Nog één blik op Smeerenburg

De voorwerpen zijn versleten, de kledingstukken half vergaan. Maar de Smeerenburgcollectie geeft wel een puntgaaf beeld van het 17de eeuwse Nederlandse walvisvaardersleven op Spitsbergen....

Een grote duim in een versleten wollen want, minstens drie keer versteld door een mannenhand. Het aandoenlijke kledingstuk komt uit Smeerenburg, de plaats die de Nederlandse walvisvaarders in de 17de eeuw bouwden op Spitsbergen. Het is het eerste van de tweeduizend objecten van de Smeerenburgcollectie, die vandaag wordt overhandigd aan Niels Marstein van de Noorse monumentenzorg.

Na de plechtigheid zal de Nord Syssel, het schip van de gouverneur van Spitsbergen, de verzameling, waaronder gereedschappen, kledingstukken en gebruiksvoorwerpen, wegvoeren van het IJ naar Spitsbergen, Noors grondgebied. Daar popelt het museum Svalbard in de plaats Longyearbyen om dit historisch materiaal uit te stallen.

Voordat 95 procent van de collectie Nederland verlaat, ziehier een laatste blik op aansprekende stukken uit de Smeerenburgcollectie, genoemd naar de plaats die letterlijk 'blubberstad' betekent - een verwijzing naar walvisvet.

Eén ding hebben bijna alle voorwerpen gemeen. Ze zijn getekend door de tand des tijds. Versleten, half vergaan, maar soms ook prachtig verkleurd zoals het bruin dat door het zwarte vilt van de 17de-eeuwse hoed heen breekt. Een gerimpeld leren beursje doet doorleefd en soepel aan.

Vaak moeten handen van walvisvaarders de houten steel hebben gegrepen van de spekhaak, waarmee walvissen werden weggesleurd. Diepe scheuren tekenen het eikenhout. Veelvuldig gehanteerd is ook het mes waarmee met grote kracht speklagen werden weggeschoven. Het vlijmscherpe snijvlak is verworden tot een kartelrand.

In schril contrast hiermee is het ivoren leeuwtje, gebruikt als mesheft. Het is de vrucht van eindeloos slijpen aan een walrustand op 79 graden noorderbreedte. Een handvol geglazuurde scherven kreeg nieuw leven als kookpotje met geblakerde pootjes.

Deze verzameling is in meer opzichten uniek. 'Het is de grootste collectie werkmanskleding uit de 17de eeuw in Europa', zegt Sandra Comis, die hierover een proefschrift schrijft. Zij heeft vele lapjes en half vergane kousen, jassen, mutsen en hoeden die in de nederzetting zijn opgegraven, in min of meer oorspronkelijke vorm doen herleven. Een van de topstukken, de blauwe wollen jas, bestaat uit 22 stukken en doet met een beetje fantasie niet onder voor een hedendaags, enigszins getailleerd spijkerjack.

'Wol en zijde bleven in de bodem met een hoge zuurgraad goed bewaard, maar linnen verging. Het linnen naaigaren is dan ook verpulverd en daardoor zijn gapende naden ontstaan. We weten dus ook dat de grafvondst van een jas, muts en kousen niet betekent dat de man in zijn blote kont is begraven, maar een linnen broek aan had', zegt Comis.

Het gaat haar aan het hart dat de collectie aan Noorwegen wordt overgedragen. 'In Nederland is zo weinig textiel materiaal meer van arbeiders uit de 17de eeuw.' Het liefst zou Comis in Svarbard er met haar neus bovenop staan als de dozen na de reis worden uitgepakt. Ze zou de kwetsbare jas niet op een pop draperen, maar plat uitvlijen om verder verval te voorkomen.

Maar de delver van de tweeduizend objecten, de poolonderzoeker prof. dr. Louwrens Hacquebord van de Rijksuniversiteit Groningen, heeft tot zijn eigen verbazing geen moeite met de afstand. 'Zo wordt 25 jaar onderzoek mooi afgerond. Alles is geregistreerd, beschreven en getekend. Het is klaar. Nu mag de bijna volledige collectie daar bijeen blijven als onderdeel van de natuur, het landschap en de cultuur van Spitsbergen.'

Hacquebord vergelijkt de Smeerenburgcollectie met een schip dat op de zeebodem ligt: ook dat is gestold op het moment dat het zonk, een gesloten complex. Het is niet verontreinigd met jonger materiaal. Hij acht het niet uitgesloten dat Nederlandse wetenschappers later dna-onderzoek doen naar de herkomst van de botten en beenderen van walvissen, zeehonden en rendieren.

Het heeft iets van een Salomonsoordeel dat uiteindelijk bijna de hele collectie wordt afgestaan. Ieder de helft, zoals aanvankelijk was afgesproken, bleek heel moeilijk uitvoerbaar. De 5 procent die in Nederland achterblijft, vertelt in grote trekken het verhaal van de walvisvaarders en zal in het Rijksmuseum worden geëxposeerd. En, Hacquebord wil dit niet verhullen, door de gulle overdracht van de collectie krijgt Nederland wellicht gemakkelijker toestemming van Noorwegen voor biologisch, klimatologisch en archeologisch onderzoek op Spitsbergen.

Eigenlijk leefden de walvisvaarders op duizend kilometer van de Noordpool in een Nederlands dorp volgens de cultuur die ze gewend waren. Keurige stoepjes voor de zestien huizen, een straat belegd met gele IJsselsteentjes en Delfts blauw ontbrak niet. Ze bouwden zeven traankokerijen.

's Zomers woonden er 250 mensen in Smeerenburg waar een fort omheen was gebouwd om de bezittingen van de walvisvaarders te beschermen tegen de rooftochten van Baskische walviswaarders.

Comis hoopt volgend jaar naar Svarbard af te reizen om haar 'troetelkinderen' te bekijken in museum Svarbard. Met haar zullen zo'n 40 duizend toeristen, die volgens Hacquebord allemaal naar het museum gaan, dezelfde gang maken en ontdekken dat walvisvaarders een Nederlands stempel drukten op Spitsbergen. Dat kan geen kwaad, zegt Hacquebord, want Spitsbergen is erg aan het vernoorsen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden