Nóg een biografie? Prima toch?

De biografie bloeit in Nederland

De biografie is volwassen geworden. Van sommige schrijvers, kunstenaars of wetenschappers is al een tweede biografie verschenen. Helemaal niet erg: 'Elke generatie brengt z'n eigen beeld voort.'

Foto Gino Bud Hoiting

Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw was er sprake van een golden age of biography in het Angelsaksische taalgebied. Biografen als Richard Holmes (Coleridge, Shelley), Hilary Spurling (Matisse, Pearl Buck), Claire Tomalin (Samuel Pepys, Thomas Hardy) en Victoria Glendinning (Jonathan Swift, Vita Sackville-West) verdrongen de romanschrijvers van de bestsellerlijsten: waarom zouden we fictie lezen als echte levens zo groots, dubbelzinnig of tragisch zijn?

Dat gouden tijdperk is voorbij verklaard, althans in Groot-Brittannië. Kathryn Hughes, biograaf van George Eliot, stelde al in 2008 in dagblad The Guardian mismoedig vast dat de interessantste personen nu allemaal wel 'gedaan' waren, en dat alleen de tweede garnituur overbleef. Het publiek was misschien overvoerd met het genre.

Geld, dat was nog een reden voor de vermeende neergang. In 2012 schreef Ray Monk, schrijver van geweldige biografieën over Wittgenstein en Robert Oppenheimer, in dezelfde krant dat het bijna niet meer te doen is. Het werk is zo arbeidsintensief en tijdrovend, de voorschotten van de uitgevers zo karig, de royalty's zo laag, dat het liefdewerk wordt.

In Nederland is er geen sprake van een neergang. De biografie bloeit, en niet alleen die van voetballers, wielrenners en leden van het koninklijk huis. Ook met de schrijversbiografie gaat het goed. Aantallen zijn moeilijk te geven, maar een paar keer per jaar verschijnt er een interessante biografie over een Nederlandse schrijver, zoals de afgelopen jaren de biografieën van Vasalis, Andreas Burnier, W.F. Hermans, Willem Bilderdijk, Marten Toonder, Ida Gerhardt, Kees Fens, Willem Elsschot, Annie M.G. Schmidt, Geert van Oorschot en Theun de Vries.

In de jaren tachtig werd er nog een beetje neergekeken op het genre, vooral aan de universiteiten. Literatuurwetenschappers hielden zich bezig met literaire teksten, niet met zoiets ordinairs als het leven van de schrijver. Een kunstwerk was een autonoom verschijnsel. Verbanden tussen leven en werk aanwijzen was al te makkelijk scoren, werd er bij een hele generatie letterenstudenten ingehamerd, waardoor weinigen het in hun hoofd haalden om een biografie te schrijven.

In de jaren negentig veranderde dat. Succesvolle buitenlandse schrijversbiografieën werden hier vertaald en gretig gelezen, en er verschenen ook bij ons goede biografieën, zoals die van Elsbeth Etty over Henriette Roland Holst, Jan Fontijn over Frederik van Eeden en Hans Goedkoop over Herman Heijermans.

Kennis over het leven van een schrijver kon wel degelijk helpen bij de waardering en interpretatie van het werk. Er werd een Werkgroep Biografie opgericht, en het tijdschrift Biografie Bulletin (nu Tijdschrift voor Biografie geheten). Sinds 2004 is er, bij de Rijkuniversiteit Groningen, een Biografie Instituut, met aan het hoofd hoogleraar en biograaf Hans Renders, die de theorievorming over het genre helpt ontwikkelen en schrijvers van biografieën begeleidt.

De minachting uit de academische hoek is verdwenen. Het is nu heel gebruikelijk om te promoveren op een biografie. Renders heeft, zegt hij, altijd wel van die promovendi onder zijn hoede.

En nu zijn we in Nederland ook zo ver dat sommigen al hun tweede of derde biografie krijgen. In 2015 en 2016 verschenen biografieën van de schilder Mondriaan, eerst door Léon Hanssen, daarna door Hans Janssen. Ook sommige schrijvers zijn al voor de tweede keer aan de beurt. Afgelopen najaar verscheen een tweede biografie over F. Bordewijk van Elly Kamp. In 2016 publiceerde Rémon van Gemeren een nieuwe Couperus-biografie; er was al een goede Couperus-biografie van F. Bastet, uit 1987. Onlangs verscheen een tweede biografie van Willem Kloos, vijf jaar na de vorige.

Is het niet jammer, dat er tweede schrijversbiografieën worden geschreven terwijl er over veel interessante figuren nog geen biografie bestaat? Welnee, vindt Renders. 'De praktijk wijst uit dat een tweede of derde biografie weer een heel ander verhaal vertelt. Je moet je eigen belangstelling volgen, als biograaf ben je niet verantwoordelijk voor de verdeling van de aandacht of voor de loop van de literatuurgeschiedenis.'

Ook Jaap Bos, hoofdredacteur van Tijdschrift voor Biografie, psycholoog en biograaf, ziet geen enkel bezwaar. 'Als je denkt dat je een interessant verhaal te vertellen hebt, kan niemand je dat verbieden. En waarom zou iemand dat willen verbieden?'

Helemaal als er een periode van twintig jaar of meer tussen de verschijning van twee biografieën over een persoon zit, vindt hij een tweede biografie interessant. 'Een visie op een persoon verandert ook in de loop der jaren, we worden beïnvloed door onze eigen tijd. Iedere generatie brengt zijn eigen beeld voort van mensen als Sigmund Freud of Vincent van Gogh; het is mooi dat er over hen telkens weer nieuwe biografieën verschijnen.'

Tekst gaat verder onder de illustratie

Foto Gino Bud Hoiting

Voor Eric Palmen, historicus, biograaf en hoofdredacteur van biografieportaal.nl, een website waarop vrijwel alle interessante Nederlandse en buitenlandse biografieën worden besproken, is het verschijnen van 'tweede biografieën' een teken dat de biografie in Nederland volwassen wordt. 'Het is een verheugende ontwikkeling. De twee Mondriaan-biografieën, bijvoorbeeld, zijn verschillend, en vullen elkaar aan. Veel biografieën corrigeren het beeld dat in een eerdere biografie wordt gegeven. Maar als biograaf word je vooral gedreven door je eigen bevlogenheid voor een onderwerp.'

Ontevredenheid met een bestaande biografie kan ook een goede drijfveer zijn om zelf met een beter boek te komen. Over Multaltuli, W.F. Hermans, Simon Vestdijk en Hans Lodeizen bestonden al biografieën. Maar dat weerhield respectievelijk Dik van der Meulen, Willem Otterspeer, Wim Hazeu en Koen Hilberdink er gelukkig niet van om betere en meer complete biografieën te schrijven.

Volgens Greetje Heemskerk, afdelingshoofd binnenland van het Nederlands Letterenfonds is dat - de bestaande biografie voldoet niet - de meest genoemde reden voor een tweede biografie. 'Van een trend wil ik niet spreken, veruit de meeste biografieën zijn eerste biografieën. Wel zie ik dat de biografie in Nederland nog steeds een bloeiend genre is.'

Dat de biografie bij ons niet, zoals in de Angelsaksische landen, moeite heeft stand te houden tussen de beter verkopende genres, is volgens haar mede te danken aan een substantieel subsidiebeleid. Sinds 2002 kent het Letterenfonds een subsidieregeling voor biografen.

In de jaren 2009 tot 2016 zag Heemskerk het aantal aanvragen toenemen; gemiddeld waren het er 13 per jaar; vorig jaar waren het er 16. Gemiddeld worden er zes biografen per jaar ondersteund. De spoeling wordt wel dunner: het totale bedrag dat jaarlijks beschikbaar is voor de biografieregeling is 160 duizend euro; de maximale subsidie voor een biografie bedraagt 40 duizend euro.

'Ik ben ervan overtuigd', zegt Heemskerk, 'dat deze biografieregeling flink heeft bijgedragen aan de bloei van het genre. Relatief zijn de subsidies in ons land substantieel. Dat moet ook wel, anders kunnen er in zo'n klein taalgebied geen goede biografieën verschijnen.'

Voorlopig zijn bij ons de gouden jaren nog niet voorbij. Op wikipedia.nl staat een lange lijst van Nederlandse biografen en hun biografie(ën), ook biografieën in wording. De komende jaren krijgen we de biografieën van onder anderen Frans Kellendonk, Harry Mulisch, Godfried Bomans, Fritzi Harmsen van Beek en Remco Campert. Boeken om je enorm op te verheugen.