100 voorwerpen klimiglo

Nummer 72 in onze lijst met honderd voorwerpen uit de Nederlandse popcultuur: de klimiglo

Het was in 1956 een nieuw idee: vrij toegankelijke speelplaatsen voor kinderen in Amsterdam. Aldo van Eyck ontwierp ze, met als opvallendste speeltoestel de klimiglo. 

De Klimiglo Aldo van Eyck. Beeld Annabel Miedema

Klimiglo

Jaar: 1956

Ontwerper: Aldo van Eyck (1918-1999)

Collectie: Rijksmuseum Amsterdam (schenking van stadsdeel Nieuw-West, Amsterdam)

Materiaal: aluminium

In de achtertuin van het Rijksmuseum staat, nauwelijks opvallend, een speeltuintje. Het is een van de weinige zaken uit de immense collectie van het Rijksmuseum waarin naar hartelust geklommen kan worden. En ja, dat speeltuig behoort tot de collectie, net als Het melkmeisje en de Japanse tempelwachters. Ster van de opstelling is de klimkoepel, die we ook wel klimiglo mogen noemen, een toestel dat – en hier citeren we de collectiecatalogus van het museum – ‘beantwoord aan de natuurlijke neiging van kinderen om te klimmen, springen, slingeren en duikelen.’

Ontwerper van dit klassieke, sobere klimtuig was architect Aldo van Eyck, die in 1947 op 28-jarige leeftijd in dienst kwam bij de Amsterdamse Dienst der Publieke Werken, afdeling Stadsontwikkeling en daar een revolutie ontketende. De dienst wilde speelplekken creëren voor kinderen, in een stad die nog alle littekens van de oorlog droeg. De speeltuin was in de vooroorlogse stad geen vanzelfsprekendheid; er waren wat afgesloten speeltuinen, waar je via een vereniging lid van moest zijn. Verder waren de kinderen aangewezen op de straat en de stoep.

De eerste speelplaats nieuwe stijl werd door Van Eyck neergezet aan het Bertelmanplein in de Stadionbuurt. Centraal de staat breedgerande zandbak met ronde hoeken, met verder drie zogenaamde duikelrekjes en vijf zitbanken. Het was de eerste van ruim zevenhonderd speelplaatsen die Van Eyck zou realiseren, waarbij hij ook het ontwerp van de speeltoestellen zelf voor zijn rekening nam. Zijn eigen kinderen probeerden de ontwerpen uit. 

Onder de toestellen lagen stoeptegels. Van Eycks ontwerpen stammen van ver voor de rubberen tegel en dus van voor de discussie over het #rubberentegenparadijs. Daarin werd de poging om kinderen te beschermen tegen tanden door de lip en gaten in hun hoofd met beschermende tegels onder de klimtoestellen overdrachtelijk ingezet door cultuurcritici als bewijs van een kennelijk weke volksaard.

Van Eycks ontwierp tussen 1947 en 1955 zestig speelplaatsen zelf. Daarna, met name in de uitbreidingswijken in het westen van Amsterdam, werden de speelplaatsen meer seriematig neergezet. Van Eyck begon in 1951 zijn eigen bureau en zou vele bouwwerken in Nederland neerzetten, van een Hunebedcentrum in Borger tot aan het Sonsbeekpaviljoen in Arnhem. Maar niets was zo onsterfelijk als zijn duikelrekjes en klimtoestellen.

De soberheid van Van Eyck hield lange tijd stand. Totdat er in de jaren zeventig een exoot verscheen in het Nederlandse speelplaatsenlandschap. Het veertoestel, beter bekend als de wipkip, was een ontwerp van de Deense kunstenaar Tom Lindhardt. De allereerste stond in 1972 in de Deense plaats Odense. Dat was het begin van een Europese triomftocht en markeerde de introductie van flower power in de speeltuinbranche.

Aan de Witte Klok in Amsterdam-Osdorp staat nog een authentieke Aldo van Eyck-speelplaats, die wellicht het best te bezoeken is via Google Street View. Want dan is het eeuwig lente. En staat de tijd stil.

De Klimiglo Aldo van Eyck Beeld Annabel Miedema
De Klimiglo Aldo van Eyck. Beeld Annabel Miedema
De Klimiglo Aldo van Eyck. Beeld Annabel Miedema
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden