Oeuvre van lege blikken in lijkgrauwe gezichten

Wat moet er worden van een kunstenaar die pas op zijn vierentwintigste, na eerst zijn studie rechten te hebben voltooid en zijn dienstplicht te hebben vervuld, naar de academie gaat, er zijn diploma haalt, om zich vervolgens vooral toe te leggen op het schilderen van demonen, serafijnen en engelen van...

Van onze verslaggever

Michaël Zeeman

DÜSSELDORF

Niet bekend

Op de overzichtstentoonstelling van zijn werk in Düsseldorf, de eerste aan Vroebel gewijde expositie buiten Rusland, hangen er een paar: een zittende demon uit 1890 - de schilder is net lekker bezig met het uitzetten van zijn carrière -, een vliegend exemplaar uit 1899 - het gaat hem goed - en een neergestorte demon uit 1901, een ingekleurde tekening. Terwijl hij in het voorjaar van 1902 aan een uitgewerkte versie van die neergestorte demon werkt, wordt hij gek en verdwijnt hij in een kliniek voor geesteszieken in St Petersburg. Daar is hij nog wel even uit geweest, maar vanaf 1905 moet hij er definitief blijven. Hij sterft er in 1910.

Wie zijn in een tijdsbestek van twintig jaar opgebouwde oeuvre gezien heeft kijkt er niet van op. Want wat er meteen aan opvalt is het sombere, het malende karakter. Op zijn tekeningen wil hier en daar nog wel eens een zonnestraal doorbreken, maar op zijn schilderijen is het werkelijk allemaal narigheid. Grote vlakken, ruwe streken, met veel paars en bruin, domineren er elk beeld. Als je er lang naar kijkt word je er enigszins astmatisch van.

Misschien is dit er de meest onthutsende manifestatie van: het werk dat hij maakt tijdens en naar aanleiding van een reis naar de Middellandse Zee, begin jaren negentig, vorige eeuw. In Venetië schetst en aquarelleert hij een oploopje van mensen in carnavalskostuum ter hoogte van de Rialto-brug. Is er een lichtere atmosfeer dan die van Venetië, en dan ook nog tijdens het carnaval? Zou er een stad op aarde zijn waar het daglicht rijkelijker over de kaden plenst, uit de wijde lucht er boven en terugkaatsend van het water?

Op zijn aquarel is die lichtheid nog wel terug te vinden, maar op het schilderij dat Vroebel even later van de scène maakte dreigt een grauwe lucht met niet veel goeds en klonteren mensen samen die eerder een moord lijken te beramen dan plannen maken voor een gemaskerd bal. Weg lichtheid, weg lucht.

Ander voorbeeld: zijn verwerking van Shakespeare's Hamlet. Vroebel heeft veel geschilderd en geïllustreerd naar aanleiding van literaire teksten. Lermontov, Goethe, en dus ook Shakespeare. Hij kiest voor Hamlet en - 'get thee into a nunnery!' - Ophelia, een liefdesverhouding die naar bekend tot mislukken gedoemd was. Bij de schets kan je nog denken dat er hoop is; de kleuren zijn er warm en lieflijk, Ophelia leunt over Hamlets stoel en lijkt hem te gaan verleiden. Maar op het onvoltooide schilderij van een jaar later zitten de twee erbij alsof ze zich al voorbereiden op Ophelia's begrafenis: van top tot teen in het zwart, met lege blikken in lijkgrauwe gezichten.

Het is allemaal van een peilloze treurigheid, maar dat is het ergste nog niet. Het is vooral zo zwaar, zo terneer drukkend.

Vroebel wordt wel gezien als een overgangsfiguur, maar dat doet hem onrecht. Hij is dan slechts de verbinding tussen twee perioden, twee stijlen in de schilderkunst die elk voor zich van belang zijn, maar verliest zijn eigen, autonome betekenis. Niemand schildert om een trait d'union te zijn tussen wat hij al kent, maar achter zich heeft gelaten, en wat hij nog niet kent maar ook niet zal bereiken. In het oeuvre dat hij heeft opgebouwd zit wel degelijk een eigen programma.

Dat is er een waarin hij het romantiserende realisme van zijn grote voorganger Ilja Repin achter zich laat, zowel thematisch, als stilistisch. Vroebels figuren zijn niet natuurgetrouw weergegeven. Hij lijkt bij uitstek geïnteresseerd in hun zeggingskracht, in het effect dat ze uitoefenen. Dat hij de kathedraal van Kiëv met fresco's mocht opluisteren moet een kolfje naar zijn hand zijn geweest: een heilige functionaris of een lid van de heilige familie is bij uitstek iemand die beroofd is van zijn individuele eigenaardigheden en het moet hebben van zijn symbolische functie.

Vroebel heeft zich uitgeput in het vinden van een uitdrukkingsvorm die dat kon dragen. En dus treedt er bij het bekijken van zijn werk een encyclopedische reeks stijlassociaties op: met zijn historiserende voorgangers, met de pre-rafaelieten, met zijn symbolistisch schilderende West-Europese tijdgenoten, met Jugendstil-kunstenaars, met de aarzelingen van de vroegste abstracten. Maar de voornaamste blijft toch die met de boosaardige wereld van Odillon Redon: Vroebel is iemand die gehoord lijkt te hebben van Redons aanpak, maar het niet helemaal begrepen heeft. Hij gaat op in een schemerwereld als die van Redon, maar die onderneming ontspoort want het is allemaal een beetje te veel van het goede: te zwart, te koortsig, te gek.

Die overdaad schaadt in het algemeen zijn bedoelingen. Het meisje bij de vlier, een schilderij uit 1900, zinspeelt op de tegelijkertijd lieflijke en geperverteerde geest van de pre-rafaelieten. Maar bij Vroebel gaat het niet meer om broeierige gevoelens of om geheimzinnigheid: dit is een woud waarin men alleen nog maar met de dood wandelt (en er verheft zich een sprakeloze stilte). De vrouw die op een ander schilderij tussen de lelieën drijft is Ophelia niet meer, en dat het schilderij Morgen heet is ronduit een gotspe. Het plantaardig bewind zou overtuigender zijn geweest.

Wat hem obsedeerde is, denk ik, de metamorfose, de geleidelijke verandering van het een in iets totaal anders, van het natuurlijke in het symbolische. In de laatste fase van zijn schildersleven schetste en schilderde Vroebel aanhoudend oesters, die hun weke vlees getransformeerd zien in een parel. Bij Vroebel worden het bijna abstracten; schilderend naar de natuur ontwikkelt hij een inventie. Het is iets dat in zijn hele oeuvre al wordt aangekondigd, in de geleidelijke ontwikkeling van de allengs ruwere en dunnere manier waarop hij zijn verf op het doek aanbrengt, in de steeds verwardere wijze waarop hij zijn kleuren gebruikt. Ze raken los van hun beeltenis en zijn vooral op zijn latere werken niet veel anders dan autonome kleuren.

Een groot schilder kun je hem moeilijk noemen; daar is zijn werk te verward voor, te zoekend zonder wat dan ook te vinden. Wel is hij een intrigerende schilder, die koortsachtig bleef zoeken totdat hij er gek bij neerviel. Zijn beeldhouwwerken - naar operapersonages - zijn afgrijselijk.

Michail Wrubel, der Russische Symbolist. Kunsthalle, Düsseldorf, t/m 13 april. Haus der Kunst, München, 8 mei t/m 20 juli. Catalogus DM 48,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden