Obe Postma zette Friese landschap in de wereldziel

Auteurs en publicisten over de vijf boeken van hun voorkeur. Deze week dichteres Albertina Soepboer..

Vijf dichters die dag en nacht beschikbaar zijn voor diepgravende gesprekken:

1. Het Epos zonder held van Anna Achmatova lezen, is de twintigste eeuw lezen. De Russische dichteres Achmatova (1889-1966) die de gevolgen van het stalinisme aan den lijve ondervond, vertelt over deze gebeurtenissen op een strakke en glasheldere toon. De verwijzingen die ze in dit epos maaktnaar de wereldliteratuur vormen een subtiel netwerk van betekenissen ónder de gedichten. Het bijzondere is dat deze ‘grootse’ poëzie altijd die van het individu blijft. Het is onmiskenbaar háár stem die spreekt over de doden, en die de muze aanspreekt: ‘Spoedig neem ik de lier weer,/ Maar van Sophocles, niet die van Shakespeare.’ De beelden die Achmatova schetst van het rijke culturele leven en de teloorgang van Sint Petersburg blijven indrukwekkend.

2. Dichteres Emily Dickinson (1830-1886) was haar tijd vooruit. Eind negentiende eeuw experimenteerde de Amerikaanse met syntaxis en man-vrouwbeelden in de poëzie. Het resultaat is een spannend en nog steeds springlevend oeuvre. Haar natuurbeschrijvingen zijn fijn- en dubbelzinnig: ‘I am alive – I guess?/ The Branches on my Hand/ Are full of Morning Glory –’. Haar permanente zoektocht naar het raadsel van leven en dood is afdalen in de Hades, met alleen de taal als richtingwijzer.

3. Obe Postma (1868-1963) schreef zijn leven lang over het Friese platteland zonder ooit sentimenteel te zijn. Zijn beschrijvingen van de mensen en van het landschap (het noordwesten van Friesland) zijn subliem: een eeuwigheid aan rijke oogsten, sombere regens en lange zondagmiddagen, een eeuwigheid die hij plaatst in de wereldziel.

Postma vertaalde ook werk van Rainer Maria Rilke naar het Fries. In een van zijn mooiste gedichten schrijft hij dat Rilke naar Rusland reisde, maar hij zelf reist op zijn oude dag naar Harlingen om een ander mens te worden: ‘Ik rûkte de tarlucht en wol eat fan ’e sé – en alheel deselde bin ik net bleaun.’

4. Jan Jacob Slauerhoff zwierf over de wereldzeeën als scheepsarts en schreef tijdens zijn reizen prachtige desolate poëzie. Daar spreekt een eenzaamheid uit waar niets meer tegen helpt. De taal van Slauerhoff is open en transparant – maar ergens daaronder schuilt een mysterie waar geen vat op te krijgen is.

‘Op de zee, zonder bosschen en dalen,/ Is herfst een machtelooze geest in het ruim,/ Die door de wolken mag dolen en klagen,/ Maar zich nergens kan openbaren.’

5. De sonnetten van William Shakespeare zijn een goudmijn. Ook als dichter neemt de toneelschrijver de grote thema’s onder handen en blijft daarbij opvallend nuchter. De taal en de vormvastheid van deze sonnetten zijn van een weergaloze precisie. Het sonnettenschrijven is Shakespeare duidelijk niet in de koude kleren gaan zitten.

Zijn tirades tegen de muze die maar niet verschijnt of in de verkeerde vorm, zijn onvergetelijk: ‘Where art thou Muse that thou forget’st so long,/ To speak of that which gives thee all thy might?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden