NORMAAL

Ze houden van bier, vette blues en rock 'n' roll. Ze hebben geen fans maar anhangers en ze voelen zich pas weer op hun gemak aan de goeie kant van de Iessel....

door Willem Ellenbroek

Een boks is een broek en een onderboks is een onderbroek. Zo simpel is het. Dat wisten we al. En ook hoe ontroerend mooi het Achterhoeks kan zijn met woorden die we niet kenden, maar waarvan we de betekenis feilloos kunnen aanvoelen.

'Ik zie een deerntjen op een fiets - wat mooi, wat mooi

d'r steet wat wind zie slakkert iets - wat mooi, wat mooi'.

Wat høken betekent dat hebben ze er bij ons wel ingestampt. Høken is brekken, angoan, daldeejen oftewel dollen, keten, beesten. Met 25 jaar geleden nog de brave boodschap erbij dat høken niets te maken had met het voordehandliggende meerijmwoord, hoewel uit al hun teksten blijkt dat je na een lekker partijtje høken wel trek kunt krijgen in een potje fffuuuttt ('stil nou, lul, hoe je bek'). In de jeugdzorg van Overijssel ging een alarmerende waarschuwing rond: 'De liedjes die zij in dialect ten gehore brengen zijn zodanig grof en platvloers, het woord weerzinwekkend is misschien beter op zijn plaats, dat dit ondanks de gewijzigde normen van de laatste jaren de normen van het toelaatbare verre overschrijdt'.

'Mien olde BSA

die wacht geduldig hoe of 't geet

Zien buddy seat trilt van verlangen

tut zie zitten geet'.

Zoepen, daar houden ze van (Mama waor is mien pils/ Mien pilsjen bin ik kwiet/ Heeft niemand dan mien pils gezien/ Ik lust er wel een stuk of tien). En van brullende motoren, vette blues en rock 'n' roll, van deurdonderen en niet noar huus toe goan, de kermis en de motorcross, van een tank vol diesel en de lucht van uutloatgas, van een machtig mooi lief en lekker deerntj'n, van het eerlijke boerenleven en bovenal van de Achterhoek, met zijn gerstenvelden, korenbloemen, klaprozen en die diepe weldadige boslucht. Ze voelen zich pas, op reis en in het leven, weer op hun gemak als ze aan de goeie kant van de Iessel zijn.

Ze kennen geen fans, maar anhangers, en die willen er even graag als zij een klerebende van maken. Met een eigen ritueel van biersmijten en elkaar het hemd van het lijf scheuren. 'Het gecondenseerde zweet en bier', melden ze elkaar vol voldoening in hun Anhangerschapbode, 'kwam als regen weer van de nok naar beneden.'

Ze zijn trouw als een hond, geen fans maar meer familie, en Normaal zorgt het hele jaar door (en het hele leven) voor de muziek die erbij hoort. Zij helpen liefdesverdriet te stillen, schaamte te boven te komen voor te grote verlegenheid bij het versieren, frustratie op het werk te verzachten of een afwijzing te slikken, door hun fans hun eigen leven, met al zijn piene en twiefel, voor te houden, zoals het een rockband betaamt; in een onverbloemde poëzie.

Moar ik moch der niet op, i-j zeijen later misschien

En dat gezeik dat duurt now al een wèhk of 10.

Vijfentwintig jaar geleden begon het. Op Hemelvaartsdag 1975. Op een openluchtconcert in Lochem. Ze waren al een jaartje bezig, in het Engels, in een keldertje onder het postkantoor van Doetinchem, opgejut door de jankende gitaren van Chuck Berry en Little Richard uit de jukebox. Bij het vierde nummer op die hemeldag zette zanger-tekstschrijver Bennie Jolink een blues in in het eigen dialect. Het was niet alleen het onvervalste Achterhoeks dat het publiek met stomme stilte sloeg, Jolinks prachtige gorgelende stem die een eigen uit Achterhoeks eikenhout gesneden klankkast heeft, maar ook, en dat is altijd zo gebleven, de tekst zelve. Want wie begint een blues nou zo:

Ik zat laatst te drukk'n op de plee.

Normaal werd de eerste rock 'n' roll-band in dialect, de oervader van het genre.

Ze vieren het deze Hemelvaart met een jubileumconcert op de plek waar het toen allemaal begon. In Lochem. Te beginnen in de oerbezetting, later gevolgd door de huidige. Ze zullen er allemoal zijn, ze houden van boerenbi-jnoamplageri-jen, dus in hun hooivorknamen met: Buizen Berend, Brekken Jan Schampschot, Wimken van Diene, Pareltjen den Maelmoes, Bartje, Frederik Puntdraod en de Gaspiepe. Het jubileum wordt bijgezet in twee cd's: de rockplaat Van tied tut tied die nu verschijnt en de akoestische Effe zitten die in de herfst uitkomt.

Ze hebben altijd een muziek gemaakt van mouwen opstropen en 'rechttoe rechtan', zonder flauwekul en al te veel geprakkizeer. Boerenrockmuziek zijn ze het later zelf gaan noemen. Ochgottegot: met teksten die er niet om liegen, a-politiek en anti-intellectueel, wars van gezeur & gezwam, gelul & gedram. 'Streekvervoer' rijmt gewoon op 'ouwe hoer' en alles wat aan die andere kant van de IJssel woont, is een slijmbal, trendy zeikert of zakkenwasser. Ze waren jong en wild, vol branie, eeuwig dorstig en bronstig als een beer.

Alie is een deerntjen/ Van amper achttien jaor/ Zie zut mien echt wel zitten/ Moar heur pa steet altied kloar/ Den achterdochtigen drietkeun/ Lig altied op de loer/ Moar eerdaags zak'm kriegen/ Den maffen ouwehoer/ Die olde luu bedoelt 't goed/ Moar ze wet niet wat ze ow an doet/ As i-j achttien bunt is 't goed/ Dat i-j eiges wet wa-j doet. Weg met orde en gezag. I-j wet zelf wel wat kan en mag.'

Ze staken hun leeftijdgenoten een hart onder de riem, geen wonder dat het gezag toen een hartschrik kreeg. Ze leerden later de Beatles en de Rolling Stones kennen, Eric Clapton en die andere Britse bluesgroepen en namen alles waar ze zich mee verwant voelden, ongegeneerd en ongebreideld, op in hun muziek. Na Oerend hard ('Bertus op zien Norton en Tinus op de BSA') en Alie zouden nog vele hits volgen.

Er is geen gitaar- of drumsolo uit de oerrock, geen honkytonkriedel of trekzakzucht die ze niet uit hun hoofd kennen. Boerenrock is een geuzennaam maar te simpel voor wat ze als band uithalen. 'Ik vind het hartstikke mooi', zei Jolink een paar jaar geleden, 'dat het publiek er een gigantische bende van maakt terwijl wij ons best doen om foutloos te spelen. In twintig jaar word je ongewild steeds professioneler en als er iets mis gaat, irriteert dat. Dus maken we heel perfect muziek, met weinig missers, al is er geen hond die het merkt.' Maar op elke plaat is het te horen.

Zoveel jaar later (loater) is hun muziek nog even eender. De titels zeggen al genoeg: Wat maakt 't uut, Pien in de kop, Doe niet zo moeilijk, D'n poot op 't gas, Dikke Pens, Ik mot goan. Ze zijn blijven zingen over de gewone dingen uit hun eigen leven. En hun anhangers begrepen het, want dat is ook hún leven. Ze brengen het in stampende rock- en bluesnummers, in gierende ballads en in dikbeslagen boerenhoempa. Om op te høken of om ongegeneerd bij te zwijmelen. Want vies van sentiment ('hard als steen, koud als stoal', ja daaag!!!) zijn ze nooit geweest.

Ik heb d'r genog van, omda'k 't niet meer ankan

Ik werk mien elke dag uut de noad

D'r is altied kritiek, op mien werk of mien muziek

Altied n & lsquor;hlen woar i-j goat of stoat

De baas die lup te zeuren, alles af te keuren

De hele week gezeik aan de kop

De belle is gegoan, 't werk dat is gedoan

't Is weer bi-j noa weekend en dan basten wi-j d'r op.

Het gegeven bleef hetzelfde, het rijmwoord met de hooivork opgepikt, geheid Normaal. Toch veranderde er wat in de loop der jaren. Niet dat de sleet erin kwam, de fut eruit was, de groep van samenstelling veranderde (wat gebeurde); vermoedelijk omdat ze gewoon ouder werden, als alle anhangers, en mee veranderden in het leven om hen heen - blagen toen ze begonnen, vijftigers inmiddels met een eigen huis en een rustiger, bezadigder bestaan.

Er zit een mooie, tweezijdige ontwikkeling in die 25 jaar. Je ziet wat voor antennes ze afstelden op wat er om hen heen gebeurde, en niet in de muziek alleen. Je ziet dat ze, vanuit de Achterhoek, de wereld kleiner zagen worden via de tv, terwijl die voordien zo lekker ver weg was geweest. Daar zit een gevoel van spijt in, van weemoed, maar ze sloten zich er ook weer niet voor af.

Ze bezongen (en becommentarieerden) de ontwikkelingen in die wereld en in het leven op een manier, die in het collectief geheugen opgenomen zou moeten worden, met een boodschap die aansprak of met een rechtstreekse uitval naar asociaal gedrag of virulent racisme. Net als Neerlands Hoop toen, aanverwant gelijk gestemd. Dan verdwijnen de grenzen van stad en platteland, van Achterhoek en Randstad. Soms maakten ze geen rock, laat staan boerenrock, maar pure levensweemoed en wisten een traan van zelfspot van hun gezicht: Ik zag niks want ik mos pissen/ Ik dacht al dat ik wat misse/ Zo get 't altied als er iets te doene is.

Als je door hun platen slakkert, zowat evenveel als hun zilveren jaren, zie je ook verval binnensluipen. Falderie, faldera: hun grote succes, het wel en wee van de Achterhoek, tekent ook hun zwakte, hun isolement. Ze zijn niet alleen een band, een heel oorspronkelijke, maar ook een thuisband, die speelt waar de anhangers om vroagen. Hetzelfde alsmaar weer, in steeds een ander jasje, van biergooien en høken; gevangen in een cirkel van oorsprong en gevolg, een wilde oerkreet die familieleuze werd. De boer dat is de keerl: van ruige rockers werden ze pleitbezorger van de boer, moraalridders zelfs met van die boerenwijsheid uit in wc-wanden gemetselde tegeltjes als In 't laatste hemp zit gin zakken.

Maar wacht je, als ze de blues krijgen. Dat is, godzijdank, altijd gebleven. Want wie maakt er nou zo'n poëzie (over dat je je in het bos zo lekker in je vel voelt, dat je het tussen de schouders voelt kriebelen):

De groezels trekt mien oaver de rug.

Of keilt er zo'n onnavolgbaar refrein als: Za'k 't now wel of za'k 't niet doen/ Ik kan now eenmoal niet zo snel beslissen/ Moar a'k 't wel doe, of a'k niet doe/ Slut de twifel toe, ik was bang da'k mien vergissen. Daar mag je mij, tot het einde der dagen, voor wakker maken (moaken).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden