NORTH SEA JAZZ FESTIVAL

Tijdens het festival is er steeds die ergernis over de volksmassa's die door het Congresgebouw deinen, van PWA-zaal naar dakterras naar tuinpaviljoen....

'HA, DAT IS de eerste keer', roept Hans Dulfer. Goed, in den beginne was er niets, zoals oprichter Paul Acket over zijn North Sea Jazz Festival zei. Maar vanaf 1976 is het toch elk jaar in juli weer zover. 'En elk jaar komt de Volkskrant weer op het laatste moment en vraagt of ik het programma niet te popachtig vind', constateert de tenorsaxofonist en artistiek adviseur van het festival met enig leedvermaak, nog voor er één vraag gesteld is.

Op één jaar na heeft Dulfer elke editie van adviezen voorzien. Dat ene jaar was het allereerste jaar, nog net geen kwart eeuw geleden. Toen schreef hij in Oor dat het een 'kutfestival' was. Had hij acuut een briesende Acket aan de telefoon die zei dat het helemaal niet zo was. 'Mag ik ook nog wat zeggen', zei Dulfer, maar de organisator was niet te stuiten. En of ze nog eens verder konden praten, vroeg Acket.

Hij kwam er zelfs voor naar Amsterdam en dat was bijzonder, want Acket kwam haast nooit Den Haag uit. Hij schoffelde nog eens het hele artikel van Dulfer onder tafel en vroeg vervolgens of hij in de adviescommissie wilde. Vanaf dat moment belde Acket Dulfer en Dulfer belde Acket. Als de band goed was, dan kreeg Acket de complimenten, en was de muziek zwaar beneden peil dan was het de schuld van die Dulfer.

De 'North Sea Experience' is iets waarvoor sommigen hun vakantie verschuiven. Slagwerker Eric Ineke bijvoorbeeld, heeft tot nu toe geen enkele jaargang overgeslagen. Hij speelt mee in veel Nederlandse begeleidingsgroepen en dat betekende in de Ackettijd dat je het ene moment ingedeeld stond bij trompettist X en dan op het laatste moment werd opgetrommeld om altsaxofonist Y te begeleiden.

Neem die keer dat hij net lekker op de platte kar zat te spelen die door de Frederik Hendriklaan reed en Acket opeens met de auto naast hem kwam rijden. Of hij even snel 's avonds wilde invallen. 'Typisch Acket', volgens Ineke. Altijd een persoonlijke benadering. Wat verder onmiskenbaar bijdraagt aan het North Sea-gevoel is het feit dat het hele festival in één gebouw is ondergebracht. Al is het Haagse Congrescentrum dan wel drie dagen een 'heksenketel', zoals Ineke het noemt.

'Het is een gekkenhuis', meldt cellist Ernst Reijseger, in gezelschap van zijn mobiele telefoon net op weg naar Italië. Twee jaar geleden won hij de Bird Award, die in 1985 door het festival werd ingesteld. Reijsegers North Sea-gevoel is op z'n minst ambivalent en niet alleen om de aanhoudende stroom zwetende menselijke lichamen die met bier en hamburgers door de gangen deint, op weg van de PWA-zaal naar het dakterras en van het tuinpaviljoen naar de Paulus Potter Zaal.

'Als de muziek leuk is, kun je een heel feestelijk gevoel hebben, maar de werkomstandigheden zijn niet ideaal', zegt de cellist diplomatiek. Hij bedoelt eigenlijk: de organisatie ontbreekt het nogal aan hoffelijkheid en flexibiliteit. Zoals vorig jaar, toen hij met cello, versterker en rugzak uit België kwam, eerst in het Bel Air Hotel kaartjes moest halen en vervolgens met bagage en al de speciale North Sea-taxi werd uitgezet met de mededeling dat Nederlanders niet voor die service in aanmerking kwamen.

Nog zoiets: als hij terugkomt uit Italië, heeft Reijseger zaterdag drie concerten op één avond en geen hotelkamertje om tussendoor uit te rusten. 'Er zijn geen faciliteiten voor de Nederlandse musici', zegt hij gelaten. Toch verheugt hij zich wel op 'die idiote combinaties' waarin het North Sea uitblinkt: samen met Rita Reijs op het podium in een 'Bird Winners Concert' met het Dutch Jazz Orchestra, een trio met Michiel Borstlap en Eric Vloeimans, een optreden met Djazzex en een paar dansers erbij.

'Tja, mensen kunnen ook hele leuke verhalen vertellen over hun militaire diensttijd, terwijl het op dat moment helemaal niet leuk was', bedenkt Hans Dulfer. Zo is het in feite ook met het North Sea. 'Als je er rondloopt, word je gek. Je kunt nergens doorheen, je wordt op je tenen getrapt, het brood wordt uit je handen geslagen en de volgende ochtend denk je: had ik maar niet zoveel van dat lauwe bier gedronken en van die vieze hamburgers gegeten. Maar achteraf is het toch weer heel leuk. Het is net jeugdsentiment.'

Het is de paradox van North Sea, concludeerde een recensent ooit. Het is een supergrootschalig festival voor muziek die altijd kleinschalig zal blijven. Er zijn mensen, weet Reijseger, die na één nummer weer opstaan en de zaal uitlopen omdat ze altijd het gevoel hebben dat ze elders wat missen. En zelfs de geroutineerde bezoeker komt er elk jaar met zere voeten vandaan. Op een festivaldag van zo'n acht uur besteedt hij minimaal twee uur aan de verplaatsing door het hele gebouw en dan moet hij in de meeste zalen nog staan ook.

'Ik ga nóóit de zaal uit', zegt presentator Jaap Lüdeke, wijs geworden in de twintig keer dat hij de aankondigingen verzorgde. 'Je komt gewoon niet meer op tijd terug.' Hij heeft het wel eens meegemaakt dat er vijfhonderd man van de ene kant kwamen en vijfhonderd van de andere. Dan zit je klem. Maar net als alle steeds terugkerende muzikanten en ondanks alle ongemakken die een menigte van zeventigduizend mensen met zich meebrengt, blijft hij het festival trouw. Ook sinds het overlijden van Acket: op 5 oktober 1992 bezweek hij aan longkanker (het sigarettenpijpje, op karakteristieke wijze gehanteerd, was zijn beeldmerk).

Er zijn van die dingen die je gewoon altijd bijblijven. Zo kwam Lüdeke toevallig een keer langs de hotelkamer van Dizzy Gillespie. Door de openstaande deur zag hij de trompettist op handen en voeten rondkruipen, op zoek naar de pillen uit de megamedicijnpot die was omgevallen. 'Zal ik helpen?', vroeg Lüdeke, 'ik heb net m'n handen gewassen.' Graag, zei Gillespie. Maar die handen had hij niet hoeven wassen: you can never beat the floor of a hotelroom.

Ze zijn er niet meer. Acket is dood. Sarah Vaughan, Miles Davis, Dizzy Gillespie, Ella Fitzgerald, Stephane Grappelli: de jazzkoningen en -koninginnen, vaste gasten van het North Sea, zijn allemaal overleden. In 1994 is het familiebedrijf Acket overgenomen door het popconcern Mojo Concerts. Ackets opvolger Paul Dankmeijer is alweer vertrokken en zijn compagnon Theo van den Hoek is alleen overgebleven. Geen wonder dat de vraag steeds opduikt: of het festival nu niet te poppy wordt.

'Het blijft raar, Elvis Costello op een jazzfestival', vindt de verstokte jazzliefhebber. 'Het festival is breder geworden', zegt de omnivoor, zoals platenbaas Sem van Gelder van de Groningse zaak Swingmaster. Jaarlijks pakt hij een paar duizend cd's in en vertrekt - nu voor de negentiende keer - voor drie dagen naar Den Haag, waar hij zijn bivak in de kelder van het Congresgebouw opslaat, bij de andere cd-handelaars. Het programma van dit jaar, daar zou hij als liefhebber zeker naar toe gaan. 'Fantastisch knap', zegt hij, 'zeker als je ziet wat er de laatste jaren allemaal onder de zoden is gegaan.'

'Het is net als met Ajax', analyseert Dulfer. 'Je kunt wel zeggen: al die sterspelers zijn vertrokken. Maar dan moeten ze iets anders verzinnen. Nou, bij Ajax kopen ze al die oude jongens weer terug en in de jazz zijn die nu dood.' En eigenlijk is het verschil tussen jazz en pop helemaal niet zo groot, naar zijn bescheiden mening. Neem bijvoorbeeld de bebop uit de jaren veertig en vijftig: al die mensen zaten zelf ook in de populaire orkesten uit die tijd. Ze speelden de populaire muziek, improviseerden erbij en gedroegen zich provocerend.

Dulfer: 'Als je nu jazzmusicus bent, kijk je naar de populaire muziek van nu. Dat is house en daar doe je dan iets anders mee. Je speelt met de dj. Jazzmusici van nu zien er uit alsof ze in geen dertig jaar een ander pak hebben gekocht en ze spelen alleen commentaar op het verleden. Nou dat kan. Je kunt helemaal idolaat zijn van Rembrandt en alleen in zijn stijl schilderen. Maar de basis van jazz is commentaar op de populaire muziek van je eigen tijd. Dan ben je ergens mee bezig.'

Hij is, heeft hij gemerkt, helaas de enige die dat vindt. Acket gaf hem ook nooit gelijk. Hij ging altijd lijnrecht tegen de voorstellen van Dulfer in. Lange verhalen waarom die-en-die absoluut niet op het programma moest. Begon het festival, stond die-en-die er natuurlijk toch.

Op een keer zei Acket aan het eind van het festival: 'Zeg Dulfer, je gaat 's zomers toch altijd naar Zuid-Frankrijk, naar dat festival? Ik heb nog een paar tickets over. Ga jij nou maar lekker met je dochter en je vrouw daar naartoe.' Dat deed Dulfer, en Acket kwam ook met zijn vrouw Jos. Reuze gezellig. Het jaar daarop vroeg Dulfer aan Jos Acket of er niet toevallig weer een paar tickets over waren. Ook al zouden ze de helft betalen, het zou toch schelen.

Jos Acket keek hem wat meewarig aan. 'Je kent Paul toch slecht', zei ze. Natuurlijk waren er geen tickets over. Hij had ze speciaal gekocht. Maar ja, gewóón zeggen dat je het goed gedaan had, dat kon hij niet. Hij zei het liever zoals hij het ook op zijn sterfbed zei, vlak voor zijn laatste adem: 'Alles sal reg kom.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden