Nog een bibliotheek

Het meeste blijft verborgen; het laat zich hoogstens vermoeden. Elk wetenschappelijk werk kent zijn soms verbijsterend omvangrijke bibliografie. Ze is natuurlijk in de eerste plaats een verantwoording voor het vereiste eigen gebrek aan oorspronkelijkheid....

Wetenschappers laten zelden of nooit de achterkant van hun onderzoek zien. Dat is jammer, want het moet fascinerende lectuur opleveren. Marita Mathijssen heeft eens verslag gedaan van haar speurtocht in Engeland naar nakomelingen van De Schoolmeester. Zij moet bijna alle telefoonboeken van het Gemenebest hebben onderzocht. En een achterkleinzoon werd gevonden! Een groot onderzoeker heeft mij eens verteld hoe hij twee dagen op een bloedhete zolder - de vrije zomer is de tijd voor onderzoek - in een ongeordende nalatenschap heeft gezocht naar mogelijke brieven die voor zijn studie belangrijk konden zijn. Ze waren er niet. Over het zo essentiële mislukken komen we helemaal niets te weten.

Veel studies blijven ook verborgen, totdat ze een plaatsje krijgen in een bibliografie. Twee of drie jaar na de publicatie krijgt de geleerde een recensie in een vaktijdschrift. Vierhonderd woorden voor zes jaren werk. En dat is het dan. Uit de boekhandel is het ene exemplaar allang verdwenen - als het al is ingekocht. De wetenschappers zijn de asceten van deze tijd. Maar hun wacht niet eens een hemelse beloning, hoogstens na jaren een noot in een studie. Hun werk heet dan niet onopgemerkt gebleven.

Voor een 'gewone' lezer is het lezen van zo'n bibliografie ook een ascetische oefening. Als hij al meende iets te hebben gelezen, dan wordt die pretentie hem op pijnlijke wijze ontnomen: bij elk werk wordt een splinter uit zijn lijf getrokken. Maar nog vernietigender is het een boek te ontdekken dat je had moeten lezen. Dat haalt een rib uit je lijf. Gebeurt het een aantal keren, dan verzak je helemaal tot het bijna totale niets, het eindpunt van alle ascese.

Twee weken geleden schreef ik hier iets over twee publicaties in het Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis. Beide stukken gingen over een onderzoek naar een particuliere bibliotheek: van een in Amsterdam wonende Italiaanse koopman en van een priester-geleerde van de universiteit van Leuven. Als ik had gelezen wat ik had moeten lezen, zou door een vergelijkingsmogelijkheid dat stukje een ander karakter hebben gehad. Te laat kreeg ik in handen de zeer omvangrijke studie Bron, waarheid en de verandering der tijden - Jan Wagenaar (1709-1773), een historiografische studie, door L.H.M. Wessels (uitgegeven in de Hollandse Historische Reeks). Ik moet toegeven dat de hoofdtitel niet direct een poging tot verleiding doet. Het zeer omvangrijke boek verscheen vorig jaar; het is de handelseditie van een jaar daarvoor verdedigd proefschrift.

Ik had het moeten lezen. Wagenaar schreef de eerste Vaderlandse Geschiedenis, meteen in 21 delen, hij schreef ook een geschiedenis van Amsterdam - in dertien delen - en die heb ik eens met veel plezier gelezen. Hij heeft nog veel meer geschreven; hij was een beperkte gigant met een grote invloed, tot ver in de negentiende eeuw, op het beeld van ons verleden. Ik weet nu - tijdelijk - alles van hem, zoals dat hij maar twee minuten van mij vandaan woonde. Natuurlijk is de bibliografie zeer uitgebreid, er is heel veel archiefonderzoek gedaan, er zijn ontelbare noten, de auteur lijkt mij een wetenschappelijke scrupulant, die in alle bescheidenheid zo weinig mogelijk voor eigen rekening wil nemen. Het negende en laatste hoofdstuk gaf mij schuldgevoelens: het gaat in zijn geheel over de bibliotheek van Jan Wagenaar. En dat stuk had ik moeten kennen!

Wagenaars bibliotheek werd een half jaar na zijn dood geveild. De veilingcatologus is bewaard gebleven. En die heeft de auteur grondig onderzocht. Ik vermoed dat het het zwaarste hoofdstuk is geweest. Want de opgave die de bibliotheek stelt, een relatie te leggen tussen het door Wagenaar gelezene en geschrevene, is niet gering. De auteur moet alle boeken uit de bibliotheek kennen (maar ook, kan men zeggen, een heel grote bibliotheek eromheen) om het eigene van Wagenaars bibliotheek te kunnen beschrijven en de betrekking tussen lezen en schrijven - naar de ideeën bijvoorbeeld - te kunnen vaststellen. En dat natuurlijk weer allemaal onder allerlei voorbehoud. Wie bijvoorbeeld een boek heeft, hoeft dat niet te hebben gelezen, stelt de auteur wat overbodig vast. (Een autodidact als Wagenaar had natuurlijk alles gelezen, in elk geval te veel.)

Wagenaars bibliotheek blijkt een echte vakbibliotheek, waarin uiteraard historische werken de grootste plaats innemen. Vakbibliotheken zijn meestal degelijk, zelden oorspronkelijk. Zo ook die van Wagenaar. Hij was trouwens niet zo'n oorspronkelijke geest (anders schrijf je geen geschiedenis in 21 delen). De bibliotheek verraadt zijn mentaliteit en ook daarom is dat negende hoofdstuk zeer boeiend. Blijkens zijn werk heeft hij zijn historische bibliotheek grondig gebruikt. De auteur noemt die afdeling van de bibliotheek heel mooi 'het laboratorium van de historieschrijver'. Wagenaars bibliotheek telde 1036 titels, en dat betekent voor toenmalige begrippen een bibliotheek van een behoorlijk omvang. Maar het hoofdstuk wijst uit: hij laat niet in zichzelf lezen. Zijn bibliotheek is een bibliografie bij zijn werk.

Op de opgenomen portretten ziet Wagenaar er gezond en blozend uit, een opgewekte man die voor geen boek uit de weg gaat, om te lezen of om te schrijven. Natuurlijk had hij graag een grotere bibliotheek gehad, maar hij was niet gefortuneerd. Gelukkig, anders zou het hoofdstuk over zijn bibliotheek nooit geschreven zijn. En wat zou die te raden geven? Niets. Hoe groter de bibliotheek, hoe onzichtbaarder de bezitter ervan. Hij is de bibliothecaris.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden