North Sea krijgt ook de ongelovige op de knieën

North Sea Jazz Festival, 10, 11 en 12 juli, Congresgebouw Den Haag...

MUZIEK

Het programmablad van het North Sea Jazz festival 1998 vertelt de bezoeker niets over Lennie Tristano. Deze blinde pianist is al ruim twintig jaar dood, maar een van zijn bekendste leerlingen gaf tijdens het festival twee concerten. Lee Konitz kan in Amerika geen droge boterham verdienen, dus hij reist een groot deel van het jaar door Europa en speelt overal, steeds met andere begeleiders.

Tristano leerde Konitz vijftig jaar geleden wat het betekent om te improviseren zonder veel afspraken vooraf, en het is prachtig om te zien dat Konitz die vrijheid steeds meer zoekt. Zaterdag speelde hij met bassist Charlie Haden en pianist Paul Bley, en het was alsof hij zich die vreemde muziek uit de jaren veertig herinnerde. Hij is altijd een originele stilist geweest, maar binnen bepaalde kaders; nu lijkt hij op gevorderde leeftijd steeds beter in staat om de revolutionaire lessen van zijn oude meester te gebruiken.

Daarom was het aardig geweest om wat over Tristano te lezen, zoiets geeft houvast in de maalstroom van indrukken die het North Sea Festival altijd is. Het is heel gemakkelijk om in het Haagse Congresgebouw elk gevoel voor proportie te verliezen; de contrasten zijn zo groot, de musici komen met zoveel verschillende ideeën dat er ongemerkt een zekere nivellering optreedt.

Er waren in Den Haag meer musici die zijn begonnen in een grijs verleden. Ook over hen was het programmablad summier, maar hun optredens gaven een mooi beeld van de ontwikkelingen in de muziek sinds pakweg 1965.

Gitarist George Benson bijvoorbeeld speelde veertig jaar geleden in het gemeen swingende combo van organist Jack McDuff. Hij kon volgens velen de grote jazztraditie van Charlie Christian en Wes Montgomery voortzetten, maar zelf zag Benson in dat de populaire muziek een andere kant opging. Hij verwierf zich in de jaren zeventig een miljoenenpubliek.

Hij speelde afgelopen weekeinde materiaal van zijn laatste cd, muziek waarin elke noot geproduceerd is. Luisterend naar de liedjes denk je niet langer aan wat geweest is. Deze muziek lijkt uit het niets te komen en ook weer in het niets te verdwijnen. Het is leuk en aardig, maar vooral vervangbaar.

De Nederlandse pianist Rob Madna speelde in de jaren vijftig met Wessel Ilcken, en is te horen op de legendarische Jazz Behind The Dykes-lp uit die tijd. Hij treedt niet graag voor het voetlicht; in 1996 bracht hij voor het eerst sinds twintig jaar opnames uit. Hij speelde nu met oud-leerlingen in een zaaltje voor vierhonderd man.

Madna heeft elk voor de hand liggend effect uit zijn muziek verwijderd. Zijn gebruik van de synthesizer is daar een mooi voorbeeld van, die laat hij echt functioneren als onderdeel van een ensemble. Waar andere bespelers in de verleiding komen om muzikale rookgordijnen te creëren, zet Madna iedere klank zo helder mogelijk neer, zodat hij ook natuurlijk mengt met de piano van Michiel Borstlap of de tenorsax van Tom Beek. Deze details werken heel vanzelfsprekend in de lyrische structuur van Madna's composities, zo vanzelfsprekend dat je je als luisteraar iedere keer weer kunt laten verrassen.

Het leggen van historische verbanden of het trekken van rode draden valt overigens niet mee in het overvolle Congresgebouw. Zo werd het hier en daar proeven van dit immense lopende jazzbuffet, één van de charmes van dit festival, vrijwel onmogelijk. Als het toch lukte waren er gelukkig wel weer verrassende menu's samen te stellen.

Met jongere Europeanen bijvoorbeeld, die een wat lossere benadering hebben van het grote jazzverleden dan veel Amerikanen. De Fransman Louis Sclavis geeft je elke keer het heerlijke gevoel iets te horen wat je nog niet kende, zonder je op afstand te houden met buitenissige gimmicks of gepriegel voor ingewijden. Zijn overdonderende vaardigheid op sopraansax en basklarinet dient een muzikaal concept waarin Bretonse en Noord-Afrikaanse volksmuziek complexe dansen uitvoert met funky en swingende accenten, vergenoegd knorrende of hemelhoog jubelende melodieën, opgebouwd met een even verrassend en briljant fraserende bassist en drummer. Samen met gast Dave Douglas, op trompet, liet hij soms de gouden tijden van Eric Dolphy en Booker Little herleven.

Halverwege deze superieure kamerjazz uitgeweken naar het Tuinpaviljoen kwam je in een andere wereld: die van godsvruchtige showbiz, met het Gospel Choir of the Washington Imani Temple, dat 'give him some love' riep als een van de leden applaus verdiende. Tenorsaxofonist David Murray en zijn kwintet werkten met hen samen, geen goedkope stunt want gospel is Murray's voorland, en zijn extatische solo's, met de rhythm & blues-connectie extra benadrukt, stuwden het geheel naar grote hoogten.

De beste manier om de wortels van de jazz te verkennen is uitgaan van je eigen muzikale onderbewustzijn, zo bleek maar weer. Zonder de rauwere jazzklanken was het koor af en toe wel wat zoetig, maar wat een grooves, wat een stemmen: zelfs de ongelovige ontlokten ze een welgemeend 'godallemachtig'.

Frank van Dixhoorn

Frank van Herk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.