No satisfaction

Eén ijzige blik van de rector was voldoende

Hoe de standen- maatschappij in e Betuwe via Bob Dylan, Hitweek en de gebleekte spijkerbroek als sneeuw voor e zon verdween.

Zijn ouders hadden alleen lagere school. Ze dreven een café in het dorpje Ingen in de Betuwe, vlakbij Tiel. Chris van Esterik (1949) groeide op in dat café, tussen de tap en de tafeltjes. In de lunchpauze kwamen er zakenlieden en vertegenwoordigers. Zijn ouders hadden niet veel tijd voor hem, ze hadden het druk met de uitsmijters en de biefstukken-brood. Als ze al samen aan tafel zaten, was het niet de bedoeling dat hij meepraatte. Kinderen moesten vooral niet in de weg lopen. Eén verschoninkje per week, eten met alleen een vork in de rechterhand, nooit tandenpoetsen, niet één boek in de kast.

Maar het kind leerde veel. Dat mensen, als ze zich eenmaal hebben laten vollopen, niet zo gek veel van elkaar verschillen, bijvoorbeeld. In het Ingense café kwam iedereen, van de kleine boeren en arbeiders tot de notabelen. De jongen zag de dronken burgemeester, de overspelige dominee, de sjoemelende vertegenwoordiger. Hij stelde vast dat de leden van de plaatselijke elite geen halfgoden waren. Ze hadden, zoals een vriendje - ook middenstanderszoon - later zou zeggen, 'óók maar een gleuf in hun kont'. Er kwamen ook nieuwe helden. Nozems gooiden muntjes in de jukebox, zodat de nieuwste hits klonken, en regelden er hun glorieuze seksuele escapades.

Zo trok de hele plaatselijke samenleving en de veranderende tijdgeest door het blikveld van de zoon van de cafébaas. Een ideale voedingsbodem voor de journalist, politicoloog en schrijver die Van Esterik later zou worden. Geen deelnemer, maar observator, en toch met huid en haar betrokken. Precies degene die het glasheldere, goed geschreven boek No satisfaction zou kunnen maken, genadeloze naoorlogse sociale geschiedschrijving van Tiel en omstreken, met als hoofdrolspelers zijn eigen klasgenoten, hun broers en zussen, en hijzelf.

Voor het zover kwam waren er nog wat hordes te nemen. Rond 1960 werden kinderen op de lagere school zoals die van de jonge Chris nog voorgesorteerd in rijtjes: het merendeel voor de huishoudschool, de ambachtsschool of het vglo, een enkeling voor de ulo, en bij hoge uitzondering was er een kind dat geschikt leek voor de hbs. De kinderen die voorbestemd waren voor minimaal de ulo vormden 'de opleiding', zij kregen extra les. Van Esterik kon goed leren en zat op 'de opleiding', maar een nieuwerwets verschijnsel opende nog meer perspectieven: de schoolkeuzetest. Hij maakte de test goed en een meneer kwam in het café de uitslag vertellen: de zoon kon naar het gymnasium! De ouders hadden van dat woord nog nooit gehoord. Het schoolhoofd glom van trots: dit was op de dorpsschool niet eerder vertoond.

En zo fietste de twaalfjarige dagelijks door weer en wind naar het statige gebouw van het gymnasium in Tiel aan de Sint Walburg, het eeuwenoude symbool van de plaatselijke elite. Die bestond in Tiel in grote lijnen uit protestante bestuurders, al dan niet van adel, en katholieke ondernemers - zoals die van het beroemde familiebedrijf Daalderop - en dan natuurlijk nog de artsen, notarissen, advocaten en een rechter. Beide zuilen hadden hun eigen scholen, ziekenhuizen, sportverenigingen, armbesturen en afgevaardigden in de gemeenteraad. De manlijke toplaag kwam samen in de plaatselijke sociëteit, waar ze hun vroegere corporale gedrag brallend voortzetten. Hun kinderen gingen vanzelfsprekend naar het openbare gymnasium.

In dat deftige bastion, negentiende-eeuws van sfeer en inrichting, waar de leerlingen vanouds achternamen droegen als Van Lidth de Jeude, Van Nes of Briët, stond de deur voor het eerst op een kier voor kinderen uit lagere milieus. Toch konden ze de codes maar moeilijk kraken. Het leek wel of hier een totaal andere taal werd gesproken. Een meisje, dochter van een communist, herinnert zich dat de rector, tevens leraar Latijn, zei: 'Daar gaat de bal!' Het meisje keek

uit het raam, maar zag geen bal. De rector bleek de schoolbel te bedoelen.

Kindvriendelijk was de aanpak op het gymnasium niet, maar dat waren de meesten wel gewend van de lagere school; zowel op dorpsscholen, arbeidersscholen als elitescholen werden kinderen eind jaren vijftig nog gewoon geslagen als ze iets doms zeiden, of ze werden voor de klas zo vernederd dat ze uit angst in hun broek piesten.

Van Esterik, die de archieven van het Tiels gymnasium doorspitte, kwam verslagen tegen met vrijwel alleen smadelijke kwalificaties: 'dom en lui', 'denkschuw', 'incarnatie van de vadsigheid' of alleen 'afwijzen!'. Het ging niet zozeer om het belang van de leerling, schrijft Van Esterik, maar om 'het afblazen van de kwalijke stomen'. Er waren ook uitzonderingen, en die werden inspirerende rolmodellen: een bohemienachtige intellectueel die geschiedenis gaf, een jong leraarskoppel dat weigerde het gebruikelijke bezoekrondje bij de plaatselijke notabelen af te leggen. Zo sloop de rot er van binnenuit in bij het voorheen ongenaakbare bolwerk van de elite.

Die gemeenschappelijke vijanden - vooral de dictatoriale, Bint-achtige rector - schiepen wel een band tussen de leerlingen uit verschillende milieus. En dat niet alleen. Ineens, uit het niets, ontstond er iets als een eigen wereld, een jongerencultuur. Allemaal kochten ze een Amerikaanse spijkerbroek die ze met bleekwater bewerkten, luisterden ze naar de ongewassen protestzanger die zich Bob Dylan noemde en kochten ze het opruiende blad Hitweek.

Net toen óók armere gezinnen een wasmachine, bromfiets en haardroger kregen en er knalrode Tova-bessensaus over de instant puddinkjes werden gegoten, ontwikkelden de gymnasiale pubers een afkeer van de volgevreten burgers. Natuurlijk, schrijft Van Esterik, 'waren de wapens waarmee wij die consumptiemaatschappij te lijf gingen - spijkerbroek, draaitafel en elpees - zonder die welvaart helemaal niet mogelijk, en een product ervan.'

Toen Van Esterik, als discjockey, in 1965 op een klassenfeest snoeihard Satisfaction van de Rolling Stones draaide, liet de rector zijn macht nog gelden: één ijzige blik van de machthebber in de deuropening en de dansende massa verstomde. Een schoon geweten had de rector niet: de cijfers van kinderen van notabelen werden door hem stelselmatig verhoogd. Enkele jaren later beet de rector in het stof. Hij stuurde Rien van IJzendoorn, een boerenzoon die later hoogleraar pedagogiek zou worden, van school nadat deze betrapt was op het roken van een shaggie. Solidair stapte de hele klas op. Iets ongelooflijks gebeurde: er werd onderhandeld met leerlingen! Rien mocht blijven - de triomf van de nieuwe tijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.