar en amateurfotograaf te ’s-Gravenhage, de opdracht om een post-mortem portret te maken. Dat was niet ongebruikelijk in die tijd; het fotograferen van overleden dierbaren is zelfs zo oud als de fotografie zelf. De meeste fotografen uit de tweede helft van de negentiende, begin twintigste eeuw zullen er dus enigszins aan gewend geweest zijn.

Zo niet Grégoire. Die twijfelde sowieso al aan het beroep van fotograaf. En de dode man wiens gelaatstrekken hij voor het laatst moest vastleggen deed niet veel om daarin verandering te brengen, zo blijkt uit Het fotografisch museum van Auguste Grégoire van Ingeborg Leijerzapf uit 1989. Terwijl men de doodskist rechtop zette opdat de fotograaf een beter zicht had, viel het lijk eruit. Dat was schrikken natuurlijk – maar had het lijk dat niet gedaan, dan was Grégoire wellicht nog langer doorgegaan met fotograferen en twijfelen. Dan had hij pas veel later zijn camera aan de wilgen gehangen om zich daarna – misschien wel te laat – vol passie op het verzamelen van, voornamelijk Nederlandse, foto’s te storten.

Nu werd zijn collectie een van de vroegste en belangrijkste van Nederland. In 1953 verkocht Grégoire zijn ongeveer zesduizend foto’s aan Hans van de Waal, hoogleraar Kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden (die destijds overigens bakken met hoon over zich heen kreeg, aangezien hij zich verlaagde tot het aankopen van fotografie, een door zijn collega’s als minderwaardig beschouwde kunstvorm – sterker: áángepaste kunst was het).

In Leiden vormen die foto’s sindsdien, samen met een aantal andere particuliere collecties, de basis van de oudste en de grootste museale fotografieverzameling van Nederland, door de jaren heen aangevuld door Van de Waal zelf, Ingeborg Leijerzapf en, sinds twee jaar, door conservator Maartje van den Heuvel (alle drie kunsthistorici) tot zo’n honderdduizend foto’s.

Grégoire kreeg naderhand een Zilveren Anjer van Prins Bernhard voor zijn verdienste voor de Nederlandse cultuur. Het kan verkeren.

Een groot deel van die Leidse verzameling is nu te zien in het Fotomuseum in Den Haag, dat sinds zijn opening in 2002 regelmatig fotografie uit Leiden toont (overzichten van het werk van Emmy Andriesse in 2003, van Gerard Fieret in 2004 en van Erwin Blumenfeld in 2006).

Fotografie! heet de tentoonstelling – en hoewel uitroeptekens in expositietitels doorgaans met gezonde argwaan tegemoet dienen te worden getreden, is het ding hier geoorloofd. De collectie van de Leidse Universiteit vertelt namelijk het verhaal van de Nederlandse fotografie, van het prilste begin tot nu, met daarbij ook aandacht voor internationale ontwikkelingen. Dat is bijzonder. Een paar voorbeelden. Uiterst pril (lees: oud) is de serie daguerreotypieën van de Duitse fotograaf Adolph Schaefer. Uit 1845 dateren zijn opnamen van de Borobudur op Java (nog best goed te zien ondanks hun glazen behuizing op de tentoonstelling), en daarmee zijn ze de oudst bekende foto’s ter wereld van de boeddhistische tempel in Indonesië. En waarschijnlijk ook de mooiste, want tegen die spiegelende en zilverkleurige, maar niettemin bronwaterzuivere afbeeldingen kan geen toeristenkiekje van nu op. De serie was rond 1960 een gift van Museum Volkenkunde in Leiden.

Heel nieuw in de collectie is een wazig zwartwit vrouwenportret van Koos Breukel uit 2009. Dat lijkt een contradictie – Breukel staat immers bekend om zijn haarscherpe en gedetailleerde fotografie – maar scherper dan dit wilde het waarschijnlijk gewoonweg niet worden met een negentiende-eeuwse boxcamera. En dan niet zomaar een: Breukel mocht voor zijn portret gebruik maken van de oude camera van George Breitner (eveneens onderdeel van de Leidse verzameling), een aandoenlijk bruin doosje waarop het typische kleurenpalet van de schilder, bruinen en grijsblauwen, is terug te vinden in uitgesmeerde verfvingervlekken.

Het is de camera waarmee de kunstenaar zijn beroemde naakte vrouwen fotografeerde, die zo lekker loom en ongegeneerd aan het badderen zijn. Het mag een wonder heten dat uit dat kastje na meer dan honderd jaar überhaupt nog een herkenbaar beeld is gekomen.

Net zoals het bijna ongelooflijk is hoe hedendaags scherp het portret is dat Willem Witsen in 1900 nam van zijn zoons Eric en Willem jr., een eindje verderop in de expositie. Eén kinderhandje is weliswaar bewogen, maar moet je die ogen zien, gevangen op de zilveren plaat: zo mooi helder.

Om dit soort verrassingen gaat het – en moét het gaan in een collectie van deze omvang en status: Oud lijkt nieuw, nieuw lijkt oud, en door de hele verzameling heen lopen desgewenst onzichtbare lijntjes die de boel inhoudelijk en stilistisch met elkaar verbinden. Aan dat ‘ideaalbeeld’ voldoet de fotografieverzameling van de Leidse Universiteit, met haar nadruk op portretten en journalistieke ‘mensenfotografie’.

Maar, anders dan een grote particuliere of zelfs een bedrijfscollectie, waarbij het gaat om de passie, de visie (en in het eerste geval ook de financiële middelen) van meestal één persoon, is de Leidse collectie een universitaire collectie. Haar functie is in de eerste plaats een educatieve, zij biedt studenten en wetenschappers de mogelijkheid om kunst- en fotografiehistorisch onderzoek te doen.

Om die mogelijkheden te vergroten verhuisde de gehele verzameling in 2002 naar een nieuwe locatie in de universiteitsbibliotheek, waar ze nu deel uitmaakt van de Bijzondere Collecties, toegankelijk voor een breder publiek dan voorheen.

Nieuwe verzamelgebieden zijn er ook: sinds kort is er eveneens aandacht voor ‘fotografie die expliciet reflecteert of commentaar geeft op de mediacultuur’, zoals conservator Maartje van den Heuvel in de rijk geïllustreerde catalogus schrijft. En voor de modefotografie, die het tot nu toe heeft moeten stellen ‘zonder academisch onderzoek en met weinig structurele museologische aandacht’.

Is zo’n universitaire verzameling, waar af en toe de angst om (kunst)historisch onvolledig te zijn wellicht iets groter is dan de ongegeneerde ‘eenzijdigheid’ van het hartstochtelijke vergaren, wel geschikt voor een museale overzichtstentoonstelling, zou je je kunnen afvragen.

Niet dat een museum slechts dient ter vermaak natuurlijk – lering hoort er van oudsher ook bij. Maar toch: hoe vertaal je jarenlange kennisopbouw naar ééndagsbegrip zonder dat het resultaat te studieus is – en saai?

Expositiesamenstellers Wim van Sinderen (conservator van het Fotomuseum Den Haag) en Maartje van den Heuvel vonden er iets op. In plaats van de tentoonstelling chronologisch in te delen, rangschikten ze de foto’s per thema. En dat lijkt, afgezien van hier en daar een droog stukje, heel aardig te werken.

‘Oorlog’ is natuurlijk zo’n thema, evenals ‘Het gezin’, en ‘Moeder’ tegenover ‘De Man’ (met als indrukwekkend triootje twee stierenvechters, een van Inge Morath uit 1954 en een van Rineke Dijkstra uit 2000, naast de gespierde rug van judoka Anton Geesink, door Evert Miedema gefotografeerd in 1960). Niet dat die onderwerpen ook maar ergens in de tentoonstelling zijn aangegeven. Je moet ze er zelf bij bedenken, en de ene keer zijn ze gelukkig wat onvoorspelbaarder en zelfs poëtischer dan de andere.

Er zijn beeldgrapjes. Het slakkenhuisachtige binnenste van een doorgesneden krop sla (Common Lettuce van Jan van der Pant, 1929-1932) toont stilistische overeenkomsten met de zij-aanblik van een opgerolde wollen deken (Wollen deken van H. Mersel jr., 1938) – vandaar dat die foto’s naast elkaar hangen, als voortbrengselen van de vele vormexperimenten uit min of meer dezelfde tijd.

En een foto van een negentiende-eeuwse groep Egyptische strijders, die met speren, schilden en ernstige gezichten poseren in het hete zand van de woestijn (Antonio Beato, circa 1880), wordt ineens opgevolgd door een aanstekelijke strandscène met spetterpieterpaterende mensen op Coney Island (Ed van der Elsken, 1960), als om juist de veelzijdigheid van het medium nog maar eens te benadrukken.

De laatste zaal van de tentoonstellingsruimte is bijna geheel gereserveerd voor het project Paula van fotograaf Hendrik Kerstens, onlangs door de fotograaf aan de Universiteit van Leiden geschonken. Paula is Kerstens dochter, nu 21 jaar oud, en hij fotografeert haar al vanaf dat ze zes jaar oud was. Aan de muur hangen nu 36 portretten van een bleek, altijd ernstig kijkend meisje met grote grijsblauwe ogen en volle lippen.

Ze doet soms denken aan Scarlett Johansson, zoals die te zien was als de jonge Griet in de film Girl with a Pearl Earring (2003), over het leven van Johannes Vermeer. Die vergelijking komt uiteraard niet geheel uit de lucht vallen, want Kerstens portretteert zijn dochter steeds alsof ze poseert voor een oud-Hollandse schilder: sober en verstild, met veel aandacht voor gestileerde details en bijna altijd met iets op haar hoofd. Een pruik, een capuchon, een badmuts, een haarnetje – of van huiselijke voorwerpen gemaakte hoofddeksels, zoals een tulband van wc-papier plus –rolletjes, een ouderwets aandoend kapje van een wit plastic zakje, een hoed van een zwarte lampenkap.

De serie heeft door de jaren heen een welhaast obsessief tintje gekregen – en nu hoeft dat helemaal niet nadelig te zijn, maar het lijkt erop dat die fixatie voor hét perfect gestileerde portret van zijn dochter, Kerstens heeft doen vergeten dat hij de laatste jaren wel erg veel van hetzelfde heeft gemaakt. Een aantal foto’s uit de serie is echter onvergetelijk, zoals die met een roodverbrande Paula, en die waarop ze als jong meisje met haar in witte badmuts verpakte hoofd boven het eveneens witte bad uitsteekt.

En dan. Hoe fraai is de combinatie van die laatste foto met een andere foto uit de zaal, die daar door de samenstellers in zijn eentje aan een muur is gehangen. Ook dit is het portret van een meisje met een witte badmuts, weliswaar lachend, en met een heel andere insteek door fotograaf Peter Reijnders gemaakt, maar toch – hij past prachtig omdat hij op zijn eigen manier ook naar de schilderkunst verwijst. De foto komt uit 1942 en werd naderhand ingekleurd, waardoor het meisje parelwitte tanden kreeg, en kersenrode lippen.

En wat het mooiste is: hij komt uit de verzameling van Auguste Grégoire, waarmee het verhaal gewoonweg rond is. Want wanneer een verzameling die zo oud is als die van de Universiteit van Leiden zulke combinaties kan voortbrengen, die oude en nieuwe fotografie op zo’n manier met elkaar verbinden zodat het resultaat historisch verantwoord en vermakelijk is – dan weet je dat het met je verzamelbeleid wel goed zit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden