beschouwing spionnenprogramma the spying thing

Nu het nieuws soms leest als een spionageplot zijn spionnenfilms extra in trek. Wat maakt een échte spionagefilm?

Het IFFR eert met programma The Spying Thing het listigste aller genres. Waaraan moet een echte spionnenfilm voldoen?

Inspector Gadget met helikopterhoed in Inspector Gadget (1999)

Het FBI-onderzoek naar de connecties tussen Trump en de Russen, de moord op Jamal Khashoggi, Russische spionnen in Den Haag, gifaanslagen in Engeland: het dagelijks nieuws leest vaak als één grote spionagefilm. Genoeg reden voor het IFFR om met een speciaal spionageprogramma te komen. The Spying Thing staat stil bij het wezen van spioneren, aan de hand van oude en nieuwe films – sommige zijn exemplarisch voor het immens populaire én diverse genre, andere bevinden zich meer aan de rand. ‘In strikte zin is spionage in het geheim informatie verzamelen over een ander land of organisatie’, aldus samensteller Gerwin Tamsma. ‘Maar het onderwerp is heel breed: het heeft te maken met waarheidsvinding en paranoia en onderzoek, met surveillance en controle, met privacy en ondervraging, met voyeurisme en machtsverhoudingen.’

Daarom past ook Alfred Hitchcocks Rear Window (1954), waarin James Stewart een aan zijn rolstoel gekluisterde man speelt die vanuit zijn appartement een moord gepleegd ziet worden, in het IFFR-spionageprogramma. Maar wat kenmerkt nou een echte, onvervalste spionagefilm? Vier essentiële ingrediënten.

La Flor (Parte 2)

Maffe (maar misschien wel realistische) gadgets

Spionagefictie valt grofweg in twee smaken uiteen: het niet zo realistische werk à la James Bond, Jason Bourne en Mission: Impossible, tegenover romans, films en series die de spionagewereld pretenderen te tonen zoals ze is. Het onderscheid is op veel manieren te bepalen: hoe vergezocht zijn de actiescènes, hoeveel vrouwen (of mannen) slaat de held(in) binnen twee uur aan de haak en ook de gebruikte gadgets, de speciaal voor spionagedoeleinden ontworpen spullen, zijn een goede indicator. De helikopterhoed van Inspector Gadget is nu eenmaal onwaarschijnlijker dan een met gif gevulde balpen, zoals het exemplaar in de koffer van de Zuid-Koreaanse geheimagent uit Yoon Jong-bins op feiten gebaseerde The Spy Gone North (2018), te zien op IFFR.

En toch: zet een röntgenbril naast een fotocamera ter grootte van een manchetknoop, een schoen met radiozender naast een telefoonschoen, een lipstickpistool naast raket-afvurende sigaretten en je hebt een lijstje waarin het onderscheid tussen fictieve en bestaande spionagegadgets niet meer zo makkelijk te maken valt. De manchetknoop-camera komt uit Fritz Langs Spione (1928), een van de grondleggers van het genre en ook te zien tijdens IFFR. Wie zegt dat zulke camera’s eind jaren twintig niet daadwerkelijk bestonden? En daarin schuilt een van de absolute charmes van de spionagefilm: dat je als toeschouwer nooit helemaal weet waar de realiteit ophoudt en de fantasie begint. Tenzij je zelf geheim agent bent, natuurlijk.

The Spy Gone North

De alledaagse werkelijkheid heeft altijd een sinister (spionnen)randje

Spione is weliswaar niet de allereerste spionagefilm – Britse producties als O.H.M.S (1913) gingen hem voor – maar Langs film leverde in veel opzichten de definitieve blauwdruk voor het genre. Denk aan het prominente gebruik van gadgets en aan de nog altijd gangbare conventie van rivaliserende spionnen die het met elkaar aanleggen. Terwijl de Russische Sonja (Gerda Maurus) alles op alles moet zetten om de Duitse Number 326 (Willy Fritsch) af te troeven, valt ze als een blok voor hem - en hij voor haar.

Interessant is ook hoe Lang het spionageverhaal verweeft met de alledaagse werkelijkheid. Zo vindt een cruciale scène plaats in een postkantoor, en op straat lopen de personages langs een muur vol filmposters van Metropolis (1927), de vorige productie van Lang, die tijdens de opnames van Spione nog in de bioscopen draaide. De meeste spionagefilms hebben dit soort scènes in de ‘gewone’ wereld. Bijvoorbeeld wanneer de geheim agent de straat opgaat, en zijn missie vervolgt te midden van nietsvermoedende voorbijgangers. Dat zijn sleutelmomenten, die direct inspelen op de angst dat onder het geordende dagelijks leven duistere krachten sluimeren: terwijl jij als onwetende sterveling op de markt je mandarijntjes bij elkaar raapt, staat de persoon naast je wellicht een aanslag voor te bereiden, of houdt hij een boodschapper met een koffertje vol plutonium in de gaten. Hoe meer spionagefilms je ziet, hoe vatbaarder je wordt voor dergelijke paranoia. 

Een kort, quasi-experimenteel drieluik als Mauro Andrizzi’s Cairo Affaire, opgenomen in The Spying Thing, speelt daar handig op in. Terwijl de filmmaker in de voice-over vertelt hoe hij als gast op een filmfestival in Teheran kennismaakte met een Iraakse vrouw die hem voor een schimmig complot lijkt te willen ronselen, zien we video-opnamen van de stad. Beelden van Andrizzi’s hotel, van zomaar wat mensen in een bus, een slapende man in een portiekje en een lange autorit die ook een achtervolging zou kunnen zijn. Door het onheilspellende verhaal lijken het niet langer onschuldige kiekjes: het is alsof we rondspieden met de blik van een spion, die achter elk onschuldig straatbeeld een samenzwering vermoedt.

Niemand is wie hij zegt (of denkt) te zijn

Niemand valt zomaar te vertrouwen in spionagefilms. De personages moeten constant uitkijken dat ze niet verstrikt raken in een web van leugens en zelf hebben ze bovendien ook vaak een (drie)dubbele bodem: de ene geheim agent werkt zowel voor Oost als West, de andere lijkt een slechterik maar is het niet (of andersom); een derde loopt zonder scrupules over naar de vijand. In een universum waar mensen zich voornamelijk met valse namen, codewoorden en cijfers laten aanspreken, is identiteit een bijzonder vloeiend begrip.

Dat zie je ook in The Spy Gone North, waarin de Zuid-Koreaanse geheimagent Black Venus als zakenman in het Noord-Korea van de jaren negentig infiltreert om te ontdekken of heerser Kim Jong-il daadwerkelijk atoomwapens bouwt. Terwijl hij zichzelf tot in de details een nieuwe persoonlijke geschiedenis aanmeet, lijkt het of sommige Noord-Koreaanse functionarissen hem doorhebben en stiekem aan zijn kant staan. Daarbij is zijn Zuid-Koreaanse chef misschien nog het minst te vertrouwen van iedereen. Overigens doet in deze film ook het decor mee aan het spel van vermommingen en identiteiten: de scènes die zich zogenaamd in Noord-Korea afspelen, werden gedraaid op diverse Zuid-Koreaanse, Taiwanese en Chinese locaties. En Kim Jong-il verschijnt met een schattig wit hondje aan zijn voeten, alsof hij James Bonds kattenminnende slechterik Blofeld wil nadoen.

Je komt nog eens ergens

Spionnen in films zijn vrouwen en mannen van de wereld. Hun missie beperkt zich zelden of nooit tot een enkele stad, tot één land of continent. Het is alsof de films zo willen verduidelijken hoe ver de tentakels van de geheime diensten reiken, hoe wijd vertakt hun macht is. Sowieso blijft de rest van de wereld in de hedendaagse spionagefilm altijd binnen handbereik dankzij mobieltjes, het internet, drones, geavanceerde digitale afluistertechnieken, satellieten en gehackte beveiligingscamera’s. Een moderne spion weet zichzelf altijd wel op de een of andere manier een alwetend oor of oog aan te meten.

Intussen zijn tijd en ruimte relatieve concepten in dit genre. Een geheimagent die voor zijn missie van Wenen naar Berlijn moet en van daar naar Hongkong, Shanghai of New York, zullen we in slechts weinig films ook echt zien wachten op het vliegveld, of uren in de trein zien zitten. Een wereldreis is in spionagefilms in een vloek en een zucht voorbij. Alleen al daarom is een dik vijf uur durende, recalcitrant trage genrefilm als La flor (Parte 2) zo verfrissend (of misschien juist vreselijk irritant). Het is het tweede deel van Mariano Llinás’ zesdelige filmexperiment La flor, dat in totaal 14,5 uur duurt. In deze film, die als laatste werd geproduceerd en ook los te bekijken is, zitten twee teams van vrouwelijke spionnen van Brussel naar Zuid-Amerika achter elkaar aan. Mariano neemt juist wél de tijd neemt om al dat plotloze wachten expliciet te maken; een oefening in slow spying.

Neem de lange flashback waarin we zien hoe een van de dames tijdens een eerdere missie op zoek gaat naar Boris, de mol in haar Russische organisatie. Ze haalt het in haar hoofd heel Rusland te doorkruisen per trein, in de hoop dat Boris vroeg of laat ergens zal opdagen. Na een aantal close-ups van de uit het treinraam turende vrouw is het eindelijk zover: daar, in zomaar een provinciestationnetje, zo kondigt de voice-over aan, zal Boris dan eindelijk verschijnen. De film kijkt nieuwsgierig met de spion uit het raam, en blijft kijken en kijken, terwijl de trein langzaam, héél langzaam bij het perron tot stilstand komt. La flor (Parte 2) is het zeldzame voorbeeld van een onthaaste spionagefilm.

Monster van Mariano

De dik vijf uur durende alternatieve spionagefilm La flor (Parte 2) maakt onderdeel uit van een nog veel omvangrijker filmproject: Mariano Llinás’ in tien jaar tijd gedraaide La flor, dat inclusief voorgeprogrammeerde pauzes liefst 868 minuten duurt. Het monsterproject, waarvoor Llinas samenwerkte met de actrices van theatertroep Piel de Lava, is nu ‘eens’ een B-horrorfilm over een vervloekte mummie, dan weer een complex relaas over de strubbelingen tussen een toneelregisseur en zijn acteurs of een remake van Jean Renoirs klassieker Partie de campagne (1946). Verhalen komen en gaan, de verteller neemt soms zelf het woord om te zeggen hoe lang episodes nog duren, en dat alles in een marathonfilm die door de maker zelf omschreven werd als een kerstboom. La flor (Parte 1) draaide op IFFR 2017, en won toen de Hubert Bals Fonds Publieksprijs.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.