Recensie Venetië

Nooteboom als gids in een bijna voorbije wereld ★★★★☆

Venetiëganger Cees Nooteboom weet in zijn reisstukken over de waterstad de wiegende beweging in zijn proza te verweven.

Cees Nooteboom Beeld Ringel Goslinga/Lumen

Cees Nooteboom: Venetië – De leeuw, de stad en het water

De Bezige Bij; 270 pagina’s; € 24,99.

Een novemberzondag in 2012, het regent dat het giet in Venetië. Een man van 79 jaar vlucht om vijf uur in de middag de kerk van San Rocco in. Daar begint een concert, dat gratis is, merkt hij op  het is een Nederlander. Koor en orgel, muziek van Palestrina, Gabrieli, gregoriaans, hij kent de Latijnse woorden nog uit zijn kostschooltijd. Polyfonie, ‘geen instrumenten, even dat bijna onhoorbare stemmen van de stemmen, een soort heilig geneurie, moemmmm…, miemmm..., zo is het goed, een knikje naar elkaar, kijken naar de dirigent die nog even de stilte laat regeren, zijn handen optilt in dat ondeelbare ogenblik dat er nog geen muziek is, en dan gebeurt het, ineens stroomt de kerk vol gecomponeerd geluid, stemmen die zich door elkaar heen weven, elkaar achtervolgen, ondersteunen, mensen die geen instrument nodig hebben om muziek te maken, hun lichaam is hun instrument, de stemmen vliegen langs de hoge zuilen omhoog, zoeken de muren op, dwalen door het gewelf tot de hele kerk van muziek is en wij gewiegd worden, in harmonieën die dingen beloven die niet bestaan, behalve nu, in deze muziek (…) Als na de liederen het grote orgel zwaar uithaalt trilt de hele kerk, je voelt het tot in je gebeente alsof je zelf deel van een gebouw bent, en als het dan weer stil wordt, en je de regenvlagen tegen de hoge ramen hoort jagen, lijkt het alsof je op een schip vol muziek door een gevaarlijke nacht vaart zonder dat je voor onheil hoeft te vrezen.’

De reizende Hollander heet Cees Nooteboom, die in staat is de ervaring te verwoorden van eenling zijn en onverwacht door muziek te worden opgetild, én opgenomen in een samenzang die bescherming biedt. Hip of hedendaags is hij niet, en dat hoeft hij ook niet meer te willen, maar het gevoel dat hij weergeeft, verschilt niet wezenlijk van wat de bezoekers op een groot popfestijn kunnen meemaken, als daar alles meezit. Het grote geheim zit ’m, meen ik, in de beweging die Nooteboom in zijn proza verweeft, zijn zinnen mogen niet snel ophouden, zolang ze doorlopen en met een bijzinnetje hier en daar worden gerekt, zit er leven in, dat niet zozeer de weergave van muziek is als wel zélf muziek, en het ritme neemt ook de lezer even mee die kerk in.

Dat is Cees Nooteboom op zijn best. Dan is hij geen naverteller maar een stem die je deelgenoot maakt, in plaats van je te reduceren tot een leerling die van de meester wil horen waar hij op moet letten. De scène is ook typisch Venetiaans, enigszins aan de tijd ontheven, de geluiden zijn dezelfde als van eeuwen geleden, en het gevoel van gewiegd worden zal elke bezoeker van de waterstad bekend voorkomen. En ten slotte is de scène tekenend voor de latere Nooteboom: behalve auteur van fictie was hij al vanaf de jaren vijftig een wereldreiziger die de brandhaarden niet meed – Boedapest (1956), Parijs (1968), Berlijn (1989) –, maar die de laatste decennia stiltegebieden prefereert: de Japanse tempels bij Kyoto (2013), Spitsbergen (2008), en het eiland waar hij zijn zomermaanden doorbrengt, Menorca (2007  en 2016). Altijd wég, altijd ergens anders, en nee dat is géén vlucht, want dat betekent voor hem: altijd bij jezelf zijn, zoals hij uitlegde in Nootebooms hotel (2002): ‘Ik weet niet hoe vaak ik heb moeten luisteren naar Pascals dictum ‘het ongeluk van de wereld komt daarvandaan dat de mensen niet vierentwintig uur in één kamer kunnen blijven’, tot het mij langzaam duidelijk werd dat ik juist degene was die altijd thuis was, namelijk bij mijzelf.’

Nootebooms nieuwe boek over Venetië, na Berlijn (2009) het tweede met reisstukken en beschouwingen die aan één stad zijn gewijd, wordt gepresenteerd als geheel nieuw, maar dat is niet helemaal waar: de lyrische Venetiaanse vignetten uit 1999 (een nieuwjaarsgeschenk van de uitgever, niet in de handel, en daarvoor in de Volkskrant verschenen), zijn listig tussen de nieuwere bijdragen geschoven. Dat is maar goed ook: hier horen ze namelijk, de alinea’s over het zo kenmerkende geluid van voetstappen hebben na twintig jaar een passend onderdak gekregen: ‘Je staat stil, en wat je hoort zijn voetstappen, het vergeten geluid dat hoort bij een tijd zonder auto’s, dat hier al die eeuwen ononderbroken geklonken heeft. Schuifelende, driftige, haastige, trage, slenterende stappen, een orkest met instrumenten van leer, rubber, hout, sandalen, hoge hakken, laarzen, sneakers, maar altijd de menselijke maat, aanzwellend in de uren van het licht, dan, als het donker wordt geleidelijk afnemend tot je alleen nog maar soli hoort, en ten slotte de eenzame aria van je eigen voeten weerkaatsend in de donkere smalle steeg, op de marmeren trappen, en dan alleen nog maar stilte, tot de stad voor de laatste keer iets wil zeggen: dat het ook in fabels middernacht wordt.’ Hoera, ik was deze zinnen nooit meer vergeten en herkende ze onmiddellijk: goed jullie terug te zien, en jullie voorgoed geboekstaafd te weten.

Hier gebeurt hetzelfde als bij het kerkbezoek: de beschrijving is de beleving, de voortgang van al die voeten is welhaast hoorbaar in de zinnen, en ook de allengs groeiende stilte, een verschijnsel dat de eendagstoerist wel gelooft, waardoor die minstens één aspect van de geheimzinnigheid mist die voor deze stad essentieel is.

De schrijver komt sinds 1964 met regelmaat in Venetië, en het zij hem vergeven dat ook hij een klaagdeuntje moet afsteken over het massatoerisme (kom op Cees, drie drukke straten doorlopen en je bent weer de enige) en mensen die voortdurend op hun smartphone lopen te kijken in plaats van om zich heen, en voor wie alles snel moet. Iets moeizamer zijn de geschiedenislesjes die Nooteboom overneemt uit Venetië-boeken als dat van John Julius Norwich (Paradijs der steden, 2003) dat terecht beroemd is, ja.

Beeld Tzenko

En apart: af en toe is Nooteboom, al dwalend van museum naar kerk, onderweg naar een inzicht, zonder dat het hem te binnen schiet. Ik bedoel dit: hij schrijft dat hij in twee kerken de graven van een aantal doges (hoofdbestuurders van de republiek Venetië, die bestond tot 1797) gaat bezoeken: ‘In die kerken liggen ze hoog opgehangen tegen de muren in hun sarcofagen, alsof ze zich aan de wereld van de mensen willen onttrekken, en haast hadden om in de hemel te komen’. Honderd pagina’s verder ziet hij in een andere kerk een sarcofaag ‘op ondenkbare hoogte tegen de muur. Waarom de Venetianen hun nobele doden soms zo hoog boven hun hoofden onderbrengen weet ik niet, misschien heeft het iets te maken met een eeuwige angst voor hoog water.’

Het antwoord had hij niet ver van huis hoeven zoeken. Herlezing van zijn eigen, meest bevlogen Venetië-stukken had volstaan: een sarcofaag hoog ophangen is een buiging naar de beweging, die door iedereen wordt herkend die er ooit geweest is: deining, schittering, licht dat bij het vallen van de avond laat zien hoe geluk in melancholie over kan gaan, dat alles hoort bij deze stad die als een droom uit het water lijkt te verrijzen. Terwijl ze er juist in wegzinkt. Kortom, de definitieve afsluiting die een sarcofaag symboliseert, wordt voorlopig gemaakt door hem hoog op te hangen, het is een versteende maar niet verstarde beweging, een zwevende droom, je blijft hier altijd onderweg.

Dat denk ik. En ik geef het de auteur ter overweging. Hij zelf heeft me op het idee gebracht. Zoals hij me ook heeft geamuseerd met het verhaal over de schilder Paolo Veronese, die zich in 1573 moest verantwoorden bij de inquisitie over het te uitbundige Laatste Avondmaal dat hij had gemaakt; inclusief Duitsers, narren, een hond en een apostel die met zijn vork tussen zijn tanden peutert. Zou Monty Python hierdoor zijn geïnspireerd tot de legendarische sketch ‘Waarom Michelangelo het Laatste Avondmaal niet schilderde’? Dat lijkt me aannemelijk. Maar daar bemoeit Nooteboom zich niet mee, die is al met de handjes op de rug in een steeg verdwenen, ik kan zijn voetstappen nog een tijdje horen. We mogen blij zijn dat hij er nog is, 85 jaar inmiddels, onze gids in een bijna voorbije wereld.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden