Achter het boekPieter van Os

Om de verschrikkingen van de oorlog te beschrijven liet Pieter van Os zich inspireren door kinderen

Pieter van Os.Beeld Jan Mulders

De Libris Geschiedenis Prijs 2020 gaat naar Pieter van Os voor zijn boek Liever dier dan mens. Het boek maakt volgens de jury ‘bijna tastbaar dat mensen tot alles in staat zijn’.

In Liever dier dan mens vertelt Van Os het uitzonderlijke overlevingsverhaal van de Joodse Mala Kizel. Hij nam daarbij een voorbeeld aan de manier waarop kinderen over de oorlog vertellen: zo feitelijk dat hun verhalen juist extra hard aankomen. 

‘Sterkte, dan word je correspondent concentratiekampen’, zei een NRC-collega in 2014 tegen Pieter van Os, toen hij vertelde dat hij met zijn gezin naar Polen ging verhuizen. Zijn vrouw Guusje Korthals Altes, werkzaam als diplomaat, kreeg als post Warschau toegewezen. Van Os, als redacteur in dienst bij NRC, leverde zijn contract in en met hun twee dochters vertrok het echtpaar naar Oost-Europa.

Van Os woonde uiteindelijk vier jaar in Polen. Hij schreef er Liever dier dan mens, dat eind 2019 uitkwam. Eerder dit jaar won hij er de Brusseprijs voor beste journalistieke boek van het jaar mee. En nu heeft hij de Libris Geschiedenis Prijs gewonnen. In zijn boek beschrijft Van Os het buitengewone overlevingsverhaal van Mala Kizel, een Joods meisje uit een groot chassidisch gezin in Warschau. Ze overleeft de Tweede Wereldoorlog door zich voor te doen als de Volksduitse Anni en wordt opgevangen door een gezin van fanatieke nazi’s, die haar behandelen als hun eigen dochter en haar overladen met cadeaus. Ze wordt verliefd op een ingenieur die in de Duitse oorlogsindustrie werkt. Haar beste vriendin is openlijk antisemitisch.

Van Os gaat haar overlevingsverhaal na, dat begint in Polen en haar via Oekraïne, Duitsland en Israël naar Amstelveen brengt. De jury van de Brusseprijs schreef: ‘Een journalistiek boek van dit verhalend-literaire niveau zie je zelden.’

Wist u iets van Polen toen u aankwam?

‘Nee, verdraaid weinig. Ik had The Pianist gezien, dat was het wel zo’n beetje. Het was natuurlijk een slechte grap van die NRC-collega, maar ik zag al snel dat hij wel gelijk had: in Polen kun je niet om de afwezigheid van de Joodse gemeenschap heen. De helft van de zes miljoen vermoorde Joden was Pools staatsburger.’

Hoe kwam u op het idee voor dit boek?

‘Ik had me voorgenomen een boek over de geschiedenis van Polen te schrijven. Ik had de lat voor mezelf hoog gelegd omdat mijn boek daarvoor – Wij begrijpen elkaar uitstekend – De permanente wurggreep van pers en politiek, uit 2013 – een behoorlijke sof was geweest: slecht verkocht en slecht besproken. Natuurlijk had ik de schuld aan de recensenten gegeven maar ik wist in mijn hart dat het ook wel een beetje aan mijzelf lag. Ik had het te veel geschreven met het oog op publiek en om schouderklopjes te krijgen. Dus ik was behoorlijk serieus over dit boek: ik heb nu zo veel tijd, ik heb geen excuus meer. En als het niet lukt, moet ik erkennen dat ik niet van de lange verhalen ben.

Beeld Jan Mulders

‘Ik begon met alles te lezen over de Poolse geschiedenis. En toch, als ik de historicus wilde uithangen, bedacht ik al snel, dan moest ik een uniek, persoonlijk verhaal vinden dat zich afspeelt tegen de achtergrond van die geschiedenis. Waarom zouden mensen anders mijn boek over de Poolse geschiedenis willen lezen? Daar zijn er al heel veel van, heel goede ook, geschreven door historici die Pools lezen, zoals Adam Zamoyski en Brian Porter-Szücs. Als voorbeeld nam ik vertaalde Poolse schrijvers als Anna Bikont en Hanna Krall, die in kleine, waargebeurde levensverhalen het grote historische drama laten oprijzen. Maar ja, vind maar eens zo’n uniek verhaal. Lang kwam ik er niet uit. Gelukkig kwam ik in Warschau onverwacht Amir Swaab tegen, een vriend uit Amsterdam die ik uit het oog was verloren. Ik ging met hem mee naar de joodse begraafplaats en hij vertelde me het verhaal van zijn grootmoeder, geboren als Mala Kizel. Toen wist ik: ik heb beet. Punt was alleen dat ze haar memoires al had geschreven.’

Dus het boek was er al?

‘Ja, dat dacht ik eerst ook: wat zuur, het verhaal staat al op papier. Later was ik er blij mee. Het dwong me weer een ander soort boek te schrijven, er een zoektocht van te maken die tegelijk de 20ste-eeuwse geschiedenis van Polen vertelt.’

Wat maakt Mala’s verhaal zo uitzonderlijk?

‘Wat het bijzonder maakt, is dat het ook over identiteit gaat. Ik denk dat wij de verschillen tussen mensen overschatten, en onderschatten hoe goed we ons in elkaar kunnen verplaatsen. Dat heeft niets met rechts of links te maken. Tegenwoordig is er snel kritiek als we iets zeggen over mensen die van ons verschillen, omdat we hun ervaringen niet kennen. Op de redactie van NRC was hierover een tijdje geleden een discussie. Een zwarte collega van NRC had in een essay op de site van Dipsaus geschreven dat een witte journalist – het ging toevallig over Volkskrant-correspondent Patrick van IJzendoorn – geen zwart persoon had mogen interviewen over racisme. Al helemaal niet over een boek met de titel Waarom ik niet meer met witte mensen over racisme praat

‘Ik ben het daar niet mee eens. Ik begrijp dat diversiteit op een redactie belangrijk is. Je moet iemand hebben van boerenkomaf als je bijvoorbeeld veel stukken schrijft over boeren. Maar ik denk wel degelijk dat we in staat zijn ons te verplaatsen in anderen. Mala laat dat zien. Zij was zelfs in staat door de vijand te worden gezien als een van hen.’

Mala had blond haar en blauwe ogen. Was het daardoor niet ook veel gemakkelijker om voor katholieke Pool en Duitser door te gaan?

‘Natuurlijk, als ze zwart haar had gehad of een vet Jiddisch accent was het onmogelijk geweest. Maar wat zij heeft gedaan, is knap lastig. Ze is erin geslaagd op te gaan in het katholieke Polen, terwijl ze uit een orthodox joodse familie kwam die tegen assimilatie was en die alleen Jiddisch sprak, geen Pools. En tóch lukte het haar om voor Poolse te worden aangezien. En later lukte het haar zelfs om voor Duitser door te gaan. Kennelijk zijn mensen daartoe in staat. Ze is een uitzonderlijke vrouw – maar niet bovenaards, ze lijkt wel degelijk op ons.’

Beeld Jan Mulders

In uw slothoofdstuk schrijft u dat de ander pas op een beetje menselijkheid kan rekenen als het hem of haar lukt zich voor te doen als een van de jouwen.

‘Ja, ook al zijn mensen ertoe in staat zich voor te doen als de ander, het droevige van de mensheid is dat we voortdurend te veel betekenis aan de verschillen toeschrijven. We gedragen ons gruwelijk tegen anderen, en dehumaniseren bepaalde groepen.

‘De grootste ontdekking voor mijzelf bij het schrijven van dit boek was dat het nationalisme uit de 19de eeuw een emancipatoire beweging was. Nationalisten waren intellectuelen, veelal onderwijzers, die ongeletterde boeren wilden vertellen: jullie zijn niet zomaar voetvolk. Jullie zijn Polen, jullie zijn Fransen. Leer Pools, leer Frans, leer onze liederen, leer wie je helden zijn, leer onze heroïsche geschiedenis. Om zo een identiteit te creëren en een gevoel dat je ergens bij hoort. Die emancipatoire beweging is in mijn optiek uit de hand gelopen. Nationalisten van nu bagatelliseren dit en zeggen: ‘Je nationaliteit is van God gegeven, het is deep down wie je bent.’ Maar dat is onzin. Nationalisme is een menselijk project geweest, zendingswerk.’

Maar we kunnen toch niet zonder nationaliteit?

‘Ik denk dat het best kan, ik vind grenzen overschat. Liever dier dan mens is bedoeld als antinationalistisch boek. Ik zie het bij mijn kinderen. Door het werk van mijn vrouw krijgen ze een kosmopolitische opvoeding. Mijn jongste dochter Caatje heeft maar drie jaar in Amsterdam gewoond. Nu heb ik haar net naar haar beste vriendinnetje gebracht, die ze in Polen heeft leren kennen, maar die tegenwoordig in Brussel woont en Israëli is. Haar beste vriendin in Albanië, waar wij nu sinds twee jaar wonen, komt uit Finland. Wereldburgerschap is geen illusie. Nationalisme en racisme moet je geleerd worden. Wereldburgerschap eveneens.’

U begeeft zich als man van de ambassadeur in de hoogste internationale kringen, maar geldt dat wel voor iedereen?

‘Dat racisme is aangeleerd, geloof ik oprecht. Dat geldt voor iedereen. Dat ik makkelijk praten heb over wereldburgerschap en vriendjes uit verre streken, dat is helemaal waar. Dat mijn kinderen zo’n grenzeloze identiteit ontwikkelen, is natuurlijk ook gewoon ingegeven door het toeval. Daar komt geen verdienste bij kijken.’

Van Os, een enthousiaste rasverteller, groeide op in Groningen, als middelste van drie broers. Zijn vader is Henk van Os, de befaamde kunsthistoricus en oud-directeur van het Rijksmuseum. Zijn moeder Heleen van Os-Roscam Abbing, een ontwikkelingspsycholoog, komt eveneens uit een academisch milieu.

Beeld Jan Mulders

Uw aanpak is haast wetenschappelijk. Heeft u die benadering van huis uit meegekregen?

‘Ja, dat zou kunnen. Thuis was het gewoon om op een beschouwende manier over de wereld te praten: kunst, politiek, sport, maakte niet uit wat. We leerden, bewust of onbewust, om altijd buiten de lijnen van het voetbalveld te gaan staan, nooit erbinnen. Je weet dan niet hoe je een voorzet moet geven, maar je kunt wel uitstekend analyseren waarom het middenveld niet goed functioneert. Toch ben ik dankbaar voor die leerschool. En voor dit boek ben ik teruggegaan naar waar ik vandaan kom: dingen goed uitzoeken, nadenken over je bronnen en over wat mensen je vertellen en waarom. Ik heb nooit geschmierd, iets net wat lekkerder opschrijven dan het was, waar ik me in mijn vorige boek wel aan heb bezondigd. Dit boek is eerlijk.’

Moet je om een boek als Liever dier dan mens te schrijven een zekere levenservaring hebben?

‘Dat weet ik niet zo goed. Het is als journalist altijd fijner om te kunnen zeggen dat je onbevangen bent. Maar dat is niet zo. Mijn broer heeft een einde aan zijn leven gemaakt toen ik 25 jaar oud was. Hij was twee jaar ouder en als kind keek ik tegen hem op. Ik moet er wel bij zeggen dat hij al zeven jaar lang erg psychotisch was, in plat Nederlands: zo gek als een ui. 

‘Hij werd psychotisch toen ik 19 jaar was. Dat moment herinner ik me heel goed. Mijn moeder had de voortekenen al eerder gezien, ik had die altijd ontkend. Eigenlijk was ik daardoor ook nog eens boos op hem; voor mijn gevoel had hij me verraden. Nee, het is niet zo dat ik niets heb meegemaakt, hoewel ik me, geloof ik, graag zo voordoe. Tegelijk betwijfel ik of zo’n ervaring nodig is om dit boek te schrijven. Je hebt natuurlijk heel getalenteerde mensen die zich, zonder zelf iets te hebben meegemaakt, kunnen inleven en die geweldige boeken schrijven.’

Maar zorgde dat persoonlijke leed voor een band met Mala?

‘Ik denk het niet. Zij heeft haar hele familie verloren, ze was 13 jaar toen de Duitsers Polen binnenvielen, en toen de oorlog was afgelopen, was er niemand meer. Dat is haast niet te bevatten. Maar het ging wel goed tussen ons.’

Huilde ze vaak als u haar sprak?

‘Ze vindt het steeds moeilijker om over de oorlog te praten, ze wordt ouder, ze is nu 94. Aanvankelijk had ik niet door dat ze de gesprekken zwaar vond. Later vertelde haar dochter dat ze als ik was langsgeweest dagen van slag was. Mala heeft ook pas heel laat haar tweelingbroertje als vermoord opgegeven. Tot in de jaren negentig hoopte ze dat hij nog zou leven.’

U gaat niet in op Mala’s gevoelens, maar het boek raakt de lezer vanaf de eerste bladzijde.

‘Sommigen vinden het te zwaar, het is een boel ellende. Ik psychologiseer niet, zoals Roxane van Iperen bijvoorbeeld wel doet in haar prachtige boek ’t Hooge Nest. Zij laat mensen dingen zeggen en denken waarvan ze niet kan weten of ze die hebben gedacht of gezegd. Dat kan. Dat mág ook, maar ik heb het niet gedaan. Ik citeer Mala alleen letterlijk.’

Maar hoe komt het dan dat het toch zo raakt?

‘Dat heeft met schrijftechniek te maken, denk ik. En met een beslissing die ik nam tijdens het lezen van getuigenissen van kinderen, opgeschreven direct na de oorlog. Die kwamen het hardst binnen. Waarom? Omdat zij het minst analytisch vertellen. Ze geven geen commentaar op gebeurtenissen, maar vertellen gewoon wát ze zagen. Dus: ‘Een Duitse politieman schoot mijn vriendje door zijn hoofd terwijl hij op de stoep liep. Hij was vergeten zijn pet voor de agent af te nemen.’ Niet: ‘Die dag zag ik iets vreselijks: een Duitse politieman die een klein kind door zijn hoofd schoot omdat die vergat zijn pet voor hem af te nemen.’ Mensen weten wat vreselijk is en wat niet, dat vertellen doet af aan het effect van de verschrikking.’

De gruweldaden die u beschrijft doen soms middeleeuws aan – Joodse mannen van wie de baarden haar voor haar worden uitgetrokken en die naakt over het dorpsplein moeten paraderen, Joden die aan een hooivork worden geregen.

‘Het is verschrikkelijk barbaars en lomp hoe er met de Poolse Joden is omgegaan. Het antisemitisme zat ook heel diep. Zelfs na de Holocaust waren er Polen die geloofden dat Joden christelijk kinderbloed nodig hadden ter bereiding van hun matses. Toen ik dat voor het eerst hoorde, geloofde ik het niet.’

Hoe verklaart u het Poolse antisemitisme?

‘Het waren veelal onontwikkelde mensen wier leven gericht was op overleven. De enige informatie die ze kregen, kwam van de kerk. De priesters in Polen hebben niet gezegd: je moet Joden beschermen. Veel boeren lieten Joden aanvankelijk wel onderduiken, maar slechts tegen betaling. Als het geld op was, kwamen de onderduikers alsnog aan hun einde. Daar zijn vrij heftige boeken over verschenen die niet goed zijn voor de maag. Toch kwam Mala ook liefdevolle mensen tegen, al waren ze vergiftigd met rare ideeën.’

Maar nog steeds gelooft 10 procent van de Polen in dat bloedsprookje.

‘Ja, daar was ik stomverbaasd over. Maar ik heb net te lang in dat land gewoond om Polen alleen maar te veroordelen. Ik begrijp inmiddels ook waarom veel Polen het lastig vinden dat Duitsland onder rechts en links nu te boek staat als een Gutmenschnatie, als een progressieve liberale samenleving waar antisemitisme geen rol meer speelt, terwijl Polen wereldwijd bekend staat als een land vol antisemitische gekken. Natuurlijk hebben ze het daar zelf naar gemaakt, maar het waren toch echt Duitsers die besloten tot de massamoord op de Joden.’

Onthutsend in het boek is het geweld tegen Joden dat ook ná de Holocaust plaatsvindt. Zo was er in 1946 nog een pogrom waarbij een meute Polen een opvanghuis voor Joodse overlevenden binnendrong, waarbij 42 doden zijn gevallen. Hoe kijkt men daar in het hedendaagse Polen tegenaan?

‘Onder de huidige regering is het publieke gesprek daarover taboe. Een Poolse staatssecretaris zei onlangs zelfs dat die pogrom nooit heeft plaatsgevonden, wat in de Poolse context niet veel afwijkt van de bewering hier dat de aarde plat is. Rond de eeuwwisseling was er korte tijd sprake van een nationaal debat, met talloze artikelen van journalisten en historici. Dat debat heeft gefungeerd als een enorme splijtzwam. Een groot deel van de bevolking hoorde het met afgrijzen aan en steunde politici die beloofden dat het debat zou ophouden, dat Polen geen zelfhatende natie zou worden. Het Poolse nationalisme kon dit verhaal niet aan, zeg maar. Het sluimert nu ondergronds.’

Uw boek is naast een overlevingsverhaal ook een Oost-Europese mentaliteitsgeschiedenis. Staat die niet heel ver af van de West-Europese?

‘Wij hebben andere lessen uit het verleden getrokken dan Polen en Oekraïners, dat is zo. En we hebben daardoor een ander mens- en wereldbeeld ontwikkeld. Polen is een belangrijk EU-land waar veel geld naartoe gaat. Maar het is ook het land waar de regering de directeur van een museum over de Tweede Wereldoorlog tot aftreden dwingt, omdat het museum te weinig van het glorieuze van oorlog zou tonen: oorlog is immers de situatie bij uitstek waarin de dapperen zich onderscheiden van de lafaards. Ja, echt. In Nederland is er bijna niemand die oorlog als iets glorieus ziet. Thierry Baudet ook niet. Het verleden heeft daar een fundamenteel andere betekenis, ook onder Poolse intellectuelen. Zij vinden dat wij West-Europeanen weekdieren zijn die niet meer weten hoe je je patriottisme betuigt.’

Zijn we dan niet te anders? Kan het dan ooit nog goed komen met de EU?

‘Dat denk ik wel. Door kennis. Noem het naïef, maar ik geloof werkelijk dat ogenschijnlijk onoverbrugbare verschillen niet zo onoverbrugbaar blijken als je de positie van de ander werkelijk begrijpt. Als je weet, zelfs begrijpt, waar de ander aan de overkant van het ravijn vandaan komt, ook al richt hij zijn pijlen op jou. Of zijn kernkoppen. Dat is volgens mij ook wat het verhaal van Mala laat zien.’

Pieter van Os

1971 Geboren in Garnwerd.

1990-1996 Studie politicologie in Leiden.

2000-2007 Redacteur De Groene Amsterdammer, waarvan twee jaar als correspondent in de VS.

2008-2014 In dienst bij NRC Handelsblad.

2007 Johan Cruijff – De Amerikaanse jaren.

2012 Met vader Henk van Os: Vader & zoon krijgen de geest – Brieven over de drang naar godsdienst.

2013 Wij begrijpen elkaar uitstekend  De permanente wurggreep van pers en politiek.

2019 Liever dier dan mens – Een overlevingsverhaal.

Van Os is getrouwd met Guusje Korthals Altes, ambassadeur in Albanië. Hun dochters zijn 9 en 14 jaar.

Libris Geschiedenis Prijs
De andere genomineerde titels voor de Libris Geschiedenis Prijs waren: De hoeve en het hart – Een boerenfamilie in de Gouden Eeuw van Enny de Bruijn, Missievaders – Een familiegeschiedenis van katholieke wereldverbeteraars van Mar Oomen, De kolonieman – Johannes van den Bosch (1780-1844), volksverheffer in naam van de Koning van Angelie Sens en Eva Vriends Eens ging de zee hier tekeer – Het verhaal van de Zuiderzee en haar kustbewoners.

De Libris Geschiedenis Prijs is een initiatief van Historisch Nieuwsblad, Libris, Nederlands Openluchtmuseum, Rijksmuseum Amsterdam, VPRO en de Volkskrant en bestaat uit een geldbedrag van 20 duizend euro. De prijs is onderdeel van de Maand van de Geschiedenis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden